CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Wees gewaarschuwd, God is liefde

Er is in de laatste decennia veel gebeurd met het Godsbeeld in de Nederlandse kerken. Vroeger geloofden we in een toornende God, hoor ik zowel protestanten als katholieken zeggen, maar die tijd is gelukkig voorbij. Tegenwoordig drukken we elkaar op het hart dat God toch vooral liefde is. Sommige gelovigen weten erbij te vertellen dat die toornende God vooral de God van het Oude Testament is, en de liefdevolle God die van Jezus. Maar dat kun je alleen volhouden als je de Bijbel ongelezen laat, want er is veel toorn Gods in de woorden van Jezus en in het overige Nieuwe Testament, en er is heel veel liefde te vinden in het Oude Testament. En wat belangrijker is: beide hangen in een aantal gevallen nauw met elkaar samen.

Als mensen zeggen dat God liefde is, hebben ze doorgaans een algemeen, gelijkmatig soort liefde voor ogen. Je zou het menslievendheid kunnen noemen: dat God de mensen gunstig gezind is. Ongeveer zoals leden van Natuurmonumenten van de natuur houden. In ieder geval denken we bij >God is liefde= meestal niet aan de hartstocht van een liefdesrelatie, of aan een moeder die voor haar kind bereid is een moord te plegen B maar over zulke liefde gaat het in de Bijbel op tal van plaatsen nu juist wél.

Over de hartstochtelijke kracht van de liefde tussen minnaars lezen we in Hooglied 8,6:

Draag mij als een zegel op je hart,

als een zegel op je arm.

Sterk als de dood is de liefde,

beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.

De liefde is een vlammend vuur,

een laaiende vlam.

Met die woorden waarschuwt de vrouw haar minnaar: ga niet lichtvaardig met mijn liefde om, want dat is spelen met vuur. Vergeet me niet en verraad me niet B reken er maar op dat anders de hel losbarst. Op die manier wordt juist rond de liefde een sfeer van donkere dreiging opgeroepen. Zo hevig als de liefde is, zo dodelijk is haar reactie als ze verraden wordt.

In Hooglied gaat het volgens de nu gangbare uitleg niet over God als minnaar, maar de manier waarop in deze verzen over liefde wordt gesproken, wordt in andere bijbelse teksten wel degelijk op de Eeuwige van toepassing verklaard. Ik noem een paar voorbeelden.

In Jesaja 5,1-7 zingt de profeet een liefdeslied, over zijn liefste en een wijngaard. Het lied bezingt met zoete klanken de inzet en toewijding waarmee de minnaar in vruchtbare aarde een bedje spreidt voor zijn edele aanplant, en rekent op goede vrucht. Het is klinkende beeldspraak voor een man die alles over heeft voor de vrouw van wie hij houdt. Maar dan breekt plotseling het ritme af: de druiven blijken zuur. De minnaar roept de hoorders tot getuigen, bezweert dat hij er alles aan gedaan heeft, en besluit dan grimmig dat hij persoonlijk zal afbreken wat hij met zoveel zorg had opgebouwd. Laat het hele spul maar kaalgevreten, vertrapt, verstikt, uitgedroogd raken. >Ik zal de wolken gebieden er geen regen meer op te laten vallen=: pas in die zin, helemaal aan het einde, wordt duidelijk dat de Schepper zelf de minnaar is, en de volgende zin onthult dat Israël en Juda de wijngaard zijn. Juist de hartstochtelijke liefde die geïnvesteerd is maakt de vernietigende woede navoelbaar die volgt op het verraad.

Verschillende profeten gebruiken een uitgebreide huwelijksbeeldspraak om de moeizame relatie van Israël met de Eeuwige ter sprake te brengen. Israël wordt dan voorgesteld als een ontrouwe en overspelige vrouw die achter haar minnaars aangaat, en daarmee de liefde van God als haar wettige partner miskent. Dat wordt breed uitgewerkt in, onder andere, de hoofdstukken 2-3, 22 en 31 van het boek Jeremia, in Ezechiël 16 en 23, en in het boekje Hosea. In al deze gevallen wordt het verraad van Israël aan God als haar eerste geliefde breed uitgemeten. De afgoden, of de buitenlandse mogendheden, worden als minnaars voorgesteld waarmee Israël maar al te graag aan de haal is gegaan. In de meeste gevallen heeft israël zich daarmee tenslotte haar eigen ongeluk op de hals gehaald. In de profetie is het erom begonnen dat het uiteindelijk weer goed komt tussen Israël en de Eeuwige. De toorn van God komt eigenlijk alleen aan de orde in het perspectief van die hernieuwde liefde: God laat zijn toorn varen, Hij zet zich over zijn woede heen, om zijn gehavende geliefde opnieuw in huis te nemen. Zo wordt aan de hoorder vertellenderwijs inzichtelijk gemaakt dat God alle reden heeft voor bittere gramschap en vernietigend oordeel, maar dat het wonder is dat het daarbij niet blijft. De toorn blijft in het kader van de zwaarbeproefde liefde staan, en als hartstocht blijft ze innig aan de liefde verwant.

De toornende God is in dergelijke teksten dus geen hoogverheven, onkwetsbaar, gramstorig opperwezen, en de toorn van God is er geen zelfstandige grootheid. Het is een extreem crisismoment in een liefdesgeschiedenis, omdat Israël de >kwetsbaarheid= van God heeft onderschat.

In dat kader is het zinnig om te herinneren aan de eerste verzen van Exodus 33. Daar wordt na de gebeurtenissen rond het gouden kalf de woestijnreis hervat. De Eeuwige besluit dan om niet meer zelf met Israël mee te trekken, maar een engel met hen mee te laten gaan. De reden is dat Hij vreest, het volk een volgende keer te zullen vernietigen als het zich weer zo flagrant misdraagt. God neemt dus afstand omdat Hij de mensen wil sparen. Wij kunnen ons misschien bij dat wel of niet persoonlijk meegaan van God niet zoveel voorstellen, maar duidelijk is dat de Eeuwige hier wordt voorgesteld als een hartstochtelijk Wezen. Zijn liefde blijkt uit het feit dat Hij koste wat kost zijn volk sparen en daartoe zelf terugtreedt. Zijn woede waaraan het volk ten onder zou kunnen gaan, is in feite die liefde wanneer die met voeten getreden wordt. Op de vraag waarom wij nooit iets van God zien, geeft deze tekst als antwoord dat God zich verbergt omdat zijn zelfkennis groter is dan de onze. Maar dit terzijde.

Eigenlijk zou het niet nodig moeten zijn om uitgebreid te betogen dat liefde en toorn nauw met elkaar verbonden zijn. Dat is immers niet een typisch bijbels gegeven. De hele wereldliteratuur en het hele mensenleven is er vol van. Liefde is hartstocht, en zodra er dingen mislopen, zal ze gepaard gaan met verdriet en woede. Er is nauwelijks een roman of film waarin dat gegeven geen rol speelt. Het punt is echter dat wij niet gewend zijn om ook over Gods liefde in die termen te denken. Het christelijk-westerse denken over God is altijd sterk beheerst geweest door een filosofisch beeld van een God die verheven is boven de menselijke hartstochten. In dat denken is hartstocht geen kracht maar een zwakte. Daarmee wordt God het toppunt van verheven gelijkmatigheid. Zijn toorn krijgt dan ook vanzelf iets ijzigs en eeuwigs, want bij zo=n filosofisch gestileerde God is een hevige crisis of een heftige gemoedsbeweging ondenkbaar. Het gaat me er nu niet om wat de voors en tegens zijn van het Hebreeuwse of het westers-filosofische Godsbegrip, maar het is van belang om te constateren dat de Bijbel ons een God toont die hartstochtelijk bij de mensengeschiedenis betrokken is, die in die betrokkenheid gekwetst kan raken en dus niet pas in Jezus Christus, maar al vanaf de eerste regels van Genesis letterlijk kwets-baar is.

Als we vanuit de bijbelse gegevens over Gods liefde spreken, dan hebben we het over God als minnaar die met zijn mensen een hevige verhouding heeft, of over God die zich met moederlijke hartstocht voor zijn volk inzet, zoals een leeuwin over haar jongen waakt. Dat is iets anders dan de geïdealiseerde grootvaderlijke liefde die ons maar al te vaak voor ogen staat als we zeggen dat God liefde is. Vroeger geloofden we in een toornende God; nu neigen we ertoe om in een tandenloze God te geloven, net zo vergrijsd en vermoeid en wars van hartstocht als zijn Nederlandse kerk. Maar wees gewaarschuwd: God is liefde, en liefde is een vlammend vuur.

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl