CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

De stier en het lam

De stier is de meest krachtige versie van het rund, het lam is de meest kwetsbare uitgave van het schaap. Zo zijn ze elkaars tegenpolen binnen de orde der herkauwers. Piet van Veldhuizen gaat hun bijbelse sporen na.

Schapen en runderen hebben veel gemeen, ook als je ze door een bijbelse bril bekijkt: ze staan als ‘grote huisdieren’ tegenover het wilde gedierte, ze worden in kuddes gehoed, het zijn herkauwers met gespleten hoeven en dus reine dieren. Ze leveren melk, vlees en huiden, en in groten getale vormen ze het bezit van menig gezegend mens. Ze worden geslacht voor belangrijke gasten en geofferd aan de Eeuwige.

Maar er is ook een belangrijk contrast in de bijbelse beeldspraak, namelijk tussen de stier als exponent van briesende, naar buiten gerichte kracht, en het lam als exponent van stille weerloosheid. Het beeld van de stier wortelt diep in de tradities van de volkeren van de Mediterrane regio. Overal stuit je daar in oude afbeeldingen op de horens, de koppen en de stierbeelden. De stier staat voor ontembare lust, viriele kracht die zijn wil aan het zwakkere oplegt, vruchtbaar makende heerschappij. We komen hem tegen in de mythische Minotaurus van Kreta, de stierkalf-beelden van Jerobeam, de stierengevechten van het westelijke bekken. De stier belichaamt het goddelijke recht van de sterkste, de heroïsche zelfverwerkelijking waaraan al wat zwakker is zich heeft te onderwerpen. De stier als alfa-mannetje verbeeldt ook de perverse verbinding van seksualiteit en heerschappij die we in de bijbelverhalen rond het koningschap altijd weer tegenkomen.

De bijbelse traditie is een krachtige tegenbeweging die pleit voor dienende heersers en voor een zorgzaam leiderschap, en die het heroïsche ideaal van de krachtpatser telkens weer bespot en ondersteboven zet. De ideale leider is niet de cowboy die zich met de stier meet, maar de herder die zorg draagt voor de schapen. Zo ontstaat het beeld van het volk als kudde en de kwetsbaren als lammeren. De dichter van Psalm 23 tekent zichzelf in de eerste helft van het lied impliciet als schaap in Gods kudde. In Jesaja 53 wordt de zwijgende meegaandheid waarmee een schaap zich naar de slacht laat leiden of laat scheren, gebruikt als typering voor de hulpeloze eenzaamheid van de Dienaar van JHWH. Het beeld culmineert in Openbaring in de verbeelding van de verheerlijkte Christusfiguur als het gekeelde bokje: geen heroïsche overwinnaars-pose, maar een toonbeeld van volgehouden kwetsbaarheid en incasserende bewogenheid.

De tegenstelling tussen stier en lam betreft niet de beide diersoorten in het algemeen. Bij de runderen heeft de os als vanzelfsprekend niets van de viriliteit van de stier: hij is een goede dommekracht, een betrouwbaar trekdier. Ook met runderen als offerdieren is niets mis.

In het kamp van de schapen en geiten treedt de ram of de bok soms op als ontregelende boosdoener, bijvoorbeeld in de breed uitgewerkte schapenmetafoor van Ezechiël 34 (zie vs 17-24), in Zacharia 10 en in het oordeelstafereel van Matteüs 25.

Wanneer, historisch gezien, de oppositie tegen de stier als krachtsymbool is ontstaan, is niet zomaar na te gaan. In de tempel van Salomo is nog wel stier-symboliek te vinden: het grote wasvat wordt door twaalf bronzen runderen gedragen (1 Kon 7:23-26). Als Jerobeam kort na Salomo’s bewind nieuwe heiligdommen inricht en daar stierkalf-beelden plaatst, vertelt het verhaal niet dat het om andere goden gaat: ze zijn bedoeld als beelden van Israëls God. De profetische traditie heeft de God van Israël steeds scherper onderscheiden van de krachtgoden van de volkeren, maar in de tempeldienst spoken nog schimmen van de algemene stiercultus. Ook de altaarhorens zullen wel verwant zijn aan de runderhorens die je overal in de wijde regio als krachtsymbolen terugvindt.

Ik vergelijk het symbolische contrast tussen de stier en het lam graag met de twee basisrichtingen waarin binnen de samenleving het mes wordt gehanteerd: het ‘altijd van je af’ waarmee vooral mannen het mes als wapen hanteren, en het ‘naar je toe’ waarmee een traditionele moeder het brood voor de borst snijdt en de aardappelen schilt.

Er kan ook een parallel worden getrokken met een ander bijbels dierenpaar, namelijk het paard en de ezel. Zo nauw verwant als ze in onze ogen zijn, het paard is in bijbelse termen een oorlogsmachine, en de ezel een drager van vrede. Het paard komt voornamelijk in militaire context voor, het wordt niet geassocieerd met fijnzinnige adeldom maar met onstuitbare overmacht. De ezel daarentegen is een geduldig dragend dier, rijdier voor de zachtmoedige koning.

Als de bijbelse schaal loopt van dierbaar naar beestachtig, zijn het lam en de ezel dierbaar, het paard en de stier beestachtig. Met die kwalificaties worden geen dieren, maar mensen beoordeeld: het zijn typeringen van manieren waarop mensen in het leven staan. De dieren hebben daar gelukkig geen weet van, en gaan alle vrijuit.

Piet van Veldhuizen