dr Piet van Veldhuizen
Luister en ontluistering
Koning Salomo volgens 1 Koningen 1-12
Koning Salomo is een raadsel. Of liever: de manier waarop zijn verhaal wordt verteld in het bijbelse Koningenboek is raadselachtig. Er worden prachtige dingen over deze vorst verteld, en er wordt meer dan eens vastgesteld dat de zegen van de Eeuwige op hem rust. Pas aan het einde van de verhalenreeks wordt vastgesteld dat Salomo ten slotte tegen Gods geboden ging zondigen en dat zijn rijk als gevolg daarvan na zijn dood zou uiteenvallen. Een luisterrijk relaas met een unhappy ending dus, op het eerste gezicht. Maar bij nadere lezing zijn er al vanaf het begin van het verhaal allerlei hints die wijzen op de schaduwkanten van Salomo’s regering. De vraag is dan ook, wat voor beeld het verhaal van Salomo wil geven. De expliciete commentaren die de auteur bij zijn verhaal geeft, lijken niet altijd te stroken met de impliciete mededelingen van het verhaal zelf.
Het verhaal over Salomo staat opgetekend in 1 Koningen 1-11. In dit artikel wil ik een wandeling door het verhaal maken en dan vooral aandacht schenken aan de donkere kanten ervan. Als de auteur telkens tussendoor evaluerende opmerkingen maakt, lijkt het alsof hij die donkere kanten negeert – maar intussen heeft hij ze wel verteld. Als wij heilige teksten in onze eigen traditie lezen, hebben we vanouds de vrome neiging om het met de auteur eens te zijn, maar het zou weleens kunnen zijn dat de auteur van 1 Koningen hier hoopt op lezers die nattigheid voelen, ook als hijzelf in zijn gelovige evaluaties nog doet alsof er van lekkage geen sprake is.
We gaan dus in het onderstaande door de vertelling heen zonder diepgravend tekstonderzoek. Bij elk van de schaduwen die ik ga noemen, kan de vraag gesteld worden of de auteur van het Koningenboek ze ook zelf als een schaduw heeft beleefd: het kan immers zijn dat hij en ik bepaalde zaken verschillend waarderen. Maar het geheel overziende kan ik niet anders dan concluderen dat de auteur doelbewust een ambivalent verhaal vertelt.
Volgens het verhaal in 1 Koningen 1 spelen zich rond de door ouderdom verzwakte koning David ontluisterende intriges af. Nog voordat de oude koning sterft, probeert zijn zoon Adonia het koningschap aan zich te trekken. Hij gedraagt zich al als de nieuwe vorst, en David verzet zich daar niet tegen. Als Adonia een kroningsplechtigheid lijkt voor te bereiden, komt de profeet Natan in actie. Voor hem staat vast dat Salomo koning moet worden, en met diens moeder Batseba spreekt hij af welk spel ze zullen spelen om David tot een uitspraak te dwingen.
Natan en Batseba beroepen zich op een eed waarmee David gezworen zou hebben dat Salomo zijn opvolger wordt. David bevestigt dat – merkwaardig eigenlijk, want nergens in de voorgaande verhalen is van zo’n eed sprake geweest. Het was Natan zelf geweest die bij Salomo’s geboorte had gemeld dat dit kind voor God Jedidja zou heten, ‘lieveling van de Eeuwige’ (2 Sam. 12:25). De manier waarop Natan en Batseba nu de oude koning onder druk zetten, doet ook vermoeden dat David op dit punt geen helder standpunt had, maar wel een oude ereschuld aan deze twee mensen.
Aanvankelijk dacht ik dat hier het klassiek-bijbelse gegeven speelde dat de jongste de plaats inneemt van de oudste, maar zo eenvoudig ligt het niet bij Davids kinderen. Adonia is nummer vier van de zes zonen die David als koning van Juda in Hebron verwekte, bij zes verschillende vrouwen (2 Sam. 3:2-5). De nummers één en drie, Amnon en Absalom, zijn bij eerdere paleistwisten gewelddadig aan hun einde gekomen, maar van de nummer twee, Kileab, vernemen we niets meer. En in de opsomming van elf zonen die David als koning van Israël te Jeruzalem verwekte, opnieuw bij verschillende vrouwen, is Salomo de eerste noch de laatste (2 Sam. 5:14-15). Het is dus vanuit de voorgaande verhalen helemaal niet evident dat Salomo de opvolger moet zijn. Salomo is niet de nummer zeven na de zes eerdere zonen – hij maakt deel uit van een gemankeerd twaalftal, zoals Adonia deel uitmaakt van een gemankeerd zevental.
Salomo zal de vredevorst zijn, zoals zijn naam al aangeeft. De auteur van 1 Koningen zegt ook enkele keren dat het rijk in zijn dagen vrede kent. Maar de aanvang van zijn koningschap is allesbehalve vreedzaam. David geeft hem vanaf zijn sterfbed opdracht voor enkele bloedige afrekeningen waarvan vervolgens beschreven wordt hoe Salomo ze ten uitvoer brengt. Als hij vermoedt dat zijn rivaal Adonia nog steeds aast op het koningschap, laat hij ook hem doodsteken. Schokkend vind ik vooral de manier waarop de liquidatie van Davids legeroverste Joab beschreven wordt. Joab heeft de toevlucht genomen tot de tent van de Eeuwige en de hoorns van het altaar gegrepen, een gebaar waarmee hij een beroep doet op het asielrecht van Gods heiligdom. Benaja, die hem moet doden, probeert hem eerst naar buiten te nodigen, en gaat vervolgens naar Salomo terug om te melden dat Joab bij het altaar blijft. Salomo beveelt Benaja dan om hem in het heiligdom, bij het altaar neer te steken. Het relaas over Salomo’s eerste daden toont hem vooral als iemand die meedogenloos afrekent met de tegenstanders uit zijn naaste omgeving. De met gevoel voor suspense vertelde verhalen in 1 Koningen 2 logenstraffen het idee dat aan de handen van Salomo, die straks de tempel zal bouwen, geen bloed kleeft.
De eerste zin na het hoofdstuk van de liquidaties gaat over Salomo’s verbinding met Egypte: ‘Salomo verzwagerde zich met de farao, koning van Egypte, en nam de dochter van de farao en bracht haar in de Davidsstad’ (1 Kon. 3:1). Daarna volgen de passages over Salomo’s vroomheid en wijsheid en het lange verhaal over de tempelbouw. Pas veel later, in hoofdstuk 9, wordt weer op dat Egyptische huwelijk teruggekomen. Waarom wordt dat ene zinnetje hier dan al opgetekend? Wat maakt die ene koningsdochter zo vermeldenswaard onder de duizend vrouwen die Salomo later zal blijken te hebben? Ik heb de indruk dat het, voordat alle mooie verhalen komen, bedoeld is als alarmsignaal. Straks zal rond de bouw en inwijding van de tempel zevenmaal sprake zijn van Israël dat ‘uit Egypte is geleid’ (6:1, 8:9, 16, 21, 51, 53, 9:9). Maar Salomo die de uittocht van ooit bekroont met de tempelbouw, heeft Egypte alweer binnengehaald. Hij is ermee verzwagerd, hij is geen vrij man meer en dat zal blijken.
Als Salomo zijn rijk bouwt, gaat hij op de Egyptische toer. De vredevorst bouwt drie garnizoenssteden: Hazor, Megiddo en Gezer. De meest zuidelijke van de drie steden was de bruidsschat die hij van de farao ontving, en de bewapening waarvoor deze steden werden ingericht, was van Egyptische kwaliteit: wagens en paarden. Dat is het oorlogstuig waarvan Israël bezingt dat het door de zee is verzwolgen in de exodusnacht. Verderop in het Koningenboek zullen de profeten Elia en Elisa elk een keer worden aangeroepen als ‘Israëls wagen en ruiters’ (2 Kon. 2:12; 13:14), om eraan te herinneren dat Israël wel vaart bij een ander soort kracht. Maar over Salomo wordt gezegd dat hij twaalfduizend ruiters en veertienhonderd wagens heeft en dat hij de paarden laat komen uit Egypte en Kewe. Salomo gaat zelfs in de internationale wapenhandel, door wagens en paarden door te verkopen naar Hethitische en Aramese vorsten (1 Kon. 10:28-29).
Het kan nauwelijks meer verwonderen, dat het onheil aan het einde van Salomo’s veertigjarige vrederijk ook weer uit Egypte komt: Jerobeam, de man die na Salomo’s dood de scheuring van Israël teweegbrengt door het grootste deel van het volk tegen de Davidische dynastie te verenigen, had gedurende Salomo’s laatste regeringsjaren asiel genoten aan het Egyptische hof. Maar Egypte is Salomo niet overkomen: hij heeft zelf de weg geopend en Egypte binnengehaald, inclusief het tuig dat de Eeuwige ooit in de wateren liet ondergaan. Maar Salomo was dan ook minder huiverig voor water dan velen voor en na hem…
Dat is een volgend aspect van Salomo’s regering: hij verbindt zich nauw met Chiram, koning van de havenstad Tyrus, en exploiteert met diens hulp een eigen vloot. Zeevaart is niet iets voor Israël. Sinds de Eeuwige de bewoonbare aarde uit de oervloed heeft losgepeld en de wateren hun grens heeft aangewezen, leven Israëlieten hoog en droog op het vaste land. Het oudtestamentische Israël heeft geen havens, en in Tenach gaat alleen Jona aan boord van een schip. En Tyrus staat bij de profeten bekend als de koopmansstad die hoereert met alle goden en machten van de wereld. In het verhaal over Salomo levert de koning van Tyrus vooral scheepslieden, handwerkslui en hout voor de tempel in Jeruzalem. Heidense wereldwijsheid wordt in dienst genomen voor een heilige onderneming – maar tegelijkertijd geraakt Salomo in de ban van al die mogelijkheden en al die rijkdom, en hij is niet meer te stoppen.
Want na zeven jaren van tempelbouw besteedt Salomo maar liefst dertien jaar aan de bouw van zijn eigen paleis. Het valt me op dat driemaal de naam van een van de grote ruimten van dat paleis wordt genoemd: ‘Woud van de Libanon’. De vraag is of dat zomaar een verwijzing is naar de hoeveelheid cederhout waaruit die zaal is opgetrokken, zo van: hier heb je het complete bos. In verhalen uit de niet-Israëlitische omgeving gold het woud van de Libanon als een godenplek, en het is onder andere een plaats van handeling in het Gilgamesj-epos. Wat heeft Salomo naar Jeruzalem gehaald? Is de godenberg in dienst van de Eeuwige genomen, of neemt de godenberg langzaam de regie in Jeruzalem over?
Volgens de eerste verzen van hoofdstuk 11 zijn het de duizend echtgenotes die Salomo tot ontrouw aan de Eeuwige verleiden. Maar al in hoofdstuk 3, waar nog slechts sprake is van één vrouw, wordt verteld dat Salomo de overgebleven offerhoogten in het land blijft bezoeken en dat hij duizend offers brengt op de hoogte van Gibeon. Er wordt daar in het midden gelaten of het om afgoderij gaat: juist in Gibeon verschijnt de Eeuwige aan hem, maar het feit dat hij op de hoogten offert doet blijkens de bewoordingen van vers 3 af aan zijn liefde voor God en zijn trouw aan zijn vader.
Er zijn dus weliswaar duizend schoonfamilies die de schuld kunnen krijgen van Salomo’s afglijden, maar allerlei tekenen in het verhaal suggereren dat zijn eigen gedrevenheid hem bij al die vreemde verering heeft gebracht. De auteur becommentarieert die tekenen niet. In zijn expliciete tekst lijkt het alsof Salomo na een lang vroom leven ten langen leste door duizend vreemde vrouwen van het rechte pad wordt getroffen. Maar impliciet laat het verhaal weten dat die beweging er vanaf het begin was. En niemand heeft Salomo verplicht om duizend vrouwen tot de zijne te maken.
Salomo wordt beschreven als een fantastisch rijke vorst die de hele wereld naar zich toe laat komen en die voortdurend bouwt en handel drijft. Aan het einde van hoofdstuk 4 wordt vastgesteld dat heel het volk te eten en te drinken heeft en gelukkig is. Toch laat het verhaal ook een andere kant van Salomo’s royale heerschappij doorschemeren. Hoofdstuk 4 somt de twaalf gouverneurs op die, elk vanuit hun eigen deel van Israël en de bezette gebieden, één maand per jaar de levensmiddelen voor het koninklijke hof moesten leveren. Daar hoorde blijkens 5:6-8 ook de verzorging van tienduizenden paarden bij. Hier gebeurt wat de profeet Samuël ooit aan het volk voorhield: dat een koning vroeg of laat zou komen om je zonen en dochters en zijn deel van je vee en je oogst op te eisen. Maar daar bleef het niet bij.
Want toen de tempel moest worden gebouwd, werden tienduizenden Israëlitische arbeiders naar de Libanon gestuurd, bij wijze van dienstplicht: telkens één maand op en twee maanden af. En ook later werd dit systeem van herendiensten toegepast. In 9:21-22 wordt gezegd dat alleen afstammelingen van de niet-verdreven Kanaänieten hiervoor moesten opdraven en dat de Israëlieten alleen de betere functies kregen. Maar hier is de auteur voor mijn gevoel een beetje aan het schipperen, want uiteindelijk, als Salomo na veertig jaar sterft, vraagt het volk aan zijn zoon: ‘Uw vader heeft ons een zwaar juk opgelegd; verlicht daarom de zware arbeid waartoe uw vader ons verplicht heeft en het harde juk dat hij ons heeft opgelegd’ (12:4). Het volk is uitgeput van veertig jaar vrede en voorspoed.
Zolang Salomo leeft, houden de mensen het met hem uit: het sprookje mag zijn prijs hebben. maar als het verhaal ten einde is, is de rek eruit. De oude hofdienaren weten dat, maar Rechabeam, Salomo’s zoon, besluit te luisteren naar de arrogantie van zijn eigen leeftijdgenoten. Die willen de hofstaat graag in volle glorie voortzetten op kosten van een uitgeputte bevolking, en zodoende overspeelt Rechabeam zijn hand. Hij is wel zo wijs om tegenover het volk niet het eerste zinnetje te herhalen dat de jongelui hem als antwoord suggereren. Dat luidde: ‘Mijn kleintje is dikker dan mijn vaders lendenen’.
Alles in Salomo’s verhaal is in toenemende mate grenzeloos, maar de beweging is er vanaf het begin. Ook van de meedogenloosheid die uit de woorden van zijn zoon spreekt, is de kiem al in Salomo’s eerste regeringsdagen gelegd. Alles in Salomo’s regering bewoog weg van het herderschap als dienend ideaal. Toen hij zelf wegviel, trok het volk dit soort koningschap niet meer.
Natuurlijk, er staan ook prachtige dingen over Salomo te lezen in 1 Koningen 1-11 – maar omdat ons beeld van Salomo bijna van nature positief is, waren deze alinea’s gewijd aan de schaduw die in de verhalen waart: de dingen die de auteur niet wil uitspreken, maar wel wil meedelen.
Dit artikel is gepubliceerd in Interpretatie 19/3, april 2011. Zie ook www.interpretatie.nl