dr Piet van Veldhuizen
Gehoorzaamheid is niet genoeg
Over Noach in de schaduw van Abraham
Noach was een godvrezende man in een goddeloze tijd. Toen God genoeg had van alle kwaad en op het punt stond om de mensenwereld weg te spoelen, koos Hij deze vrome man met zijn gezin uit om samen met de dieren de vloed te overleven. Gehoorzaam als hij was, bouwde Noach de reusachtige reiskoffer die daarvoor nodig was. Een reiskoffer, geen schip: ook in het Nederlands was het woord ‘ark’ oorspronkelijk geen aanduiding van een schip, maar van een kist. Dat geldt temeer van het hebreeuwse woord te’eva. Noach legt geen kiel en buigt geen spanten, hij bouwt een kist. Aan het einde van de vloed tilt hij het deksel eraf om iets te kunnen zien. Maar dat terzijde.
Het beeld dat ik van Noach van kinds af heb meegekregen, thuis en in de kerk, is dat van een voorbeeldige man. Terwijl iedereen hem uitlachte, bouwde hij voort aan de ark. Hij bleef geloven en van zijn geloof getuigen midden in een wereld die met geloof de draak stak. Hij deed wat ik ook zou moeten leren: met grote vrijmoedigheid trouw blijven aan God in weerwil van alle krachten om hem heen.
Het is dan wel merkwaardig dat over Noach na de zondvloed alleen dat ene ontluisterende verhaal wordt verteld, over zijn dronkenschap. Dat tafereel hielp wel om mij als kind in te scherpen dat ik de naaktheid van mijn ouders en andere volwassenen niet mocht zien, op straffe van vervloeking. Maar waarom hangt er na de vloed zo’n donkere wolk rond Noach? Als hij, zoals de tekst wil, nog ruim driehonderd jaar heeft geleefd, was er dan niet ook nog iets moois over hem te vertellen geweest?
Als we de tekst van Genesis 6 t/m 9 aan een eenvoudig onderzoek onderwerpen, ontdekken we dat Noach behalve godvrezend ook uitermate zwijgzaam is. In de bijbelse vertelkunst, vooral ook in Genesis, worden de personages veelvuldig sprekend opgevoerd. De ontwikkeling van een verhaal gaat meestal gepaard met uitspraken van de hoofdpersonen, in de directe rede weergegeven. Maar als je in het zevenennegentig verzen tellende verhaal van Genesis 6-9 de verzen aanstreept waarin Noach sprekend wordt opgevoerd, kom je tot een verbijsterende ontdekking: pas in het drieënnegentigste vers doet Noach zijn mond open, en dan is dat om een drie verzen lange vloekrede over zijn kleinzoon Kanaän uit te spreken. Meer tekst van Noach is er niet: alleen die vloek. Voor die tijd lezen we over Noach alleen dat hij alles deed wat de Eeuwige hem opdroeg.
Alles? Ja, dat staat er, maar zelfs dat is niet helemaal waar. Als de Eeuwige Noach opdraagt om al die dieren tot zich te nemen in de ark, wordt niet verteld dat Noach ijverig aan het werk gaat. De dieren komen, vertelt het verhaal. De verteller heeft besloten om het verhaal zo te vertellen dat Noach wel ‘alles deed zoals hem opgedragen was’, maar je ziet hem niet in actie. Joodse legenden, kinderbijbels en oude prenten schilderen Noach bouwend en predikend, en ze tonen hem als manager van een grote logistieke operatie als de dieren komen en de ark volstroomt met leven. Maar de verteller van Genesis toont een ander beeld. Een gehoorzame man, dat wel, maar alles gebeurt en Noach komt nauwelijks in beeld. En hij zegt niets, op die vloek aan het einde na.
Dat is waar de grootste middeleeuws-joodse Tora-commentator Rashi over struikelt. Als Abraham hoort dat Sodom en Gomorra verwoest zullen worden, neemt hij het woord en zegt: Zou de Rechter van heel de aarde geen recht doen? Abrahams geloof uit zich in protest tegen het voornemen van de Eeuwige. Maar Noach doet zonder morren wat hem wordt opgedragen. Hij doet geen enkele poging om het tegenover de Schepper voor zijn schepselen op te nemen. Hij aanvaardt zonder meer het aanbod om zelf gered te worden, en geeft al zijn medemensen aan de zondvloed prijs.
Rashi gaat hierop in naar aanleiding van de zin in Genesis 6:9 dat Noach ‘rechtvaardig was te midden van zijn generaties’. Onder zijn generaties mag hij dan rechtvaardig zijn geweest, zegt Rashi, maar als hij ten tijde van Abraham geleefd zou hebben, zou zijn rechtvaardigheid geen indruk hebben gemaakt. Met andere woorden: Noach was rechtvaardiger dan zijn tijdgenoten, maar daar heb je dan ook alles mee gezegd.
Als ik dan de protestants-christelijke tegenwerping maak dat er toch duidelijk staat dat ‘Noach wandelde met God’, zegt de 2e-eeuwse Rabbi Jehuda al in de Midrasj Beresjit Rabba: Waarom wandelde Noach met God? Omdat hij als een kind was dat je niet alleen kunt laten lopen. God liet Abraham wandelen ‘voor zijn aangezicht’; Abraham mocht los lopen, maar Noach niet, die wandelde met God. Dat klinkt vergezocht en dat is het ook, maar het verraadt iets van de diepe verontrusting onder joodse Bijbelgeleerden over Noach als bijbelse figuur. Zoals we straks zullen zien, kunnen zij het ontluisterende einde van Noachs verhaal een stuk beter plaatsen dan de lovende opmerkingen over Noach aan het begin van het verhaal.
In zijn bijzondere Genesis-commentaar Covenant & Conversation sluit de Britse opperrabbijn Jonathan Sacks zich aan bij de exegese van Rashi. Als je het verhaal van Genesis 6-9 overziet, zegt Sacks, heeft Noach per saldo alleen zichzelf en zijn gezin gered. Hij heeft met geen woord geprotesteerd en geen moment geaarzeld toen hij hoorde van Gods voornemen. Hij heeft zonder aarzelen zijn medemensen aan de vernietiging prijsgegeven en zelf een goed heenkomen gezocht. Jonathan Sacks is een overlevende van de Holocaust en dat is tastbaar in de manier waarop hij Noach beschrijft: een vrome ziel, geen slechte man, maar tot verlossende daden komt hij niet. Een fatsoenlijke burger, maar wel een die wegkijkt als zijn buren worden afgevoerd. Het zwijgen van Noach wordt ondraaglijk als je Genesis met Rashi en Sacks meeleest.
Sacks wijst er vervolgens op dat het verhaal enorm wordt opgerekt als de ark eenmaal aan de grond is gelopen. Dan kan het leven opnieuw beginnen, maar er volgt een hele serie handelingen waarmee Noach het moment uitstelt waarop hij met de verdelgde aarde wordt geconfronteerd. Hij laat een raaf uit (8:7), dan een duif (8), hij neemt de duif terug (9), wacht, zendt de duif weer uit(10), begrijpt dat de aarde drooggevallen is (11), wacht toch weer, zendt de duif een derde keer uit (12), licht tenslotte het deksel van de ark, slaat eindelijk zelf een blik op de aarde (13).
Maar zelfs dan komt hij nog niet in beweging, merkt Sacks op. De Eeuwige moet eraan te pas komen om hem expliciet te gebieden, de ark te verlaten. Terwijl, zegt Sacks, er zoveel gerepareerd en opgebouwd moet worden. Het is alsof Noach niet geconfronteerd wil worden met de gevolgen van wat hij zonder protest heeft laten gebeuren. Hij is niet vooruit te branden, want hij heeft lood in de schoenen. Als hij niet zo gehoorzaam was geweest, had hij nu nog in de ark gezeten.
Daarom zijn orthodox joodse exegeten ook niet verbaasd als Noach zich een paar verzen later laveloos in zijn tent ligt. Noach beseft dat hij alleen zichzelf heeft gered, dat hij alleen maar gehoorzaam is geweest. Noach wordt verteerd door wroeging, en het enige dat hem over de lippen komt, is een vloek. Zelfs de ‘zegen’ voor zijn twee voorbeeldige zonen is beladen met de vloek over de derde. Noach, zo zeggen middeleeuwse joodse exegeten al, is de uitvinder van de slavernij. Sommige uitleggers geven daarbij de schuld aan de wijn. Maar Jonathan Sacks meent dat Noachs wereld instort als hij beseft dat hij zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. Hij heeft geen antwoord gegeven toen de Eeuwige hem zijn plannen bekend maakte. Destijds heeft hij gezwegen, en daardoor kan hij nu niet meer zegenen. God verlangt van ons iets anders en groters dan gehoorzaamheid, namelijk verantwoordelijkheid – zegt Sacks in een hoofdstuk over Noach onder de titel Beyond Obedience.
De liberaal-joodse exegete Judy Klitsner haakt eveneens aan bij het commentaar van Rashi in haar boek Subversive Sequels in the Bible. Zij laat zien hoe Bijbelverhalen vaak met subtiele verwijzingen op elkaar ingaan, elkaar versterken of relativeren (mine and undermine each other). Het is geen gril van Rashi, betoogt zij, om Noach te vergelijken met Abraham die het opneemt voor Sodom. Dit verhaal over Abraham bevat signalen die suggereren dat je het als een subversive sequel op Noach kunt lezen –als een herneming van het thema onder een nieuw gezichtspunt. Klitsner noemt trefwoorden die daarop wijzen: zowel bij de zondvloed als bij de vernietiging van Sodom regent het (matar), in beide gevallen wordt het werkwoord sjachat (verdelgen) gebruikt, en de gofrit (sulfer) die over Sodom regent doet eraan denken dat de ark van gofer (een houtsoort) werd gebouwd – twee zeldzame woorden die merkwaardig veel op elkaar lijken. Het idee is dat in het Sodomverhaal opnieuw verteld wordt over een catastrofe als Godsoordeel. De man aan wie de Eeuwige zijn besluit bekend maakt, wandelt ditmaal letterlijk met God mee (Genesis 18:16), maar anders dan Noach doet hij er niet gehoorzaam het zwijgen toe. Hij wendt niet het oordeel af, maar gaat wel tot het uiterste om te redden wie hij redden kan.
Klitsner gaat in haar boek vervolgens na hoe het Jona-verhaal een volgende subversive sequel op het Noach-verhaal én het Abraham-verhaal is. Ook nu maakt de Eeuwige zijn voornemen tot vernietiging bekend aan een uitverkorene, maar deze reageert omgekeerd aan Abraham. Inmiddels is helder dat God wil dat zijn gezondene het opneemt voor de gedoemde schepping, maar Jona doet alles om juist te voorkomen dat er iemand gered wordt. Hij draagt de naam van de vogel die bij Noach bezegelt dat de vloed geweken is, maar hij wordt door eigen toedoen in de waterdiepten ondergedompeld.
Ook Jona maakt overigens zichtbaar dat, met de woorden van Sacks, ‘gehoorzaamheid niet genoeg is’: als hij na gedane arbeid als een verongelijkte ramptoerist zit te wachten wat er komen zal, wordt hem in de slotwoorden van het verhaal van Godswege duidelijk gemaakt dat hij van harte begaan zou mogen zijn met het lot van mensen en dieren. De Eeuwige verlangt van zijn ‘rechtvaardigen’ dat ze het bij Hem opnemen voor zijn schepselen. Abraham is het voorbeeld, Jona het tegenbeeld, en Noach de gemankeerde vrome die te snel heeft gehoorzaamd.
Volgens Judy Klitsner geeft het verhaal van Genesis al vroegtijdig een aanwijzing dat Noach niet aan de verwachtingen zal beantwoorden. Als hij geboren wordt, spreekt zijn vader Lamech (het tegenbeeld van de kaïnitische Lamech die om wraak roept in Genesis 4) de verwachting uit dat ‘deze ons zal troosten’ over de kwellingen van het leven op de vervloekte aarde (5:29). Laat nu in Genesis 6 hetzelfde werkwoord nacham dat ‘troosten’ maar ook ‘spijt hebben’ betekent, gebruikt worden om tot tweemaal toe te zeggen dat de Eeuwige er spijt van heeft dat Hij de mens geschapen heeft. Het werkwoord nacham duidt een omkering van de gemoedsgesteldheid aan: van gekweldheid naar troost, of juist van vreugde naar gekweldheid. Als Noach onder het voorteken van dit dubbelzinnige werkwoord geboren wordt, is het niet vreemd dat zijn verhaal zowel van troost als van spijt doortrokken is. Noach ontvangt de troost dat God de wereld nooit meer met een zondvloed zal vernietigen, maar hij bedrinkt zich als een gekweld mens, volgens de joodse uitleggers omdat hij voor zijn medeschepselen geen vinger heeft uitgestoken. Noach had God gehoorzaamd, maar gehoorzaamheid is niet genoeg.
Rashi’s commentaar bij de Babylonische Talmoed, tractaat Sanhedrin 108a, waar ook rabbi Jochanan al opmerkt bij be-dorotav in Genesis 6:9: ‘in zijn generaties, maar niet in andere generaties’.
Rabbi Jonathan Sacks, Covenant & Conversation. A Weekly Reading of the Jewish Bible. Maggid Books, New Milford/London/Jerusalem 2009. Over Noach zie blz.43-49.