CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Geadopteerde ouders
De stamboom van Jezus volgens Matteüs en Lucas

De evangelisten Matteüs en Lucas bieden elk aan het begin van hun boek een ‘stamboom van Jezus’. Matteüs opent er zijn evangelie mee, Lucas sluit er het geboorteverhaal mee af. Matteüs begint bij Abraham, de stamvader van Israël, en kiest voor een vorm die aan de stamlijsten uit Genesis doet denken: A bracht B voort, B bracht C voort, enzovoorts. Lucas doet het andersom en maakt een terugwerkende lijst die van elke naam vertelt van wie hij er een was: ‘Josef van Eli van Mattat van Levi …’ en eindigt met ‘… van Set van Adam # van God’.
Matteüs en Lucas hebben duidelijk elk hun eigen programma. Matteüs vat heel Israëls geschiedverhaal samen in driemaal een dubbel zevental namen. Hij ziet een drieledig verhaal: eerst van de oorsprong in Abraham naar het hoogtepunt in David, dan van David naar het dieptepunt in de ballingschap, en tenslotte van dat dieptepunt naar de openbaring van Jezus in wie oorsprong, hoogte en diepte tot hun bestemming komen. Lucas, die vanaf het begin het verhaal van Jezus naar Rome en naar de einden der aarde wil stuwen, reikt helemaal terug naar Genesis 1, naar God die de eerste mens voortbracht. Zevenenzeventig mensennamen worden tussen Jezus en God genoemd, en per saldo is Jezus ‘(zoon) van God’, maar dan wel inclusief die zevenenzeventig namen. Dat getal staat voor volkomen volheid, alles en iedereen.
Terwijl Lucas volstaat met een strakke lijst van namen, geeft Matteüs hier en daar een toevoeging. Dat is wat meestal bij de stamboom van Jezus wordt opgemerkt: dat viermaal de naam van een vrouw wordt genoemd bij wie de volgende generatie wordt verwekt: Tamar, Rachab, Ruth en ‘de vrouw van Uria’, een bijzonder viertal, twee slachtoffers van vernederend onrecht en twee niet-Israëlitische vrouwen, allen personages in ‘seksueel expliciete teksten’. Maar Matteüs voegt bovendien bij stamvader Juda toe ‘en zijn broers’, om heel Israël in beeld te krijgen; David noemt hij  ‘de koning’ om  het hoogtepunt te markeren; en op het dieptepunt van de Babylonische ballingschap zegt hij bij Jechonja opnieuw ‘en zijn broers’ – misschien om eraan te herinneren dat het ook in de joodse geschiedenis van daarna om heel Israël blijft gaan en niet om een of twee overgebleven stammen.
Wie zou willen dat de stambomen als genealogie geloofwaardig zijn, kan ze beter niet met elkaar vergelijken, want het aantal namen dat in beiden overeenstemt is heel beperkt. Tussen Abraham en Jezus telt Matteüs tweeënveertig generaties, Lucas noemt er voor dat traject zevenenvijftig. Slechts vijftien namen zijn in beide lijsten gelijkluidend. Twaalf namen op het traject van Abraham tot David stemmen overeen; Zerubbabel en zijn vader Sealtiël komen in beide lijsten voor, en datzelfde geldt tenslotte voor Jozef. Maar zelfs over de vader van Jozef zijn Matteüs en Lucas het oneens: volgens Matteüs heet hij Jakob, volgens Lucas is het een Eli.
Matteüs volgt na David de koningenlijn, via Salomo en Rehabeam. Lucas negeert merkwaardig genoeg die hele lijn en voert een Nathan op als zoon van David. Zou hij met de gedachte hebben gespeeld dat de profetie van Nathan de echte verbinding was tussen David en zijn toekomst?
Het is met de twee stambomen als met de twee scheppingsverhalen in Genesis: op het niveau van de feitelijkheid kunnen ze niet beide tegelijk waar zijn, maar ze vertellen elk een eigen, wezenlijk verhaal. Wie alleen op zoek is naar de achterliggende historische realiteit, zal altijd het gevaar lopen, de boodschap van het verhaal te missen.

De meest opvallende eigenschap die de lijsten in Matteüs en Lucas gemeen hebben, is dat ze niet bij Jezus uitkomen. Beide lijsten zijn op hun eigen manier compleet, maar ze lopen via Jozef, van wie ze expliciet aangeven dat hij niet de vader van Jezus is. Matteüs zegt aan het einde van de lijst: ‘Jakob verwekte Jozef, de man van Maria uit wie Jezus voortkwam, die Christus wordt genoemd’. Lucas begint zijn lijst met te zeggen dat Jezus ‘naar men meende de zoon was van Jozef, de zoon van Eli…’. Beide auteurs hadden, als het hun ging om de werkelijke stamlijst van Jezus, een andere oplossing kunnen kiezen. Ze hadden Jezus gewoon als zoon van Jozef kunnen opvoeren, zonder de clausule ‘naar men meende’ of ‘de man van de moeder van’ te gebruiken. Of ze hadden de lijst via Maria kunnen laten lopen. Het kan van beide auteurs niet anders dan een bewuste keuze zijn geweest, om enerzijds de lijst via Jozef te geven, en anderzijds zo te formuleren dat we beseffen, dat ze Jozef niet als de vader van Jezus beschouwen.
Daarmee geven beide evangelisten een narratieve vorm aan wat later het leerstuk van de maagdelijke geboorte zou worden. Ze maken al vertellend en namen-noemend duidelijk dat Jezus wel in een lange stamlijn staat, maar dat hij daarvan niet het product is. Bij Matteüs heeft het bijna iets tragikomisch: driemaal veertien generaties, alle namen zijn genoemd, maar dan kom je nét naast Jezus uit, bij de man die niet zijn vader is. Bij Lucas start de lijst van zevenenzeventig namen bij de vermeende vader – auteur en lezer weten beter. Die hele Israëlitische lijn en die hele mensheidsgeschiedenis komt wel bij Jezus uit – althans wel in het huis waar hij aan het licht komt, maar ze genereert hem niet.
De zeggingskracht van de lijsten is, als ik het goed interpreteer, dat dit de stamboom is die door Jezus wordt aanvaard. De Mensenzoon adopteert een voorgeschiedenis, verbeeld in een lijst van stamouders. In de Lucasversie ontstaat zo de inclusio waarmee God en Jezus die zevenenzeventig namen (en daarmee de mensheid) omarmen: de lijst is niet automatisch sluitend, het vermeende vaderschap van Jozef ondermijnt de logica van de lijst. Het is als het ware Jezus’ keuze om niet zonder al die namen zoon van de Vader te zijn. Hij adopteert een voorgeslacht en bevrijdt daarmee al die generaties van hun doelloosheid.
Dat is niet zomaar een losse gedachte van twee evangelisten: het sluit aan bij tal van motieven in de Hebreeuwse bijbel en in het overige Nieuwe Testament. Jakob gaat volgens Genesis 32 bij de Jabbok het beloofde land binnen, niet als de viriele voortbrenger van een groot volk, maar strompelend met de handen op een pijnlijk kruis. Hij is geslagen op ‘de heupspier die de Israëlieten nog altijd niet eten’, en wie de slachtregels kent, moet wel begrijpen dat het daar niet om de ham gaat maar om zijn lid. Het nageslacht en de toekomst zijn in Israël geen producten van mannelijke kracht, maar geschenken van de Eeuwige. In de rabbijnse exegese bij de verhalen over de aartsmoeders Sara en Rachel wordt er soms op gewezen dat volgens de teksten ‘de Eeuwige hun moederschoot opende’. Normaliter, zeggen sommige vroege joodse uitleggers, opent de man de moederschoot – dus hier is lang voor het verhaal van Jezus sprake van maagdelijke geboorte. Daarbij gaat het telkens niet om biologische feiten, maar om de gedachte dat de toekomst niet door mannen wordt gemaakt maar vanuit de hemel wordt ontvangen. het gaat, per saldo, om een levenshouding die niet door potentie wordt gekenmerkt maar door ontvankelijkheid.
In de synoptische evangeliën komt ook de verwijzing voor naar die eerste zin van Psalm 110: ‘De heer heeft tot mijn heer gesproken…’. Ervan uitgaande dat David de dichter is en dat hij spreekt over de messias als ‘mijn heer’, vraagt Jezus aan zijn tegenstrevers hoe dat zit met de verhouding tussen koning David en de messias: hoe kan de messias tegelijkertijd Davids zoon en Davids heer zijn? De stamlijsten van Matteüs 1 en Lucas 3 geven op die vraag een vertellend antwoord. David wordt genoemd als stamvader van Jezus, maar de keten is niet sluitend: als Jezus niet zelf de stamlijn adopteert, treft de lijn geen doel. David wordt als stamvader erkend, niet omdat zijn koninklijke potentie vanzelf de messias heeft opgeleverd, maar omdat hem dit stamvaderschap wordt verleend. Jezus is een Godsgeschenk, en als zodanig hij neemt heel Israël (Matteüs) en heel de mensheid (Lucas) op in zijn verhaal.


Marcus 12:35-37; Matteüs 22:41-46; Lucas 20:41-44.