|
RAKE KLAPPEN |
Tweemaal slaakt iemand in het tweede Koningenboek de kreet: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! Beide keren is de uitroep gericht aan een profeet bij diens laatste afscheid. Beide keren moet de achterblijver na zijn kreet bij wijze van examen rake klappen uitdelen. De één slaagt, de ander zakt.
In 2 Koningen 2 begeleidt Elisa als profetenleerling zijn meester Elia op diens laatste voettocht. Het water van de Jordaan maakt plaats voor hen als de oude profeet met zijn mantel op het water slaat, en door de rivier heen gaat het de woestijn in. Daar worden beiden door een vurige wagen en paarden van elkaar gescheiden, en Elia wordt hemelwaarts weggevoerd. Elisa ziet het en schreeuwt die woorden: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! Hij pakt de gevallen mantel van zijn meester en loopt terug naar de rivier. Daar vindt de krachtproef plaats. Elia slaat met de mantel op het water, schreeuwend: Waar is JHWH, de God van Elia, ja díé! Zoals ik eerder al eens schreef, heb ik ooit een stel jongeren laten uitproberen hoe je met een slappe jas een klap op het water zou moeten geven en hoe dan klinkt wat je roept. De uitkomst was, dat het zonder hartstocht niet gaat: een zwieper vanuit je hele lijf, met beide handen, over je hoofd heen, en een schreeuw die nog het meest lijkt op vloeken uit wanhoop. Dat is waar de wateren van de Jordaan voor weken.
In 2 Koningen 13 ligt diezelfde Elisa op sterven. De profetenleerling van weleer is nu zelf de oude Godsman die op het punt staat de wereld te verlaten, en aan zijn sterfbed verschijnt koning Joas. Let wel: het gaat niet over Joas van Juda, koning te Jeruzalem, die "deed wat recht was in de ogen van JHWH" (2 Kon 12,2), maar over Joas van noordelijk Israël, koning te Samaria, die "deed wat kwaad was in de ogen van JHWH" (13,11). Over deze koning lezen we dat hij naar de stervende Elisa toe komt, over hem weent, en dan diezelfde woorden in de mond neemt: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! (13,14). Elisa gebiedt daarop de koning om boog en pijlen te gaan halen. Eerst legt hij zijn handen op de handen van Joas terwijl die de boog in de aanslag houdt. Dan laat hij de koning het raam openen en schieten, waarbij de profeet uitroept: Pijl van de overwinning van JHWH, pijl van de overwinning op Aram! Maar dan komt een raadselachtige laatste opdracht. De koning moet de pijlen gaan terughalen en ermee op de grond slaan. Als hij na driemaal slaan stopt, ontsteekt de profeet in woede en spreekt zijn laatste woord: Had je vijf- of zesmaal geslagen, dan had je Aram volledig geslagen; maar nu zul je Aram (slechts) driemaal slaan. Daarna, zo luidt de volgende zin (13,20), stierf Elisa en men begroef hem. We kunnen hem niet meer vragen wat de koning verkeerd deed.
De manier waarop het verhaal verteld wordt vraagt erom, het na te spelen. De verteller neemt er nadrukkelijk tijd voor elke handeling. Eén voor één komen de opdrachten en steeds wordt vermeld dat de koning de opdracht uitvoert. Ik heb het een paar keer met een groep uitgeprobeerd, en telkens valt op hoe weinig koninklijke waardigheid er te bewaren valt in de loop van het verhaal. Het begint er al mee dat de koning naar de profeet toekomt. Hij betreedt een binnenruimte, en omdat de profeet vast niet in een thuiszorg-bed ligt, moet hij door de knieën om boven de profeet in snikken uit te barsten. Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiters! - dat wil uit zijn mond zoveel zeggen als: jij bent onze tank, ons zwaar geschut, wat moeten wij zonder je beginnen?
Eerder in het hoofdstuk (13,7) is vermeld dat Israël na de strijd tegen Aram nog maar tien strijdwagens en vijftig wagenmenners over heeft. Strijdwagens waren destijds geavanceerd oorlogstuig. Blijkens afbeeldingen werden ze bereden door koningen en edelen die vanaf de wagen met pijl en boog opereerden, staande achter één of twee wagenmenners die het voertuig bestuurden en tegelijk de voorname schutter dekking gaven.
De stervende Elisa hoort woorden die hijzelf ooit uitriep, maar het is de vraag of ze uit de mond van de koning hetzelfde betekenen. Hij reageert uiterst terzake: als ik de wagen met chauffeurs van Israël ben, ben jij de koninklijke schutter. Haal boog en pijlen - dat is de eerste van een serie opdrachten. Als je de koning naspeelt zoals het verteld wordt, merk je hoe je bijna slaafs de bevelen opvolgt. Pijl en boog halen, de boog aanleggen, de handen van de profeet op jouw handen voelen. Dat voelt als een zegen, dus je gaat door. Het raam open zetten, je merkt nu pas dat we al die tijd in het schemerdonker zaten. Je pijlen afschieten - vakkundig, een paar pijlen snel achtereen, terwijl de profeet bij elke pijl iets machtigs roept.
