Het beleg van Samaria

2 Koningen 6, 24 - 7, 20
Verschenen in Interpretatie van september 2004, pp 27-29

Terug naar het overzicht

Verhaal

In 2 Koningen 6 en 7 staat het bijzondere verhaal over het beleg van Samaria in de dagen van de profeet Elisa. Het leger van Aram hongert de stad uit. De koning van Israël hoort als hij over de stadsmuur loopt het hartverscheurende verhaal van twee vrouwen die besloten hebben hun kinderen op te eten – maar nu klaagt degene die als eerste haar kind heeft opgeofferd haar nood bij de koning, omdat de andere vrouw haar kind heeft verstopt. De koning verscheurt zijn klederen en besluit, korte metten te maken met Elisa, omdat hij blijkbaar de profeet en zijn God verantwoordelijk houdt voor het harde lot van de stad. Maar als hij bij Elisa komt, krijgt hij een Godsspraak te horen die voorzegt dat er binnen een etmaal overvloed aan betaalbaar voedsel zal zijn. De adjudant van de koning, die dat woord in twijfel trekt, krijgt te horen dat hij het zelf zal zien, maar er niet van zal genieten. Het verhaal gaat nu verder met vier melaatsen buiten de poort, die het als hun enige overlevingskans zien om naar het kamp van de vijand te gaan. Daar ontdekken ze dat het leger van Aram er in wilde vlucht vandoor is gegaan, omdat God hun het geraas van een grote troepenmacht heeft laten horen. Na zich tegoed gedaan te hebben melden ze hun bevindingen in de stad. De koning vermoedt dat er sprake is van een hinderlaag, maar stuurt toch verkenners uit. Nadat die geconstateerd hebben dat de Arameeërs het land in paniek hebben verlaten, begeeft het volk zich massaal naar buiten. De adjudant, die in de stadspoort toezicht moet houden, wordt daarbij vertrapt en sterft. Het verhaal besluit met een résumé waarin vastgesteld wordt dat de woorden van Elisa exact zijn uitgekomen.


Weerstand

Een eerste aandachtige lezing wekte bij mij vooral weerstand op. Het verhaal van de twee vrouwen is dermate navrant, dat de goddelijke bevrijding, hoe prachtig ook, te laat komt. Ik was het zeer met de koning eens dat het een onverdraaglijk idee is, dat de Godsman daar in z’n huis zit terwijl vrouwen hun kind opeten. In die bizarre context was het me ook niet duidelijk waarom de twijfel van de adjudant zo genadeloos moest worden afgestraft. Ik had er bovendien moeite mee dat binnen een zo complex verhaal de redding via een deus ex machina tot stand komt die geen wezenlijk verband houdt met de rest van het verhaal. Dat God de oren van de vijand bedriegt, omdat God nu eenmaal alles kan, lijkt een losse en goedkope truc. Als het zo gemakkelijk gaat, dacht ik, doe het dan voordat de vrouwen uit wanhoop hun kinderen koken. Zoveel onvrede bij een verhaal in reden genoeg om er nog eens nauwkeuriger naar te kijken.


Omgeving

Om te beginnen is het goed om het verhaal te vergelijken met het voorgaande, dat veel korter is. Daar is dezelfde vijand, Aram, naar Dothan gekomen om Elisa gevangen te nemen. Hij blijkt immers voortdurend de Aramese troepenbewegingen te voorzien en de koning te waarschuwen, waardoor Aram niets tegen Israël kan aanvangen. In dit verhaal bedriegt God de ogen van de Aramese soldaten. Terwijl Elisa zelf méér ziet dan wat voor ogen is (hij ziet de vurige cavalerie van Jhwh rondom), wordt Aram met blindheid geslagen. Hun ogen gaan pas weer open als Elisa hen de stad Samaria binnen gegidst heeft, zodat ze in de val zitten. Elisa verbiedt de koning echter, de vijand kwaad te doen. Ze krijgen een grote maaltijd voorgezet en mogen dan vertrekken.

Ons verhaal over het beleg van Samaria staat op twee manieren met dit voorafgaande verhaal in contrast. Ten eerste krijgen de Arameeërs, ingesloten in Samaria, volop te eten, terwijl Samaria, ingesloten door Aram, crepeert van de honger. Het feit dat Elisa in het eerste verhaal de Arameeërs goed laat wegkomen, lijkt zich nu tegen Samaria te keren. Misschien wil de koning zich nu op Elisa wreken, omdat die hem toen verboden had, de vijand aan te pakken. Het tweede contrast betreft het middel waarmee God ingrijpt: eerst gezichtsbedrog, nu gehoorsbedrog. Of is het geen bedrog? Horen de Arameeërs in het tweede verhaal misschien de vurige legermachten van Jhwh die Elisa in het eerste verhaal aan zijn dienaar liet zien? In dat geval zijn de Arameeërs die eerst bijziend waren, nu helderhorend.


Personages, ruimte en tijd

In het verhaal over het beleg van Samaria treden uitzonderlijk veel personages op. In sprekende rollen ontmoeten we een vrouw, de koning, Elisa, de adjudant, een groepje melaatsen, een hofdienaar. Dan zijn er nog de zwijgende personages: Benhadad, de oudsten, de bode die Elisa moet doden, Jhwh, het leger van Aram, de poortwachters, de verkenners en het volk, en tenslotte hebben we als geïmpliceerde personages in de klacht van de vrouw de andere moeder en de twee kinderen. De actie is zodanig over al deze spelers verdeeld, dat het niet gemakkelijk is om eenduidig hoofdpersonen aan te wijzen. Een aantal personages zullen we hieronder nader bekijken.

Er wordt fraai gebruik gemaakt van de ruimte in en om de stad. De koning lopend op de muur van zijn belegerde stad, een toonbeeld van onrust en frustratie. Elisa met de oudsten zittend in zijn huis, toonbeeld van kalmte op het ijzige af. De profeet zit niet ergens in de hoogte, want de koning daalt naar hem af, zoals in het voorafgaande verhaal het Aramese leger naar hem afdaalde. Dan krijgen we de buitenkant van de stadspoort in beeld, waar de vier melaatsen zich ophouden die vandaar naar het kampement van de vijand gaan. Hun blijde bericht bereikt het huis van de koning via de poort als tussenstation. Een plaatsbepaling die wat buiten deze proporties valt, is die van de weg naar de Jordaan, geheel bezaaid met kleren en wapens (7,15). Men realisere zich, dat er vanwege het bergland geen rechtstreekse route van Samaria in die richting loopt. Ook gezien het voorafgaande verhaal zou je je moeten voorstellen dat de Arameeërs noordwaarts via Dothan de uitlopers van het gebergte van Efraïm verlaten en dan pas na zo’n 35 km de Jordaan bereiken. Maar de rivier is er wél het symbool van dat ze helemaal weg zijn uit het land. Zonder hier een groot punt van te willen maken, ben ik best benieuwd of een team verkenners op strijdwagens zo’n afstand, gedeeltelijk in de nacht, inderdaad heen en terug zou kunnen overbruggen binnen het strakke tijdschema van het verhaal.

Want ook tijd speelt een rol. Zodra Elisa gesproken heeft, is er een etmaal te besteden, van ‘vandaag’ (6,31) naar ‘morgen om deze tijd’ (7,1). De melaatsen gaan op weg in de avondschemering (7,5) en op datzelfde moment slaat ook Aram op de vlucht (7,7). De melaatsen besluiten dat ze niet tot het morgenlicht (7,9) mogen wachten met het brengen van de goede tijding, zodat de koning in de nacht (7,12) moet opstaan om op het bericht te reageren. Dan stuurt hij de verkenners uit, die de vijand tot aan de Jordaan volgen, en pas nadat deze boden met goed bericht zijn teruggekeerd stroomt het volk de stad uit. Dan is het, ook volgens het résumé aan het einde, ‘morgen om deze tijd’ (7,18).


Andere structuurgegevens

Ik noem hier nog een aantal gegevens die mogelijk kunnen helpen om ordening in de tekst aan te brengen. Het is opvallend dat de ernst van het beleg aan het begin van het verhaal aangegeven wordt in economische termen: tachtig zilverstukken voor een ezelskop, vijf voor een kwartliter duivenstront – en dat ook de bevrijding in termen van voedselprijzen wordt aangeduid: twaalf liter bloem of vierentwintig liter gerst voor één sjekel, waarmee waarschijnlijk zo’n zelfde zilverstuk wordt bedoeld. Maar tussen de prijzen in komen we mensen tegen wier situatie in geen enkele verhouding staat tot geldbedragen. De vrouw heeft haar kind opgeofferd en is daarin ook nog bedrogen. Het feit dat er eerst prijzen zijn genoemd, suggereert wél dat er zelfs in deze extreme situatie verschil is tussen arm en rijk. De vrouw heeft gedaan wat anderen in de stad nog konden uitstellen. De koning heeft nog paarden over terwijl het volk verhongert (7,13). De melaatsen, die onder de poort verblijven terwijl de koning op de muur loopt, zijn helemaal uit het economische leven buitengesloten. Ze zijn aan genade of ongenade uitgeleverd. Daardoor zijn ze overigens in het verhaal ook de enigen die kunnen eten en drinken zonder ervoor te betalen, nog voordat er in de poort een prijs wordt berekend. Zo zijn zij typisch de laatsten die de eersten zijn.

Getallen spelen een merkwaardige rol in het verhaal. Het lijkt erop dat er een soort optelvers in werking treedt als Elisa Gods woord afkondigt. Hij noemt de prijs van één sea bloem en van twee sea gerst. Dan komt de sjalisj, de derde man (adjudant), met een weerwoord. Vervolgens zijn er vier melaatsen, en als die met het goede nieuws komen stelt een dienaar voor om vijf paarden uit te sturen.

Iets heel anders: er is driemaal in het verhaal sprake van ‘wegstoppen’, telkens met verschillende Hebreeuwse werkwoorden, maar steeds ten nadele van anderen: de vrouw die het kind wegstopt (6,29), de melaatsen die aanvankelijk de buit begraven (7,8), de overtuiging van de koning dat de Arameeërs zich in het veld verbergen (7,12). Tenslotte noem ik als fascinerend gegeven de manier waarop de twee deuren in het verhaal met elkaar corresponderen: de man die Elisa komt doden, moet door de oudsten worden buitengehouden door de deur tegen hem aan te drukken (6,32); de adjudant wordt in de open poort vertrapt (7,17).

Om tot de betekenis van het verhaal door te dringen, wend ik me nu tot enkele van de personages.


De melaatsen

De vier melaatse mannen zijn aanvankelijk de absolute verliezers. Ze leven in de opening van de poort, buiten de stad, opgesloten tussen de muur en het legerkamp. Ze ondernemen een desperate actie door naar het kamp te lopen, omdat ze alleen daar een kleine kans op overleven zien. Ze gaan op weg in de avondschemer, en op datzelfde moment (7,5.7) laat Jhwh de Arameeërs donderend geraas horen. Dat is een grap: er naderen vier metzoraïm (melaatsen), maar de vijand denkt dat minstens heel mitzraïm (Egypte) eraan komt en gaat er in wilde vlucht vandoor. In dit verband is het misschien ook veelbetekenend dat ze hun gang naar het kamp met het werkwoord nafal benoemen: ze vallen het kamp binnen. Zo worden de meest kanslozen van het tafereel de eerste getuigen van Gods bevrijdende daden. Het is nog wel de vraag wat hun motief is om brengers van goede tijding te worden: bekeren ze zich van hun drang tot zelfbehoud, of zijn ze leep genoeg om te beseffen dat ze alsnog hun eigen doodvonnis tekenen als ze hun mond houden?


De koning

De koning - in de chronologie van het Koningenboek zou het over Achabs tweede zoon Joram moeten gaan, maar zijn naam wordt niet genoemd - speelt een ambivalente rol in het verhaal. Hij staat tegenover de profeet, maar hij is niet de grote boosdoener. Hij lijkt vooral gefrustreerd vanwege zijn machteloosheid, als koning die niet in staat is zijn volk te voeden (6,27). De woorden waarmee hij Elisa en diens God de wacht aanzegt, hebben in hun bitterheid iets respectabels. Misschien wordt daarom niet de koning zelf de verliezer in het verhaal. Hij heeft dienaren onder zich over wie zijn ambivalente houding verdeeld lijkt te worden: de scherprechter die zijn woede voor hem uit draagt (6,32) en de paleisdienaar die het geloof in de redding toch een kans geeft (7,13), maar vooral ook de adjudant op wiens arm hij leunt.

Wat was er zo fout aan de opmerking van de adjudant, dat hij het met de dood moest bekopen? De NBG-vertaling leest: ‘Ook al zou de Here sluizen in de hemel maken, zou dit dan kunnen geschieden?’ (7,2). Misschien is het beter te vertalen: ‘Zie, Jhwh maakt wel sluizen in de hemel, maar zou dit woord uitkomen?’. Het contrast is dan tussen de kosmische werkzaamheid die de adjudant aan Jhwh toeschrijft, en de voedselprijzen in de poort die Elisa zojuist heeft voorzegd. De hemelsluizen herinneren aan de zondvloed, en misschien associëren ze ook met de stortregens na de godenstrijd in 1 Koningen 18. Goden gaan over de elementen, koningen gaan over steden. Eerlijk voedsel tegen een billijke prijs, dat is typisch waar een koning garant voor staat. De man op wie de koning leunt, lijkt erop te wijzen dat de profeet zich net als zijn God bij diens kosmische dimensies moet houden, en zich niet moet bemoeien met stads-aangelegenheden. Het is al spijtig genoeg dat de koning in het vorige verhaal op Elisa’s voorspraak de vijand te eten heeft gegeven in plaats van hem te doden.

De adjudant is een steunpilaar van het piramide-model: God is daarboven en gaat over de hemel, dan komt de koning met zijn hof en die regeren de stad, en tenslotte heb je de menigte van het volk. De koning zit er lelijk tussen nu hij zijn functie niet kan uitoefenen: hij valt uit naar de vrouw die haar nood klaagt én naar God die hem in deze positie heeft gebracht. Het is bitter-ironisch dat de adjudant, de woordvoerder van deze hiërarchie, omkomt op de plek waar hijzelf namens de koning zeggenschap over denkt te hebben: in de poort. Want door Gods ingrijpen openen zich de sluizen, maar niet die van de hemel. Het arme stadsvolk stort zich naar buiten. Jhwh distribueert zijn genade en oordeel niet via de koning en zijn hof, van bovenaf, maar via de melaatsen en de uitgehongerde menigte.


De noodkreet

Zo komen we bij de timing van Gods bevrijdend ingrijpen. Want misschien moet je niet vragen waarom de redding zo laat komt, maar eerder, waarom de redding juist op dat moment komt. Ik vermoed dat de aanzegging van de bevrijding in het verhaal Gods reactie is op de hulpschreeuw van de vrouw (6,26). Voor die schreeuw wordt immers de Hebreeuwse term tsa’ak gebruikt, de technische term voor de noodkreet in de wetten van Mozes: ieder die hem hoort is gehouden, te hulp te komen. De koning, aan wie de kreet gericht is, verwijst bitter naar Jhwh. Zelf kan hij alleen zijn klederen scheuren, al denk ik achteraf dat hij ook de koninklijke paarden had kunnen opofferen. Maar de hulpschreeuw van de vrouw vindt gehoor bij Jhwh, van wie in de Bijbel telkens weer wordt verteld dat hij de oren niet kan dichtstoppen voor de schreeuw van zijn volk. Daarmee wordt opnieuw de hiërarchie van de stad aangetast: doordat Jhwh de vrouw hoort die tot de koning schreeuwt, staat de koning volslagen buitenspel.

Zo is dit verhaal het relaas van een aantal bijzondere coïncidenties: eerst brengt de noodkreet van de vrouw zowel de koning als Jhwh tot een krachtdadig besluit, zodat Elisa van beiden tegelijk een aanzegging krijgt. Dan valt het desperate besluit van de melaatsen samen met de gehoorsillusie van de Arameeërs, zodat de stad ontzet wordt. Tenslotte komt de bewaker van het piramidemodel om in de zondvloed van het volk, een huiveringwekkend samengaan van bevrijding en oordeel - omdat aan het hof onderschat wordt wat Jhwh heeft met het volk daar beneden.



Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht