Twaalf geboortes

Een ontluisterend wordingsverhaal in Genesis 29,31-30,24
Verschenen in Interpretatie van december 2003

terug


In Genesis 29 wordt het verhaal verteld van Jakobs huwelijk met de zusters Rachel en Lea. Bij de waterput in het veld had Jakob Rachel ontmoet en liefde voor haar opgevat. Toen Jakob, zoals afgesproken, zeven jaar had gewerkt om haar te mogen huwen, kreeg hij in de huwelijksnacht niet Rachel, maar haar oudere zuster Lea. Na de bruidsweek ontving hij ook Rachel, onder voorwaarde dat hij nog zeven jaar zou blijven werken.

Je moet het verhaal van de bruiloft lezen in het licht van de verhalen die eraan vooraf gaan. Jakob is de jongste van twee broers, die er vandoor is gegaan met de grote zegen die bestemd was voor de oudste. Dat is hem gelukt doordat hij misbruik kon maken van de blindheid van zijn vader. Zijn moeder Rebekka hielp hem om zich tegenover zijn vader voor te doen als zijn broer, en vervolgens stuurde ze hem naar het verre Haran, om de wijk te nemen voor zijn woedende broer én om een vrouw te zoeken.

Dat hele complot wordt prachtig gespiegeld in wat Jakob nu overkomt. Rachel, het meisje dat hij bemint, is net als hijzelf de jongste van een tweetal. Als Jakob met haar zou trouwen, zou ook zij, net als hijzelf, vóór de oudste gaan. Maar Jakob die zijn blinde vader bedroog, wordt nu zelf ook als een blinde bedrogen. Pas de volgende morgen ziet hij dat hij de huwelijksnacht met Lea heeft doorgebracht. Net als zijn eigen broer kan hij zich kwaad maken, maar het voldongen feit ligt er.

Zo belanden de twee zusters als echtgenotes in één huishouden. De verhoudingen lenen zich bij uitstek voor een dramatisch verhaal. Rachel is de beminde, maar ze kan geen kind krijgen. Lea is vruchtbaar, maar ze wil de liefde van haar man. Beide willen datgene wat de ander heeft. Ze ontlenen, modern gezegd, onvoldoende zelfrespect aan datgene wat ze wél hebben en waarom de ander hen juist benijdt. Dat gegeven levert de stuwkracht voor het verhaal van Genesis 29,31-30,24, waarin twaalf kinderen het licht zien.


Het is een verhaal dat in de kerk niet dikwijls wordt voorgelezen, en dat gemakkelijk wordt overgeslagen als we de aartsvaderverhalen aan kinderen vertellen. Het is een ontluisterend relaas van het bittere gevecht tussen twee zusters - maar intussen is het ook het ontstaansverhaal van de stammen van Israel. Daarom denk ik dat we hier niet te maken hebben met een bizarre uithoek van Genesis, maar met een wezenlijke schakel in het boek van de wording. Het is een verhaal dat het verdient, verkondigd te worden. Het roept ook, als je er eenmaal naar gaat luisteren, herkenning op. Want ze zijn ons niet vreemd, de levensverhalen en volksgeschiedenissen die voortgestuwd worden door de overtuiging van alle betrokkenen dat zijzelf de verliezers dreigen te worden terwijl anderen de winst genieten. Zo kan dit verhaal ons misschien ook helpen om ontluisterende partijen in ons eigen levensverhaal, persoonlijk of collectief, hun eigen gewicht te geven.

Het meest bizarre van het verhaal is misschien nog wel het volstrekte contrast tussen het hartverscheurende drama dat zich voltrekt, en de ritmische orde waarin het wordt verteld. Alle verdriet en woede, venijn en jaloezie, wanhoop en grimmige vreugde die waarmee de zusters voor hun echtgenoot Jakob het éne na het andere kind op de wereld zetten, is gegoten in een uiterst helder stramien. Er zijn driemaal vier geboorten: in Genesis 29,31-35 worden de eerste vier zonen van Lea geboren. Dan verschijnen in Genesis 30,1-13 de bijvrouwen van beide zusters als draagmoeders ten tonele en baren beide twee zonen. In een derde ronde, Genesis 30,14-24, krijgt Lea nog twee zonen en een dochter, en krijgt uiteindelijk Rachel een kind. De geboortes worden op een refrein-achtige manier verteld. Telkens slaakt óf Lea óf Rachel na de geboorte een uitroep, waarin de naam van het kind schuilgaat. Die uitroepen, en dus ook de namen, maken deel uit van het gevecht tussen de zusters. Uit de onverzadigbare nijd van de aartsmoeders worden in een vaste cadans de stammen van Israel en hun namen geboren.

Ook de intrige van het verhaal is helder en consequent geconstrueerd. In de eerste zin wordt het principe geïntroduceerd dat het verhaal zal stuwen: “De Eeuwige zag dat Lea onbemind was, en hij opende haar schoot, maar Rachel bleef onvruchtbaar” (29,31). Wie achterblijft gaat voor, maar daardoor is ogenblikkelijk de ander de achterblijver. Rachel laat het daar niet bij zitten. De tweede en derde ronde worden beide ingezet doordat Rachel een noodgreep doet om zelf ook kinderen te hebben. Het verhaal is ten einde als Rachel een kind heeft. Dat markeert niet zozeer een happy end, als wel het punt waarop een nieuw verhaal kan beginnen: als Rachel een kind heeft, vindt Jakob het tijd om weg te trekken en in het land van zijn vaderen voor zichzelf te beginnen. Dat Jakob aan het kind van Rachel een ander gewicht toekent dan aan de kinderen van Lea, speelt ook in andere verhalen een rol: als hij zijn broer Esau ontmoet (Genesis 33,2), en aan het begin van de Jozef-cyclus (Genesis 37,1-4).


Zoals gezegd: in dit ordelijk en helder geconstrueerde verhaal voltrekt zich een hartverscheurend drama. Beide zusters vechten om erkenning, Lea om de liefde van haar man, Rachel om een kind van hem. De bijvrouwen worden op een verbijsterende manier tot middel in die strijd gemaakt. Het feit dat het Bilha en Zilpa zijn die kinderen krijgen, wordt overschreeuwd door de triomfantelijke uitroepen waarmee Rachel en Lea zich die kinderen toeëigenen. Maar ook de kinderen zelf zijn in het verhaal weinig meer dan voorwerpen, trofeeën, traptreden waarop de vrouwen met kwade voeten boven elkaar uit proberen te klimmen. Het enige kind dat zonder strijdlustige kreten gewoon een naam krijgt, is Dina, het zevende en laatste kind van Lea, het laatste voordat Rachel haar kind baart. Misschien dat op dat moment Lea eindelijk tot haar recht (dina) is gekomen, zodat ze zelfs niets triomfantelijks meer hoeft te roepen. Eindelijk een kind dat er is omdat het er is. Daarmee valt voor de Eeuwige de reden weg om Rachel het geluk van een eigen nakomeling te ontzeggen en kan de cirkel van het verhaal gesloten worden (Genesis 29,31 en 30,22).

De uitspraken van de beide zusters als er kinderen ter wereld komen, getuigen ervan hoezeer zij klem zitten in hun gezamenlijke huwelijk met Jakob. Lea spreekt bij haar eerste zonen over haar vernedering en haar onbemind-zijn, en pas bij de laatste van het eerste viertal, bij Juda, zegt ze zonder bitterheid: “Ditmaal dank ik de Eeuwige”. Maar de echte tragische figuur in het verhaal is Rachel. Terwijl Lea langzaam maar zeker de waardigheid van een stammoeder lijkt te verwerven, werkt Rachel zich hopeloos vast in haar lot.

Tweemaal brengt Rachel een nieuwe geboortegolf op gang. Beide keren onderneemt zij aktie, maar die pakt in haar eigen nadeel uit. En als ze dan toch uiteindelijk een zoon heeft, laat ze het niet bij de uitspraak “God heeft mijn schande opgepakt” (Genesis 30,23), waarin ze vrede zou kunnen vinden, maar volgt er nog een tweede uitspraak: “Moge de Eeuwige mij nóg een zoon toevoegen”. Ofte wel: “Meer, méér!”, terwijl de ingewijde lezer weet dat haar volgende kind haar dood zal betekenen.

De eerste aktie van Rachel komt ons bekend voor. Als lezers zouden we haar willen tegenhouden, want we weten al dat dit niet goed kan uitpakken. Ze geeft haar slavin aan haar man, met de redenering dat een kind van haar slavin haar eigen kind is. We kennen die redenering van Jakobs grootmoeder Sara. Daar werkte het niet, het kind van de slavin Hagar versterkte eerder het gemis dan dat het erin voorzag. En de Eeuwige zelf moest uiteindelijk instaan voor de menselijke waardigheid van Hagar en haar kind. In het geval van Rachel maakt de symmetrie in het huwelijk het effect van haar aktie ongedaan: Lea heeft ook een slavin. Juist heeft Rachel uitgeroepen dat ze met succes “een godsstrijd met haar zus gestreden heeft” (Naftali, 30,8), als Lea besluit om Rachels voorbeeld te volgen. Beide slavinnen krijgen twee zonen. Het is alsof ze tegen elkaar worden weggestreept, want getuige haar volgende aktie is Rachel weer terug bij af.

Immers, haar tweede aktie is een regelrechte wanhoopsdaad. Dat ze wil proberen of de ‘liefdesappeltjes’ (dodajim) waarmee de oudste zoon van zuster thuiskomt, misschien werken, is niet zo verbazend. Baat het niet, dan schaadt het niet, zouden velen van ons in haar situatie zeggen. Maar verbijsterend is dat ze, om die vruchten of planten te pakken te krijgen, Jakob voor de nacht aan Lea afstaat. Wie het hoort, wil roepen “Niet doen, niet doen!” - maar het gebeurt. Nu heeft ze wel het middeltje, maar niet de man, en het vervolg laat zich raden: wederom krijgt niet Rachel, maar Lea de kinderen.

Beide keren dat Rachel aktie onderneemt, vindt er een heftige woordenwisseling plaats. Ze wekt beide keren de woede van haar gesprekspartner op, waardoor ze voor het gevoel van de lezer dieper in haar isolement raakt. De eerste keer wil ze van Jakob een kind afdwingen: “Kom op met zonen voor mij. Zo niet, dan ga ik dood!” - waarop Jakob woedend reageert dat hij God niet is (30,1-2). De tweede keer vraagt ze haar zuster om de liefdesappeltjes, waarop die haar toebijt: “Is het niet genoeg dat je mijn man hebt afgepakt, dat je ook nog de dodajim van mijn kind wilt afpakken?” Nergens wordt duidelijker dan in deze woordenwisselingen, hoe alle partijen in zelfmedelijden opgesloten zitten.

Jakob is in dit verhaal opvallend passief. Hij grijpt niet in, hij laat het conflict tussen zijn echtgenotes doorzieken. De machtige zwaai waarmee hij eerder voor Rachel de loodzware steen van de put haalde, zou meer dan welkom zijn in dit hoofdstuk, maar van al Jakobs vindingrijkheid en daadkracht is hier geen spoor te bekennen. Je krijgt de indruk dat hij overdag maar al te graag van huis is, en ‘s avonds hoort hij wel bij wie hij in bed verwacht wordt. Niet alleen is hij God niet (30,2), hij is weinig meer dan de leverancier van overvloedig zaad, en de hersenschim van Lea die zo graag zijn achting wil verwerven.


Bij de twaalf stammen van Israël had mij tot nu toe vooral het beeld voor ogen gestaan van twaalf min of meer gelijkwaardige grootheden - zoals gesuggereerd wordt bij de tellingen in de eerste hoofdstukken van Numeri, en zoals volgens Exodus 28 de gegraveerde stenen om de schouders en het borstkleed van de hogepriester het verbeelden. Daartegenover geeft Genesis 29-30 een beeld dat veel meer spanning en ongelijkheid suggereert. Niet alleen de zegen van de Eeuwige, maar ook de vloek van de jaloezie staat aan de wieg van de stammen van Israel. Het verhaal van de geboorten lijkt te suggereren, dat Israel het met zichzelf nooit gemakkelijk zal hebben. Het zal de kring van stammen waarmee de Eeuwige zijn weg gaat, nooit aan onderlinge pijn en moeite ontbreken. De tragiek en misère van de strijdende zusters en hun slavinnen en van al degenen die aan hun wanhopige gevecht ontsproten zijn, worden door de zegen van God niet opgeheven, maar omsloten. Dat Israel dit wordingsverhaal, zo bizar als het is, in zijn geschiedboek heeft bewaard, kan ons de moed geven om ook de misère van onze eigen collectieve en persoonlijke geschiedenissen onder ogen te zien, als onderdeel van ons gezegende bestaan.


Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl

Terug