Voorlopig leiderschap
Verschenen in Interpretatie van september 2005



Terug naar het overzicht

Het boek Rechters zou je kunnen lezen als een uitgebreide meditatie over de bittere noodzaak van leiderschap. De periode van de Rechters strekt zich uit tussen het grote leiderschap van Mozes en Jozua enerzijds en de wording van Davids koningschap anderzijds. Jozua heeft de stammen van Israël ieder een eigen plek gegeven in het beloofde land. Juist voor zijn dood is in een plechtige volksvergadering het verbond tussen Israël en de Eeuwige bekrachtigd. Het goede leven in het goede land kan dus beginnen. De gedachte lijkt te zijn dat daarvoor in principe geen menselijk leiderschap nodig zou moeten zijn. Mozes was er met het oog op de bevrijding uit Egypte en de barre tocht door de beproevingen van de woestijn. Jozua was er met het oog op de ‘bevrijding’ van het land. Maar nu de materiële randvoorwaarden vervuld zijn en de verbondsregels helder zijn, moet Israël zonder menselijk oppergezag kunnen leven. Zo brengt Gideon het onder woorden: ‘Niet ik zal over jullie heersen, niet mijn zoon zal over jullie heersen, de Eeuwige zal over jullie heersen’ (8,23).

Het boek Rechters staat in het teken van dit ideaal, maar ook van de onmogelijkheid om dit ideaal in werkelijkheid om te zetten. Zonder zichtbaar en voelbaar leiderschap blijkt Israël niet in staat om zich binnen het verbond met God te blijven bewegen. Telkens weer wenden de mensen zich tot de zichtbare en tastbare goden van het land. Het lukt zonder krachtig leiderschap niet om een volk apart te blijven. De goede orde zit de mensen blijkbaar niet in het bloed.

In deze experimentele periode staat er telkens pas een leider op als het volk diep in de ellende zit. Het verhaal vertelt keer op keer dat Israël zich door ontrouw aan de Eeuwige in de nesten heeft gewerkt en om hulp schreeuwt, en dat God dan iemand laat opstaan die Israël bevrijdt. Verschillende van deze bevrijders blijven vervolgens hun leven lang een soort leiderschap uitoefenen. Ze worden ‘rechter’ genoemd om aan te geven dat ze de dingen rechtzetten als het volk er zonder hun doorslaggevende inbreng niet uitkomt. Misschien is de term sjofeet in hedendaagse taal nog het best weer te geven met troubleshooter. Het betreft een provisorisch leiderschap, niet een voortdurend uitgeoefende functie. Er is geen vaste plek of hoofdstad van waaruit de rechters optreden, ze komen telkens uit een andere stam, en hun opdracht wordt niet door een opvolger voortgezet. Pas Samuël, de allerlaatste rechter die buiten het boek valt, benoemt zijn zonen als opvolgers, maar de opmaat naar een Israëlitisch koningschap is dan al begonnen.

De kwestie van een permanent leiderschap die in 1 Samuel 7-8 intens aan de orde is als het volk de rechter vraagt om een koning aan te stellen, komt ook al ter sprake midden in het boek Rechters, in de verhalencyclus over Gideon en Abimelek (Rechters 6-9). Er is zelfs reden om te stellen dat niet Saul, maar Abimelek de eerste koning van Israël is. Hij ontvangt niet, zoals Saul en David, een zalving in opdracht van God, maar hij laat zich door de inwoners van Sichem tot koning uitroepen (9,6) en voert in die hoedanigheid drie jaar lang het bewind over Israël (9,22). Hoe eigenmachtig, gewelddadig en vruchteloos zijn koningschap ook is, het boek Rechters plaatst hem nadrukkelijk in de lijn van de leiders door in 10,1 te zeggen: ‘Na Abimelek stond Tola op’. Over de aard van Abimeleks koningschap schrijft Piet van Midden elders in dit blad behartigenswaardige dingen.

Van mensen die de verhalen uit Rechters lezen, hoor ik dikwijls dat ze moeite hebben met al het geweld waarvan dit bijbelboek vol is. Daarom is het goed om te kijken naar de manier waarop de verhalen over dat geweld spreken.1 In het algemeen geldt dat de rechters niet worden voorgesteld als helden in het gevecht. Er is geen sprake van een heroïsche waardering van de wapens en de strijd. Het wapengeweld wordt eerder geridiculiseerd dan verheerlijkt – in die zin zou je Rechters bij alle geweld een antimilitaristisch geschrift kunnen noemen.

Neem bijvoorbeeld Ehud in Rechters 3: die wordt in een komische zinswending geïntroduceerd als een ben-jamini zonder macht over zijn jad-jamin, een ‘zoon van de rechterhand’ (Benjaminiet) die zijn rechterhand niet kan gebruiken. Dat schiet niet op, maar in het verhaal maakt hij die handicap tot zijn voordeel. Zowel de manier waarop zijn tegenstander koning Eglon wordt beschreven als de manier waarop wordt verteld hoe hij die doodt, past eerder in een schelmenroman dan in een helden-epos. Er vindt geen krachtmeting plaats, de codes van militaire eer spelen geen enkele rol. De naam van de koning klinkt in Hebreeuwse oren als ‘Stiertje’, en hij wordt ‘vet’ genoemd met de term waarmee gesproken wordt over vetgemest vee. Ehud krijgt dat dikke mannetje met verbluffende eenvoud zover om zelf zijn bewakers weg te sturen en om bovendien op te staan, uit eerbied voor een geheime boodschap van God. Die geheime boodschap blijkt te bestaan in het op de rechterheup verborgen mes waarmee Ehud zijn volk bevrijdt. Wij kunnen moeite hebben met de manier waarop verteld wordt hoe het mes in de koning verdwijnt, maar één ding staat vast: dit is een persiflage op de heroïsche krachtmetingen waarvan de volkeren in de oudheid genoten. Ehud treedt niet naar buiten als de trotse overwinnaar, maar ontsnapt heimelijk, en zorgt en passant nog voor een hilarisch gênante scène op de gang.

Aan Samgar, de derde rechter, wordt slechts één bijbelvers gewijd (3,31). Hij sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenprik. Het is nauwelijks informatie, maar het roept opnieuw een anti-heroïsch beeld op. Je ziet een razende Roeland voor je, een ossendrijver die door het lint gaat en die met zijn stekelstok een compleet leger verslaat. Geen slagorde, geen bewapening, maar een bladzijde uit een Asterix-album. De Filistijnen zijn tegen een boze boer opgelopen en toen was het einde verhaal.

En zo gaat het door. Barak heeft een heroïsche naam: bliksem. Maar aanvankelijk durft hij de strijd niet aan, de vrouw Debora moet wel met hem meegaan. Als zij Barak gelanceerd heeft, zigzagt hij inderdaad als een bliksemschicht over het slagveld, hij rent heen en weer, maar hij treft nergens doel. Zoals een vrouw de aanzet tot de strijd moet geven, moet een andere vrouw het werk afmaken, waarbij alweer een vijand eerloos ten onder gaat: Jaël ontfermt zich over generaal Sisera, ze is als een moeder die een kind voedt en te slapen legt, en vervolgens slaat ze hem een tentharing door het hoofd. En Barak intussen maar rennen! Zo wordt niet alleen van de vijand de roemloze nederlaag beschreven, maar wordt ook de eigen aanvoerder van Israël als een soort antiheld getekend. Alles wat de strijd in termen van de antieke epiek de moeite waard maakt, wordt gerelativeerd en geridiculiseerd. Zo ook bij Gideon: het lijkt een serieuze strijd te gaan worden, er worden troepen gemonsterd. Dan worden de twijfelaars naar huis gestuurd, zodat alleen de dapperen overblijven. Er wordt een kamp opgeslagen tegenover het vijandige legerkamp. Dat belooft eindelijk een spannend strijdtafereel te worden. Maar nee: de Gideonsbende gaat uiteindelijk tot de aanval over zonder een zwaard te trekken, want iedere man heeft de handen vol aan ramshoorn, fakkel en kruik. In een carnavaleske actie maken ze een berg kabaal en een zee van licht, zodat ze aangezien worden voor driehonderd eenheden. De vijandelijke strijders gaan eerst in blinde paniek elkaar te lijf, om er vervolgens in wilde vlucht vandoor te gaan.


Deze anti-heroïsche tendens neemt niet weg dat er soms meer bloed van vijanden vloeit dan wij als moderne gelovige lezers kunnen aanvaarden. Ehud en Gideon laten beiden in vervolg op hun hilarische acties de voorden van de Jordaan bezetten, zodat de vluchtende vijand niet naar zijn eigen grondgebied kan ontkomen. Van Ehud wordt vermeld dat zijn mannen op die manier tienduizend robuuste Moabitische strijders doden. Dat getal tekent de omvang van de voorbije onderdrukking en van de gekomen bevrijding, maar het houdt in onze oren ook het eeuwige rad van geweld en bloedvergieten draaiende.

Maar in het verhaal over Gideon lijkt er ook sprake te zijn van impliciete kritiek op dat overdadige geweld. Als zijn zoon Abimelek de exponent is van gewelddadige heerschappij, lijkt het verhaal aan te geven dat de kiemen van het kwaad al in Gideons leven gelegd zijn. Terwijl de actie van de Gideonsbende en alles wat eraan voorafging telkens begeleid werd door tekenen en aanwijzingen van de Eeuwige, is er tijdens en na de bloedige vergeldingsacties geen sprake meer van goddelijke interventie. De naam van JHWH klinkt nog tweemaal in hartgrondige, gewelddadige woorden van Gideon, maar de auteur laat in niets blijken dat de Eeuwige zich verbindt aan Gideons handelwijze. Dat er in Gideon iets ontaardt als hij bloedvergietend en wrekend door het Overjordaanse trekt, blijkt uiteindelijk als hij zijn zoon uitdaagt om de twee gevangen Midjanitische koningen neer te steken. De jongen, een kind nog maar, durft het niet, en het zijn nota bene de beide koningen die daarvoor bij Gideon begrip vragen. Na deze ontluisterende scène wijst Gideon weliswaar de uitnodiging van het volk af om koning over Israël te zijn (‘JHWH zal over jullie heersen’), maar wat hij in plaats daarvan doet, staat in schril contrast met het begin van zijn verhaal. Terwijl zijn missie begon met het afbreken van het Baäls-altaar en de Asjera-paal op zijn vaders erf, maakt hij uiteindelijk van het buitgemaakte goud een afgodsbeeld waarmee hij op diezelfde plek Israël tot ontrouw aan JHWH verleidt.

De dramatische situatie aan het begin van het Gideon-verhaal, waar de mensen in Israël het land niet op durven vanwege de Midjanitische roofbendes, keert terug onder hun eigen koning Abimelek. Hij raakt dermate met zijn moederstad in conflict, dat hij de mensen laat overvallen die het land op gaan om te zaaien en te oogsten. Zo maakt hij, de exponent van gewelddadig leiderschap, zelf zijn land onbewoonbaar. Hij gaat te keer tegen de steden van zijn eigen land zoals zijn vader tekeer ging tegen de steden van het Overjordaanse. Wie het leest, voelt zich opgenomen in een zinloze en redeloze spiraal van geweld. Maar in de manier waarop Abimelek aan zijn einde komt, herkennen we weer helemaal de teneur van het boek Rechters. Terwijl Abimelek de vestingtoren in brand wil steken waarin de bewoners van de stad Tebes zich tegen hem hebben verschanst, gooit een vrouw hem vanaf het torendak met een maalsteen de hersens in. Hij kan nog juist zijn jongen vragen om hem met een zwaard te doorsteken, zodat niet gezegd zal worden dat een vrouw hem gedood heeft. Dat is een grimmig grapje, want door het zo te vertellen onderstreept de auteur de rol van die vrouw. Zoals Sisera door een moederlijke Jaël de dood in werd gesust, zo wordt Abimelek op huishoudelijke wijze door een vrouw verslagen: de maalsteen als typisch vrouwengereedschap is het equivalent van de deegrol waarmee vrouwen in oudhollandse kluchten de mannen te lijf gaan. Overigens is ook opvallend dat de wapenjongen van Abimelek doet wat Gideons zoon niet durfde en wat later ook de wapendrager van Saul zal weigeren. Per saldo heeft hij niet de eer van zijn heer gered, maar alleen bevestigd hoezeer het koningschap van Abimelek vergeven was van zelfdestructie.

In de eerste hoofdstukken van het boek Rechters wordt uitgelegd dat de Eeuwige een deel van de oorspronkelijke bevolking in het land had laten leven, opdat latere generaties de strijd zouden leren. Het gaat daarbij, ondanks alle geweld, niet om de heroïek van oorlogvoering, maar om de strijd tegen afgoderij en repressie, voor een bevrijd bestaan in verbondenheid met God. Het bijbelboek tekent in dat opzicht een allesbehalve rooskleurig beeld van Israël – het is één grote kritiek op de onmacht van het volk om uit eigener beweging binnen het verbond te blijven leven. De voorlopige leiders met hun bevrijdende daden zijn geen aanvoerders van een succesvol heldenvolk, integendeel. Wie het boek uitleest, gaat verlangen naar een rechtvaardig en duurzaam koningschap dat de heerschappij van de Eeuwige zodanig kan realiseren dat het beloofde land een vrederijk wordt. Het wordt hoog tijd voor David, maar laat niemand verwachten dat het volgende bijbelboek een sprookje wordt.

Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl

Terug naar het overzicht


1Voor de hoofdstukken die op het leesrooster staan heeft Karel Deurloo daarover prachtige dingen geschreven in Hanna Blok e.a., Geen koning in die dagen, Baarn: Ten Have 1982, blz 12-57.