Daar had het bij kunnen blijven, maar de stervende profeet zegt: Haal de pijlen.De koning moet als een wapenjongen zijn eigen weggeschoten pijlen weer gaan opzoeken. Je doet het, want het is een afscheidsceremonie waarvan je de zegen niet wilt missen. Maar je begint je er wel ongemakkelijk bij te voelen. Goed, daar ben je weer met de pijlen. Sla op de grond - zegt Elisa. Daar sta je dan. De overtuiging die je bij het aanleggen en schieten prima kon opbrengen, is tijdens het apporteren uit je weg. Goed dan, je slaat, tik-tik-tik. Niet als een wildeman, maar als iemand die nu eenmaal een recept volgt. Het gaat tenslotte vooral om het symbool. Maar Elisa, denk ik als bijbellezer, had voor ogen hoe hij zelf sloeg met die mantel, hoe hij vloekend van wanhoop het water te lijf ging. Van die hartstocht ziet hij niet veel terug in koning Joas. Woedend is hij. Je zult je vijanden tikken uitdelen, roept hij bitter, maar sláán is wat anders. Zo zakt de koning voor zijn rijexamen. De wagen van Israël met zijn ruiters vertrekt, de koning blijft achter.
Er zijn treffende ruimtelijke contrasten tussen die twee afscheidstaferelen waarin dezelfde kreet klonk. Het eerste vindt buiten plaats, in de woeste leegte onder de hemel, het andere binnen, achter een aanvankelijk gesloten vensterluik. Bij het eerste tafereel schreeuwt de roepende staande naar de hemel, bij het tweede jammert hij bukkend naar de aarde. Bij het eerste zijn beiden samen aan de grens van het bestaan getreden, Elisa als leerling die tot het uiterste meegaat, tot in het doodsland toe. Er kwam hemelvuur aan te pas om hem van zijn meester los te snijden, en het was nog de vraag of hij in staat zou zijn om door de rivier heen weer terug te keren in het land der levenden. In het tweede tafereel ontbreekt die radicaliteit. Elisa gaat gewoon dood, en koning Joas komt op ziekenbezoek om de zegen niet mis te lopen. Die twee hebben niets met elkaar, terwijl Elia en Elisa, zo ongelikt en hoekig als ze overkomen, in hun afscheidstafereel álles met elkaar hebben.
Elisa en Joas slaken beide dezelfde kreet, maar vanuit twee verschillende posities. Elisa roept het als hij de vurige strijdwagen ziet en typeert er zijn meester mee. Hij beseft dat Israël niet zonder zulke profetische kracht kan en is bereid, drager van die kracht te zijn. Zo wordt hij de nieuwe "wagen en ruiters van Israël". Als Joas daarentegen hetzelfde roept, is dat niet de schreeuw van de opvolger, maar de klaagzang van de gebruiker die beseft dat hij straks zonder zit. Wat Joas in het verhaal mist, is de hartstocht. Hij had te keer moeten gaan, tierend en ziedend. Maar dat doe je niet op ziekenbezoek. De koning die "kwaad doet in de ogen van JHWH" is niet te wild of te slecht, maar te lauw voor zijn ambt.
Op die manier zijn beide schreeuw- en slaagverhalen ook een spiegel voor de kerk en de ambtsdragers van vandaag. Om te beginnen voor mijzelf: ik ben een predikant die netjes zijn werk doet en die, denk ik, nog nooit iemand echt aan het schrikken heb gemaakt. Mijn passie leef ik uit in het exegetiseren van teksten als deze, maar dat is nog iets anders dan hartstochtelijke ambtsvervulling. Misschien berust daarop wel de algemene flauwte van het kerkelijk bedrijf. Het is een groot goed dat we als pastores hebben leren luisteren en nog eens luisteren. We zijn counselers van de bovenste plank geworden, we hebben eerder een therapeutische dan een strijdvaardige attitude. We koesteren met overtuiging, en terecht, het pastoraat als terreurvrije ruimte (Verheule), maar op die manier hebben we ons ook comfortabel teruggetrokken van de plekken waar de klappen vallen, of zouden moeten vallen. Ik zie mezelf niet tierend en ziedend in Godsnaam opkomen voor recht en waarheid - ik schrijf liever een diplomatieke brief, omdat je daarmee misschien meer bereikt, maar vooral omdat ik mezelf al een figuur zie slaan. Het ontbreekt mij, net als Joas, aan zelfvergeten primaire actie uit noodzaak. Het vuur van de Geest verstikt in de nuances van mijn afwegingen.
Aan de andere kant - ik zie om me heen teveel primaire hartstocht die vernietigend om zich heen slaat, het vuur van redeloze zelfhandhaving. Ik zie in de wereld teveel profeten die bezeten zijn van hun zaak en die daar slachtoffers mee maken; die alle ruimte in beslag nemen met de terreur van hun gelijk. Elia en Elisa zijn misschien, bij nader inzien, geen figuren om na te spelen, maar onherhaalbare types die soms, bij de gratie Gods, aan Israël en aan de kerk gegeven worden. Wie als Joas op hun kracht wil meeliften, blijft verbouwereerd achter. Dan kies ik voor de kerk liever dat andere beeld: dat je in roerige tijden als een doodverklaard lichaam door haastige afleggers in het profetengraf gegooid wordt - en dat je daar het leven hervindt (2 Koningen 13,20-21).
Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl