|
De rijke Jezus en het arme
kind |
Markus 7,24-30 en Lukas 16,19-31 gecombineerd
In augustus stond de Markus-perikoop over de Syrofenicische vrouw op het leesrooster. In de week die aan de betreffende zondag voorafging, was ik toehoorder bij een conferentie waar onder meer een paper gewijd was aan de parabel over de rijke man en de arme Lazarus. Ik werd getroffen door bepaalde overeenkomsten in woordgebruik. Al bladerend zag ik dat Lukas als enige de parabel heeft, en dat hij als enige van de synoptische evangeliën het verhaal van de Syrofenicische niet heeft. Dat vroeg om nadere beschouwing.
Het liep erop uit dat ik
die zondag in de kerkdienst beide perikopen als schriftlezing heb
opgevoerd. Eigenlijk kan dat niet. Je moet het ene evangelie niet met
het andere in de rede vallen. Je moet ze ook niet als tekstreservoirs
behandelen waaruit je door combinatie het complete verhaal bij elkaar
kunt puzzelen.
Maar de manier waarop déze twee verhalen op
elkaar reageren, vond ik meer de moeite waard dan mijn principes op
dit punt. Over de legitimiteit en de waarde van deze onderneming
oordele de lezer.
De meest opvallende overeenkomst is natuurlijk, dat er in beide perikopen sprake is van een eettafel, en van een buitenstaander in nood, een buitenligger, die zich zou willen voeden met wat van die tafel afvalt. In de Nestle-uitgave van de griekse tekst staat bij de betreffende verzen ook een onderlinge verwijzing. Het lijkt alsof daaromheen met eenzelfde set van begrippen twee verschillende verhalen zijn gemaakt. Het weinig voorkomende begrip Averzadigd worden@ (chortasthenai) komt in beide teksten voor. In beide verhalen is sprake van honden c.q. hondjes, waarvan de verachtelijke verschijning binnen het verhaal sympathieke trekken krijgt. In beide teksten wordt het >liggen= van de noodlijdende persoon met het passivum van ballein, Ageworpen-zijn@, aangeduid, terwijl Lukas dat verder nooit doet. Tenslotte is er het woord Akind@ (teknon) als aanduiding van de mensen binnenshuis: in Markus 7 in tegenstelling tot de hondjes buiten, maar ook in Lukas 16 wordt de rijke man in zijn beroerde hiernamaals alsnog als teknon aangesproken, als hem gezegd wordt dat hij zijn >goederen= al bij leven heeft ontvangen.
In beide verhalen is
sprake van een scheiding tussen binnen en buiten, die ondraaglijk is
als je er van buitenaf naar kijkt, vanuit het perspectief van de
noodlijdende buitenstaander. Tegelijk heeft die scheiding voor de
mensen Abinnen@ iets vanzelfsprekends, als een natuurgegeven.
In
Markus 7 sluit Jezus zich op in een huis en wil hij verder niet
gekend worden. Hij heeft letterlijk geen boodschap aan the man in
the street. Ik neem aan dat het begrip Aeen huis binnengaan@ (Mk
7,24) aanduidt dat Jezus te gast was bij een joodse familie, reizend
van huis naar huis in de lokale diaspora. Dat zijn immers, volgens
zijn eigen verklaring, de kinderen waarvoor het voedsel allereerst
bestemd is. Evenals de rijke man houdt Jezus zijn rijkdommen
binnenshuis.
In de Lukas-parabel wordt de scheiding volgehouden tot de dood erop volgt. In Markus 7 wordt ze doorbroken. De vrouw legt met haar woorden haar gojse dochtertje op de joodse stoep. Waar de arme Lazarus alleen de honden heeft die zijn zweren likken, heeft het dochtertje een moeder die zich een weg naar binnen baant en de confrontatie aangaat.
Aanvankelijk houdt Jezus de poort gesloten door het categoriale verschil te maken tussen kinderen en hondjes: ze behoren tot verschillende soorten. Zij en haar dochter zijn van de mindere soort, zo is het nu eenmaal. Maar de vrouw bewijst haar kracht en waardigheid, door zelfs onder dat mensonterende stigma te laten gelden, dat Jezus haar hulp verschuldigd is.
Honds gedraagt zich degene die zich verre houdt van de honden. In de parabel bij Lukas zijn de honden menselijker dan de rijke man, omdat zij het bestaan van de arme bedelaar erkennen. Ze belijden met de tong een werkelijkheid die door de rijke man wordt genegeerd. Met het zwerenlikken, zo smerig als het is, nemen ze tenminste notitie van het lijden van de arme man.
In Markus 7 gaat het om de scheiding tussen Israël en de volkeren. In Lukas 16 is de kloof aan de orde tussen wie het goed en wie het slecht getroffen hebben, tussen geluks- en pechvogels, rijken en armen. In beide verhalen is sprake van een mens in nood die een beroep doet op degene, die de middelen heeft om die nood te lenigen. De vraag is of die laatste mens in staat is om in die eerste een medemens te zien. Volgens de parabel in Lukas heb je aan Mozes en de profeten meer dan genoeg om tot dat inzicht te komen. In Markus 7 is er meer nodig dan Mozes, namelijk de schokkende ervaring dat die ander daadwerkelijk bij jou binnenkomt en door je vooroordel heenbreekt.
Volgens de traditionele uitleg van Markus 7 stelt Jezus de Syrofenicische vrouw op de proef. Hij weet al wat hij zal doen, hij bruskeert haar opzettelijk. In zijn goddelijke alwetendheid maakt hij immers geen ontwikkeling door: niet hijzelf, maar de vrouw moet op een bepaald punt gebracht worden.
In de discussie die in de betreffende week in de leesrooster-groep op Internet werd gevoerd, kwam daarentegen overwegend het idee naar voren dat Jezus in het gesprek met de vrouw een ingrijpende ommekeer doormaakte. De vrouw opende zijn ogen voor de volkeren. Jezus was in het buitenland, maar hij was innerlijk de grens niet overgestoken. De vrouw die hij nog zojuist bij de hondjes had ingedeeld, trok hem over de streep. Met haar intense betrokkenheid ging zij hem op dat ene moment vóór in menselijkheid en waardigheid.
Hoe verhoudt zich nu Markus 7, waar Jezus deze schokkende ervaring aan den lijve doormaakt, tot Lukas 16, waar Jezus de parabel vertelt? In literair-historische termen zou je kunnen veronderstellen, dat Lukas de gegevens uit de overlevering die in Markus 7 (en Mattheüs 15) bewaard is, verwerkt heeft tot een gelijkenis, waarbij hij de grens tussen jood en heiden heeft ingewisseld voor de kloof tussen rijk en arm.
Op die zondag in augustus echter heb ik terwille van de preek geen bijbelwetenschappelijk standpunt ingenomen, maar een legendarische oplossing gekozen. Ik heb gesuggereerd, dat Jezus de parabel over de rijke man vertelde op basis van zijn ervaring met de Syrofenicische vrouw, als het ware met de schrik nog in de benen. Hij was zelf de rijke man geweest. Hij had in dat joodse huis feestgevierd dat het daverde (Ahij kon niet verborgen blijven@), lering en genezing uitgedeeld. Ergens buiten had een dochtertje van een heidense vrouw liggen wachten op bevrijding, maar hij had daar geen boodschap aan gehad. Hij besteedde zijn tijd en zijn kracht aan degenen voor wie zijn energie in de eerste plaats bestemd was: de kinderen van het huis Israël, zijn eigen vlees en bloed. Als je aan de heidenen begint, dan is het einde zoek, dan kom je kracht en aandacht tekort. Dan heb je straks niets meer over voor je eigen mensen.
De schok, dat je daar bijna dat kind in haar lijden had laten liggen, omdat je het zag als een ander soort, niet jouw naaste medemens - uit die schrik heb ik de parabel laten voortkomen. De rijke man is dan niet een schoft op afstand van de verteller: je bent het zelf op een haar na, je zou het zelf geweest zijn als God het niet had verhoed.
Dat Jezus zó op de gelijkenis van de rijke man is gekomen, is een legende die (voorzover ik weet) nog niet bestond, maar die het vertellen waard is. Beide teksten komen op die manier dichter bij onze eigen grensdoorbrekende ervaringen.
Want je maakt het ook zelf mee: dat uit de grote oeverloze buitenwereld, die doorlopende ver-van-mijn-bed-show, iemand uitgerekend op jouw stoep terecht komt. Op een ongelegen moment, want je bent met dingen bezig die binnen jou horizon belangrijk genoeg zijn. Meestal lukt het je, die ander niet te zien, of hem te zien als van een andere categorie, die jouw bestaan niet raakt.
Maar vroeg of laat weet zo=n ander tot je door te dringen. Zij of hij trekt je het huis uit, de boze buitenwereld in die tegelijk Gods grote wereld is - want juist daarbuiten zijn de engelen om Gods ellendigen op te dragen (Luk.16,22).
Die ander opent je de ogen voor het feit, dat jouw privileges alleen tot hun recht komen in de daad van overgave waarin je ze (als privileges) opgeeft. Dat wil zeggen: je rijkdom komt tot zijn recht als je ze meedeelt. Jezus= jood-zijn komt tot zijn recht in zijn toewijding aan de mens tegenover hem, jood of niet. Zoals volgens Filippenzen 2,6 ook de goddelijkheid van Christus Jezus tot haar recht komt in de daad waarin hij die als privilege opgeeft.
Piet van
Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl