dr Piet van Veldhuizen
Saul, Saul
Een oud verhaal als eye-opener in Handelingen 9
In de christelijke traditie bedoelen we met het begrip ‘Paulusbekering’ een plotselinge en totale ommekeer als gevolg van een ingrijpende gebeurtenis. Iemand wordt in de vaart van zijn of haar leven stilgezet, bijvoorbeeld door een ongeluk, weet zich door de Eeuwige aangesproken en komt ter plekke tot geloof. In de verhalen gaat het dikwijls om mensen die weliswaar in de traditie zijn grootgebracht, maar voor wie het geloof tot op dat moment geen sturende rol in het leven speelde.
Maar het bijzondere van de bekering van Saulus (of Paulus) in Handelingen 9 is, dat deze man al lang en breed een gedreven gelovige is. Voor de auteur van Handelingen is immers het joodse geloof geen ander geloof dan het christelijke: de omkeer tot Jezus Christus is een bekering binnen het gemeenschappelijke geloof en binnen de kaders van dezelfde heilige traditie. Het gaat dus in Handelingen 9 om de bekering van een gelovige, en iemand heeft ooit gezegd: het bekeren van een gelovige is een heidens karwei.
Dat is actuele materie, want gedreven gelovigen spelen op het huidige wereldtoneel een grote rol. Net als de jonge Saulus zoals hij ons geschilderd wordt, hebben ze veel voor hun geloof over en zitten ze stevig in hun traditionele zadel. Ze twijfelen geen moment aan het gelijk van hun zaak, en ze beschouwen afwijkende stromingen als een gevaar dat bestreden moet worden. Ze zijn begaafd, ze kennen hun heilige teksten, voor hun leraren zijn het dankbare pupillen, hun omgeving is trots op hun ijver en overgave. Saulus trekt radicale consequenties uit zijn geloof in de God van Israël, alsof hij de onverschillige tolerantie van veel medegelovigen moet compenseren. Ik stel me zo voor dat de hogepriester hem hoofdschuddend zijn aanbevelingsbrief meegeeft, met een mengeling van goed- en afkeuring: dit is een jeugdige ijver waar brokken van komen, maar hadden we maar wat meer van zulke studenten...
De spannende vraag is nu, wát de ommekeer van deze jonge ijveraar bewerkstelligt. Ik heb de indruk dat dit effect meestal wordt toegeschreven aan het wonderbaarlijke en overdonderende karakter van wat Saulus overkomt: een fel licht en een stem uit de hemel. De bovennatuurlijke aard van dit spektakel zou Saulus er dan van overtuigd hebben dat de Eeuwige hier in zijn leven ingrijpt. Toch denk ik dat we daarmee het bekeringsverhaal erg afplatten. Lucas, de verteller, geeft ons een aanwijzing die het verhaal veel interessanter maakt en die ook tot nadenken stemt over de manier waarop gedreven gelovigen tot omkeer gebracht kunnen worden.
De stem uit de hemel noemt Saulus, wiens naam consequent Grieks geschreven wordt, uitdrukkelijk bij zijn Hebreeuwse naam: ‘Saoul, Saoul’ (vers 4). Ook als de auteur zijn hoofdpersoon tot tweemaal toe het verhaal laat navertellen, in Handelingen 22 en 26, klinkt weer die dubbel genoemde Hebreeuwse naam. Dat zou een schrijverstrucje kunnen zijn om het verhaal wat couleur locale te verlenen, maar dat is niet waar Lucas in zijn boeken op uit lijkt. Uit steeds meer recente studies blijkt dat de geschriften van Lucas niet alleen afgestemd zijn op een beschaafd Hellenistisch-Romeins publiek, maar ook hecht verankerd zijn in Mozes en de Profeten. Ik ben er dan ook van overtuigd dat Saulus hier met zijn Hebreeuwse naam plotseling in het licht van zijn oudtestamentische naamgenoot wordt gezet – en dát licht opent hem de ogen voor wie hij tot nu toe was.
De Saul uit de Samuel-boeken is de traditie ingegaan als de vervolger van David, de gezalfde van de Heer. Dat is onder meer goed af te lezen aan de Psalmen. Daar komt de naam van Saul vijfmaal voor, telkens in het opschrift dat de situatie beschrijft waarin David de psalm zou hebben gedicht (Ps 18, 52, 54, 57, 59). Saul is daar steeds degene die David naar het leven staat.
De scène op de weg naar Damascus is in dat licht te lezen als een uitgespeeld citaat uit 1 Samuel 26. In dat oudtestamentische verhaal houdt Saul een klopjacht op David, nadat streekbewoners hebben verraden waar hij zich schuilhoudt. Maar David laat met een nachtelijke actie zien dat hij, terwijl hij zelf ongrijpbaar blijft, heel goed in staat zou zijn om Saul te doden als hij dat zou willen. Hij wil daarmee aantonen dat hij van zijn kant geen kwaad in de zin heeft. In 26:18 roept David vanaf een heuveltop naar Saul: ‘Waarom jaagt (lxx hina ti katadiookei) mijn heer zijn knecht achterna?’
Het kan bijna niet anders, of de woorden ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij (ti me diookeis)?’ uit Handelingen 9:4 zijn een vrij citaat bedoeld om bij de bijbelstudent Saulus precies dat tafereel op te roepen, als een verhaal waarin hijzelf op dit moment de kwade hoofdrol speelt. Een nieuwe Saul vervolgt de erfgenaam van David. Wat zojuist nog gelovige gedrevenheid, staat opeens in het licht van de redeloze razernij van Saul, koning op dood spoor.
Dat de stem van boven zich in het gewaad van David hult, hoeft binnen Lucas-Handelingen niet te verbazen, want in beide boeken maakt Lucas uitvoerig werk van de verbinding tussen David en Jezus de Gezalfde (Lucas 18 en 20, Hand. 2 en 13, telkens in relatie tot Psalm 110).
Er zijn trouwens in het Handelingen-verhaal meer associaties met 1 Samuel. De dubbele aanroep ‘Saul, Saul’ doet denken aan het ‘Samuel, Samuel’ uit 1 Samuel 3. En als even later ook Ananias geroepen wordt, antwoordt die als een voorbeeldige leerling alsof hij uit de Septuaginta de woorden van het kind Samuel voorleest: idou egoo, ‘Zie hier ben ik’.
Wat Saulus overkomt, is een soort bibliodrama waarin hij een rol krijgt toegewezen waarin hij zichzelf nog niet eerder had gezien: die van de kwade kracht, de vervolger van de goede hoofdpersoon. De schok is vergelijkbaar met die van David toen bleek dat hij zelf de booswicht was in de parabel over de rijke en de arme man die de profeet Natan hem vertelde (2 Samuel 12). David had zich als vanzelf met het slachtoffer in het verhaal geïdentificeerd, en pas toen hij verontwaardigd de dood van de dader eiste, werd hem duidelijk gemaakt dat hijzelf die rol bezette. Saulus ondergaat zonder voorafgaande waarschuwing een dergelijke perspectiefwisseling, want als vurig joods gelovige zal hij zich in de David-Saulcyclus altijd met de held David identificeren – totdat de Zoon van David hem ontmaskert door hem met een enkel bijbelcitaat in de schoenen van de paranoïde Saul te zetten.
Drie dagen duisternis helpen hem om dat moment van verbijsterend inzicht te laten beklijven. In feite gaan hem de ogen open op het moment dat de duisternis invalt, maar ze kunnen alleen open blijven voor de ware stand van zaken als hij voorlopig niet kan terugvallen in de patronen waaraan hij gewend is. De duisternis moet hem helpen om tot helderheid te komen. Als hij straks weer ziet, zal hij een nieuwe weg gaan met nieuwe loyaliteiten.
Ananias hoort in zijn droom dat juist deze Saulus, de vervolger van Jezus’ leerlingen, een ‘uitverkoren vat’ is om het evangelie de wijde wereld in te dragen. Dat zal niet betekenen dat Saulus nu eenmaal voor zijn roeping is gepredestineerd, en binnen het verhaal komen geen bijzondere eigenschappen van Saulus aan de orde die hem tot zo’n uitverkoren vat (of uitgelezen drager) van de goede boodschap zouden maken. Wat hem voor zijn christelijke missie kwalificeert is volgens mij de omslag zelf: dat zijn eigen gelijk hem zo radicaal ontvallen is. In zijn toespraken en brieven zal zo nu en dan doorklinken dat hij niet zijn eigen gelijk uitdraagt en dat hij de valkuil van zijn eigen gelijkhebberij kent – ook al zal hij zijn gedreven aard nooit verliezen. Het besef dat hij het ooit zo grondig mis heeft gehad en dat evangelieverkondiging dus iets anders moet zijn dan ongeremde gelovige zelfexpressie, behoudt hem voorgoed voor het zelfgenoegzame aplomb waarmee zoveel zendelingen, ook al in zijn dagen, hun eigen boodschap in de weg hebben gestaan.
Onwillekeurig heb ik altijd aangenomen dat Saulus bij zijn bekering of bij zijn doop door Ananias zijn nieuwe naam Paulus ontving. Dat lijkt zo passend: een nieuw begin met een nieuwe naam. Net als Abram/Abraham, Sara/Saraï en Jacob/Israël zou hij een nieuwe identiteit hebben gekregen toen er een streep onder zijn verleden werd gezet.
Maar van zo’n omnoeming is in Handelingen 9 helemaal geen sprake. Lucas heeft het consequent over Saulus tot in Handelingen 13. Daar zegt hij eenmaal ‘Saulus, ook Paulus genoemd’ (Saulos ho kai Paulos), en daarna zal het altijd Paulus zijn. Er wordt geen reden gegeven en de wisseling van naam gebeurt bijna terloops, midden in het verhaal over de confrontatie met Bar-Jezus of Elymas, de joodse magiër op Cyprus. Merkwaardig is wel dat Saulus dan verblijf houdt ten huize van een Romeinse landvoogd die Sergius Paulus heet en die in tegenstelling tot de magiër een verstandig man wordt genoemd.
Het is alsof Lucas het vanaf dat moment in zijn boek niet meer nodig vindt om zijn hoofdpersoon met een joodse naam aan te duiden. Voortaan gebruikt hij de Romeinse (gojse) naam Paulus waaronder de man uit Tarsus misschien altijd al bekend was. Dus niet Saulus ontvangt een nieuwe naam, maar Lucas houdt op hem Saulus te noemen. Die naam heeft zijn werk gedaan: de lezer weet nu wel dat we hier niet met een gojse Romein van doen hebben, maar met een jood die zijn traditie grondig kent; en de rol van Saul die Gods gezalfde vervolgt is definitief afgelegd. In Handelingen 13 profileert een andere jood, Bar-Jezus, zich als tegenstrever van de goede boodschap, en misschien neemt Paulus definitief afscheid van zijn Saul-verleden door deze man met blindheid te slaan zoals de Heer het vier hoofdstukken eerder met hemzelf had gedaan: opnieuw een rolwisseling.
Het bekeren van een gelovige is in het licht van Handelingen 9 geen heidens, maar een bijbels karwei. Het gebeurt door middel van een bekend, ál te bekend verhaal. De gelovige ontdekt zichzelf niet in de rol waarmee hij zich van nature identificeert, maar in de rol van de tegenstander of de booswicht. Naar 2 Samuel 12:7 noem ik dat het ‘gij zijt die man’-effect. In de prediking kan deze vorm van tegendraadse identificatie heel effectief zijn, en ik weet uit ervaring dat je jezelf in bibliodrama lelijk kunt tegenkomen in rollen die je jezelf nooit had toegedacht. De vraag is of het ons lukt om de verhalen uit bijbel, traditie en ‘vaderlandse geschiedenis’ zodanig levend en open te houden dat ze niet alleen rolbevestigend werken, maar dat ze ook ruimte bieden voor Paulusbekeringen. Die bekering zelf organiseer je niet, die gebeurt tussen een mens en zijn God. Maar als Paulus het verhaal van Saul en David niet had gekend, was het niet gebeurd.
Piet van Veldhuizen