|
Nicodemus en Nakdimon dezelfde? De man voor wie in de nacht het licht doorbreekt |
In het Evangelie volgens Johannes worden niet veel namen genoemd. De mensen die Jezus ontmoet blijven dikwijls naamloos, ook als ze hoofdpersonen zijn in een uitvoerig verhaal: de Samaritaanse vrouw, de verlamde man, de blindgeborene. Daarom wekt het mijn nieuwsgierigheid als de Farizeeër die in de nacht bij Jezus komt, wél met name wordt genoemd. Het feit dat iemand ‘nu eenmaal’ zo heette, is geen reden om de naam te noemen in een verhaal dat zo volstrekt ontdaan is van toevallig detail: zo worden ook over de plek en de omstandigheden van de ontmoetingen geen mededelingen verstrekt. Maar wat voegt die naam dan toe aan het verhaal? Wat voor belletje liet die naam dan rinkelen bij de eerste lezers?
Het is niet een naam die oudtestamentische associaties oproept, zoals Maria (Mirjam) en misschien ook Lazarus (Eleazar). In de Griekse literatuur komen we de naam Nikodemus meermalen tegen, bijvoorbeeld voor één van de jaarlijks wisselende stadsbestuurders van Athene in de 5e eeuw voor onze jaartelling, maar voor Johannes 3 vinden we daar geen aanknopingspunten. Flavius Josephus noemt een joodse Nikodemus die rond 70 v.Chr. bij de Romeinse heerser Pompeius onderhandelt om de twist tussen de joodse troonpretendenten Aristobulus en Hyrcanus te beslechten. Men gaat ervan uit dat in dit geval Nikodemus een vergrieksing is van de Aramese naam Nakdimon.
In de rabbijnse literatuur treffen we in verschillende verhalen een Nakdimon ben Goerion aan. Het gaat daar om een vooraanstaand, vermogend man. In één van de verhalen in de babylonische Talmoed wordt verteld dat hij onderweg naar het leerhuis wollen kleden voor zich liet uitspreiden, die de armen achter hem oprolden en mee naar huis namen - een vorm van liefdadigheid waar je volgens de Talmoed best kritische vragen bij kunt stellen.1 We mogen aannemen dat Nakdimon in de eerste helft van de eerste eeuw van onze jaartelling leefde, want de Talmoed vertelt ook over een gesprek dat Johanan ben Zakkai (die leefde ten tijde van de joodse opstand in 70 na Chr.) voerde met Nakdimons dochter.2 Voor een vergelijking met Johannes 3 ons is vooral een ander verhaal interessant, dat we in het tractaat Ta‘anit van de babylonische Talmoed tegenkomen. Daaruit blijkt dat Nakdimon betrokken was bij de watervoorziening tijdens pelgrimages in Jeruzalem. Het verhaal gaat als volgt:3
Ta‘anit 19b-20a
“Onze rabbi’s hebben onderwezen: Eens ging heel Israël op ter bedevaart naar Jeruzalem, en zij hadden geen drinkwater. Nakdimon ben Goerion ging naar een zekere heer en zei tegen hem: leen mij twaalf vaten met water voor de pelgrims. Ik zal je twaalf vaten met water teruggeven, en zo niet, dan geef ik je twaalf talenten zilver. En hij stelde een tijd vast (voor de teruggave).
Toen die tijd kwam en er geen regen gevallen was, zond de heer hem ‘s morgens bericht: stuur mij het water of het geld dat je me schuldig bent. Nakdimon antwoordde: ik heb nog tijd, want de hele dag is voor mij. Op het middaguur zond de heer bericht: stuur mij het water of het geld dat je me schuldig bent. Nakdimon antwoordde: ik heb vandaag nog de tijd. In de namiddag zond de heer bericht: stuur mij het water of het geld dat je me schuldig bent. Nakdimon antwoordde: ik heb vandaag nog de tijd. De heer zei spottend: het hele jaar is er geen regen gevallen, zal het dan nu gaan regenen? En vrolijk gestemd toog hij naar het badhuis.
Terwijl de heer vrolijk naar het badhuis ging, ging Nakdimon bedroefd de tempel binnen. Hij sloeg zijn mantel om en ging staan bidden. Hij sprak: Heer van het heelal! Het is voor U openbaar dat ik dit niet voor mijn eigen eer heb gedaan of voor de eer van mijn vaders huis. Ik deed het voor Uw eer, zodat er water zou zijn voor de pelgrims.
Onmiddellijk raakte de hemel met wolken bedekt, en er viel regen totdat de twaalf vaten vol waren en overliepen. Terwijl de heer uit het badhuis kwam, verliet Nakdimon ben Goerion de tempel. Toen ze elkaar troffen, zei Nakdimon tegen de heer: Geef me geld voor het extra water dat je gekregen hebt. Maar hij antwoordde: Ik weet dat de Heilige, gezegend zij Hij, alleen omwille van jou in zijn wereld heeft ingegrepen. Maar toch blijft mijn eis staan dat ik mijn geld van je krijg, want de zon was al onder, zodat de regen in mijn bezit gevallen is.
Nakdimon ging terug de tempel in, sloeg zijn mantel om en ging staan bidden. Hij sprak: Heer van het heelal! Laat merken dat U in uw wereld mensen hebt waar u van houdt. Onmiddellijk gingen de wolken uiteen en de zon scheen. Toen zei de heer tegen hem: Als de zon niet doorgebroken was zou mijn eis, dat ik geld van je krijg, hebben standgehouden.”
Tot zover het verhaal in de Talmoed. Het is schitterend verteld. De schuldeiser wordt neergezet als iemand die geen deel heeft aan de nood van het land: terwijl het al zolang niet geregend heeft en Nakdimon wanhopig op regen wacht, kan hij het zich veroorloven om in het badhuis te genieten van het vooruitzicht dat hij straks veel geld krijgt. Terwijl de één naar het badhuis gaat, gaat de ander naar de tempel, en later treffen ze elkaar vanuit die beide gebouwen. Prachtig is ook het ontnuchterende gegeven, dat de wolken die voor het wonder van de regen zorgden, tegelijk ook de duisternis brachten waardoor volgens de geldende regels de dag ten einde was. Er was een tweede wonder voor nodig om de regen alsnog te kunnen toerekenen aan de dag waarop Nakdimon het water moest terugleveren. Zodoende leeft Nakdimon in de rabbijnse traditie voort als één van de zeer weinigen voor wie God de zon laat stilstaan of het licht laat doorbreken.
Stel nu eens, dat het verhaal over Nakdimon reeds tegen het einde van de 1e eeuw de ronde deed, en dat het ook bekend was in de kring waar het Evangelie volgens Johannes tot stand kwam. We zullen daarover natuurlijk nooit zekerheid hebben. Maar het experiment is de moeite waard: hoe zou je Johannes 3 lezen als je bij de naam Nikodemus als vanzelf moest denken aan het hierboven vertelde verhaal, omdat dit nu eenmaal dé joodse Nikodemus van die tijd was?
In de eerste plaats zou je het gegeven van het nachtelijke uur heel anders waarderen. In de gangbare uitleg komt Nikodemus ‘s nachts bij Jezus omdat hij niet publiekelijk, op klaarlichte dag, met Jezus samen gezien wil worden. Uit angst of uit berekening zou hij de beschutting van het duister hebben afgewacht. Tegenover die uitleg is er ook wel op gewezen dat de nacht de tijd voor schriftstudie is, zodat Nikodemus en Jezus degenen zijn aan wie God welgevallen heeft, die zijn wet ook in de nacht overpeinzen (Psalm 1). Maar het Talmoed-verhaal, waarin de spanning van de ochtend via de middag naar de avond oploopt, geeft nog een heel ander reliëf aan Nikodemus’ nachtelijke komst. Dit is de man voor wie God de zon liet schijnen toen de nacht al gevallen was. Nikodemus/Nakdimon weet dat het niet te laat of te donker is voor de doorbraak van Gods licht. Wie met dat verhaal in het achterhoofd Johannes 3 gaat lezen, zal verwachten dat hem ook nu een licht zal opgaan.
Veelbetekenend is dan, dat de ontmoeting plaatsvindt na het verhaal van de ‘tempelreiniging’. In het Talmoed-verhaal ging Nakdimon in het duister de tempel binnen om tot God te naderen. In Johannes 2 heeft Jezus zichzelf met de tempel vereenzelvigd (2,14-21), en vervolgens komt Nikodemus, opnieuw in het duister, naar hem toe. De woorden die Jezus tot hem spreekt, zullen eindigen met een meditatie over mensen die het duister prefereren en mensen die het licht opzoeken. Je kunt je dan afvragen hoe Jezus Nikodemus ziet: als man van het duister of als zoeker van het licht - maar Nikodemus blijkt dan door de auteur van Johannes 3 stilletjes van het toneel te zijn gehaald, zodat je als lezer die vraag voor jezelf moet beantwoorden: zoek ik de schemer of zoek ik het licht? Ben ik gehecht aan de dubbelzinnigheid van de wereldschaduw, of verlang ik ernaar, transparant te worden in Gods licht?
Voor Nakdimon, die met de moed der wanhoop om gerechtigheid smeekt, laat God het licht schijnen in de nacht. Nakdimon benadrukt dat hij met zijn daden toch niet zijn eigen belang, maar alleen Gods eer had gediend. In Johannes 3 legt ook Jezus dat verband tussen ‘werken die in God verricht zijn’ en het verlangen naar licht. Alleen is de lezer in Johannes 3 geen getuige van een happy end voor Nikodemus, maar blijkt de lezer aan het einde van het gesprek zelf de enige te zijn die op de woorden van Jezus kan reageren.
Als we Nikodemus zien in het licht van het verhaal van Nakdimon, zou hij niet alleen mogen rekenen op licht in de nacht, maar zou hij ook weet hebben van de dingen die van boven komen. In Johannes 3 speelt het griekse woord anoothen een rol, met zijn dubbele betekenis van ‘opnieuw’ en ‘van bovenaf’. De nieuwe geboorte waarover Jezus Nikodemus onderwijst, is niet alleen wedergeboorte, maar vooral ook geboorte uit een andere oorsprong, uit de geest (vers 6). Na de geboorte uit de aarde, waardoor de mens ‘vlees’ is, is nu de geboorte uit de hemel van belang. Maar als iemand weet dat je het uiteindelijk van de hemel moet hebben, is het Nakdimon. De watervoorzieners bij de joodse feesten werden ook wel ‘puttengravers’ genoemd - ze groeven in de aarde, maar ze moesten het hebben van de regen die van boven komt. Het aardse dat niet door het hemelse wordt volgeregend, blijft droog en doods - daarvan heeft Nakdimon in het verhaal tot het voorlaatste moment kunnen meepraten. De regen die de vaten vult, en de kracht die de wolken brengt en weer uiteendrijft, zijn niet zomaar natuurverschijnselen waarop je kunt wachten - het zijn gaven van God waarom vurig gebeden wordt, en die als wonderbare verlossing recht uit de hemel komen. Wat Jezus aan Nikodemus voorhoudt, is in feite dat met jezelf moet gebeuren wat met de vaten van Nakdimon gebeurde. Als Nakdimon de leraar van Israël (vers 10) zou zijn, zou in zijn verhaal al het beeldmateriaal al klaargelegd zijn dat door Jezus in zijn onderwijzing geradikaliseerd wordt.
Nikodemus als watervoorziener in de omgeving van de tempel past wonderwel in de eerste hoofdstukken van het Evangelie volgens Johannes. Staan in Johannes 2 de Galilese watervaten nog tegenover de Jeruzalemse tempel, in Johannes 7 roept Jezus op het tempelplein de dorstigen op om bij hem te komen drinken. Het badhuis komen we tussendoor ook nog tegen, in hoofdstuk 5. De Nakdimon van de Talmoed zou zich prima kunnen oriënteren op het Johanneïsche toneel.
De auteur van het Evangelie volgens Johannes geeft de Nikodemus-figuur een heel bijzondere positie. Er blijft een zekere distantie tot de Jezus-beweging: Nikodemus wordt niet ingelijfd in de kring van Jezus’ leerlingen. In Johannes 7,45-52, waar hij opnieuw uitdrukkelijk tot de kring van de Farizeeërs wordt gerekend, neemt hij het impliciet voor Jezus op zonder zich vóór of tegen hem uit te spreken. In Johannes 19,38-42 verzorgt hij samen met Jozef van Arimathea de graflegging van Jezus. Daar wordt wél van Jozef gezegd dat hij een heimelijke volgeling van Jezus, bevreesd voor de gevolgen van zijn keuze, maar van Nikodemus wordt zoiets niet beweerd. Er wordt herinnerd aan zijn nachtelijke komst van destijds (19,39). In verbinding met het Nakdimon-verhaal en in de context van Jezus’ begrafenis roept dat de verwachting op dat het ook nu nog niet te laat is voor het doorbreken van Gods licht. Nikodemus brengt ruim dertig kilo mirre en aloë mee. Dat is een groot eerbetoon, maar maakt hem niet tot volgeling. Hij is een Farizeeër die een joodse plicht vervult door de doden te begraven, en die dat doet met een bijzonder genereus gebaar - iets wat bijvoorbeeld in het Matteus-evangelie nauwelijks denkbaar zou zijn, tenzij die Farizeeër tegelijkertijd afstand zou doen van zijn eigen kring. Zo blijft Nikodemus een soort tussenpersoon, die christenen eraan herinnert dat niet alle Farizeeërs tegenstanders zijn. Het past in een bredere johanneïsche tendens, om de kring van rechtvaardigen niet te versmallen tot de kring van hen die uitdrukkelijk lid zijn van de christelijke gemeenschap. Het past óók in de traditie over Nakdimon als rijke rechtvaardige en als man van grote gebaren: een talent zilver voor een vat water, een pad van wollen dekens voor de armen.
Als we de Nakdimon van de Talmoed en de johanneïsche Nikodemus op elkaar laten reageren, moeten we bedenken dat de ene tekst geen historisch bewijs voor de andere levert. We moeten ermee rekenen dat de auteurs van beide teksten misschien de wenkbrauwen hoog zouden optrekken als ze ons bezig zo zouden zien. Maar dat neemt niet weg dat de verhalen vruchtbaar op elkaar kunnen inspelen. Stiekem blijf ik denken dat Johannes’ eerste lezers, bij hoofdstuk 3 aangekomen, tegen elkaar zeiden: o ja, Nikodemus, Nakdimon, je weet wel...
Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl
1Tractaat Ketubot, folio 66b-67a, te raadplegen op www.come-and-hear.com [22 juni 2004].
2Tractaat Ketubot, folio 66b.
3Tractaat Ta‘anit 19b-20a, te raadplegen via www.maqom.com/122496.html [22 juni 2004].