|
Quotum en quorum in Johannes
21,1-14 |
Eén van de wonderlijkste dingen in het verhaal van de visvangst (Johannes 21) is wel het getal van de vissen dat genoemd wordt: honderddrieënvijftig. Het is niet de zorg van de verteller, wat de leerlingen met zo'n vangst moesten beginnen. Des te meer is het de zorg van de uitlegger, wat de lézer ermee moet. Zodoende is er al vroeg een visverwerkende exegese ontstaan. In De Eerste Dag werd bij de derde Paaszondag van dit jaar de uitleg van Augustinus aangehaald: als je cumulatief telt van 1 tot 17, dus 1+2+3+4+.., kom je precies op 153. Vervolgens kun je het getal 17 uiteenleggen in het getal van de Geboden en het getal van de Geest.
Maar volgens het verhaal was er méér vis dan de administratie aangeeft: tussen de eerste melding van de grote vangst in vers 6 en de vermelding van het aantal in vers 11 wordt namelijk verteld dat er, vangst of geen vangst, al "vis" op het vuur lag. Alle oplossingen die zich op het getal 153 baseren, laten die beslissende vis erbuiten. Toch moet daar wel de clou van het verhaal zitten: dat Jezus niet met een lege bakpan zat te wachten, maar dat al die vissen aangesleept werden naar de plek waar de Heer de maaltijd in beginsel al gereed had. Het wonderlijke getal wordt bijgeteld bij wat de Heer al van zichzelf heeft, en dan pas wordt er gedeeld.
We zitten dan wél met een dilemma. Rekenkundig zou het voor de hand liggen, om de vis op het vuur het rugnummer 1 toe te kennen. Het aldus verkregen quotum van 154 biedt ook uitlegkundig perspectief, omdat het als 7-voud goed te verbinden is met het quorum van zeven vissende leerlingen volgens vers 2. Het getal kan uiteengelegd worden in 14 en 140, een dubbel zevental en tienmaal een dubbel zevental. De "menigte" der vissen van vers 6 komt zo tot een geordende volheid, dankzij de vis op het vuur die de Heer al had klaarliggen.
De vraag is echter of de taalkunde zo'n oplossing toelaat. De vissen in het net worden zowel bij de vangst als bij de telling gewoon als "vissen" (ichthueis) aangeduid. De vis op het vuur wordt opsarion genoemd. Dat is niet "een vis", maar "vis": als hapklare substantie, niet als telbaar beest. Daar staat tegenover dat in vers 10 juist ditzelfde woord, gek genoeg, in het meervoud wordt gebruikt om de vissen in het net aan te duiden, als Jezus zegt: "Brengt van de vissen (opsaria) die je nu gevangen hebt". Ik vind het zeer verleidelijk om te stellen dat de Heer met dat meervoud ook zijn eigen vis-op-het-vuur telbaar verklaart.
Zo'n voorstel om de vis op het vuur te laten meetellen, is vast al eerder gedaan en misschien al op goede gronden verworpen. Als predikant in de provincie, vér bij de bibliotheek vandaan, kun je dat jammer genoeg niet zo gemakkelijk nagaan. Ik vind het wél een gewichtig vraagstuk, omdat uit deze manier van tellen een belangrijke gedachte zou kunnen volgen. Het getal zou dan immers onderstrepen, dat ook een gezegende opbrengst, een van God gegeven resultaat, pas tot volheid wordt als het bij de goede Gever wordt teruggebracht, zoals het volle net naar de delende handen van Christus wordt toegesleept. De veelheid die jij aandraagt krijgt pas haar volle getal als ze wordt bijgeteld bij het beginsel dat de Heer al van zichzelf heeft.
Los van het getal staat de vraag, wat er met de vissen wordt gesymboliseerd. Dat blijft ook binnen het verhaal enigszins vloeiend: de volheid van vissen, een veelvoud van het getal van de leerlingen, moet haast wel duiden op het volk dat vergaderd wordt. In de netten leent de vis zich nog voor die metafoor, maar in geroosterde staat, als toespijs, ontglipt ze eraan. Dan is het eerder de overvloed van een wonderbare spijziging, waarmee uit Christus' handen via zijn zeven leerlingen heel de kerk wordt gevoed. Dat zevental associëren we tenslotte ook eerder met de tafeldienst waar uitgedeeld wordt, dan met de zending waar vergaderd wordt.
Quotum en quorum: zeven leerlingen zeulen honderd drieënvijftig vissen naar de plek, waar het éne voedsel van hun Heer al klaarligt. Pas op die plek zal het wat worden: 153+1 = 154 = 14+140. Zou het waar zijn?
Piet
van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl