Waarom heb je mijn goden gestolen?

Rachel en de terafim in Genesis 31
Verschenen in Interpretatie van januari 2004

Terug naar het overzicht


Het is voor ons als moderne lezers maar moeilijk te verteren, dat we nooit echt zullen weten wat Rachel nu precies verstopte onder haar kameelzadel. Bij een rondgang langs bijbelse encyclopedieën en handboeken ben ik weliswaar prachtige foto’s van terafim tegengekomen. “De terafim op deze foto komen uit opgravingen in Mesopotamië en bevinden zich nu in het Louvre te Parijs”, lees ik in een aflevering van De Bijbel, in de zeventiger jaren uitgegeven door de Geïllustreerde Pers. Maar het is nogal willekeurig om de getoonde beeldjes terafim te noemen. Het begrip komt een aantal keren in de Bijbel voor, maar de vraag is of het elke keer om precies hetzelfde gaat. We krijgen nu eens de indruk van godenbeelden, levensgroot (1 Sam 19,13) of veel kleiner (Gen 31,34), dan weer van liturgische voorwerpen die een rol spelen bij waarzeggerij (Ez 21,26, Zach 10,2) of anderszins bij de eredienst: ze worden meermalen in één adem genoemd met de efod als liturgisch voorwerp (vijfmaal in Ri 17-18, cf ook Hos 3,4).

De nieuwsgierige lezer zal zich ermee moeten verzoenen, dat in Genesis 31 alle aandacht gaat naar de actie en de spanning die daardoor tussen de personages ontstaat. De terafim kunnen daarin een rol spelen omdat ze Labans ‘goden’ zijn, klaarblijkelijk een zeer wezenlijk familiebezit. Maar ze vragen in het verhaal geen aandacht voor zichzelf, ze blijven zonder vorm of uitdrukking, sterker nog: ze blijven onzichtbaar, verborgen.

De kwestie van de gestolen terafim wordt in het verhaal heel spannend uitgewerkt. Dat Rachel ze wegnam, is in vers 19 in één korte zin gemeld, zonder opgaaf van redenen of verder omhaal. Dan komt de vlucht, de achtervolging, en een lange tirade van Laban tegen Jakob, die over heel andere dingen gaat, maar dan tóch abrupt eindigt met de vraag: “waarom heb je mijn goden gestolen?”.

Jakob, die niet weet wat de lezer weet, neemt op een pathetische manier afstand van de diefstal door de dief, wie het ook is, ter dood te veroordelen. Daarna wordt de zoektocht van Laban verteld, met perfecte suspense: eerst de tent van Jakob, dan de tent van Lea, dan de tent van de twee dienstmeisjes - het woord “tent” wordt steeds herhaald zodat we tergend langzaam dichterbij komen. Maar hij vindt niets. De laatste beweging wordt ook nog opgerekt: “Toen ging hij de tent van Lea uit, en hij kwam in de tent van Rachel” (vers 33). Daar speelt zich het tafereel af waarbij Rachel, suggererend dat ze ongesteld is, op de plek blijft zitten waar de terafim verborgen zijn terwijl haar tent doorzocht wordt.

Rachel verdwijnt uit het centrum van de aandacht doordat Jakob, nog altijd onwetend, zich dermate opwindt over de huiszoeking, dat hij Laban alle verwijten maakt die zich bij hem hebben opgehoopt. Uiteindelijk zullen beiden na een heftige woordenwisseling een verbond met elkaar sluiten. Omdat alles dan goed is afgelopen, verdwijnt het drama rond Rachels daad gemakkelijk op de achtergrond. Maar de vraag blijft, wat ze deed toen ze de terafim meenam, en wat er gebeurde toen ze die met een list voor haar vader verborgen hield.


Rachels daad is in de Joodse exegese zeer uiteenlopend geduid. Volgens Midrasj Genesis Rabba maakt de Tora er melding van omdat het een daad uit edele motieven was: Rachel wilde ervoor zorgen dat haar vader niet in afgoderij zou vervallen en nam daarom de afgoden mee. Misschien, zo vullen anderen aan, was ze in de tent werkelijk ongesteld en ontwijdde ze doelbewust haar vaders goden door erop te gaan zitten. Andere Joodse uitleggers menen dat Rachel wilde voorkomen dat Laban hen na hun vlucht op het spoor zou komen met behulp van de waarzeggende kracht van de terafim. Maar er zijn ook uitleggers die erop wijzen dat Rachel met haar daad de vloek van Jakob over zich afroept, die met haar ontijdige dood in vervulling zal gaan. Dat zou erop wijzen dat Rachel niet uit edele motieven handelde, maar zelf de bescherming van de huisgoden zocht. Weer anderen hebben geopperd dat Rachel wellicht, door de huisgoden als stamsymbolen mee te nemen, de erfopvolging in Labans familie voor Jakob claimt.


Maar al deze speculaties dreigen de aandacht af te leiden van wat het verhaal zélf vertelt. Volgens het verhaal gaat de actie van Rachel gelijk op met een analoge actie van Jakob. In de Hebreeuwse tekst van de verzen 19-20 wordt voor beide hetzelfde werkwoord ‘stelen’ gebruikt: “En Rachel stal de terafim die van haar vader waren; en Jakob stal het hart van Laban de Arameeër”. De Hebreeuwse uitdrukking ‘iemands hart stelen’ betekent niet dat je iemands sympathie wint, maar dat je iemand de kans ontneemt om te reageren - dus dat je hem misleidt, op het verkeerde been zet. Volgens het verhaal doen dus Rachel en Jakob allebei iets heimelijks ten nadele van Laban. Maar wat ze tegelijkertijd doen, doen ze niet samen. De lezer is van beider actie op de hoogte, maar Jakob weet niet wat Rachel doet. Wat hier in twee parallelle zinnetjes samen op gaat, leidt zodoende tot het dramatische moment waarop Jakob onwetend een doodvonnis over Rachel uitroept. Beide zijn, ook in de manier waarop het verteld wordt, volstrekt van elkaar geïsoleerd. Ze communiceren ieder met Laban, die ze beiden als een bedreiging ervaren en op afstand willen houden, maar ze communiceren niet met elkaar.

Je zou het stelen van de terafim kunnen lezen als een daad waarmee Rachel haar plaats in Jakobs onderneming inneemt. Ook haar handelwijze tijdens de huiszoeking past daarbij: met steelsheid en misleiding treedt ze in de voetsporen van haar man. Het zou rechtvaardig zijn als ze daarvoor in het verhaal beloond werd, maar in plaats daarvan raakt ze volstrekt geïsoleerd. Er wordt geen knipoog tussen Jakob en Rachel gewisseld, Jakobs dodelijke oordeel wordt niet herroepen, beide worden ook aan het eind van het verhaal niet meer bij elkaar gebracht. Het is dat Laban in 32,1 zijn dochters vaarwel kust - anders had Rachel in de verbeelding van de lezer ook dan nog steeds, als verstard, op dat zadel in haar tent gezeten.

De tragiek van Rachel lijkt te passen in het beeld dat alle verhalen van haar geven. In het verhaal waar we haar hebben leren kennen, over haar ontmoeting met Jakob bij de waterput (Genesis 29), komt ze geen enkele keer sprekend voor. Jakob, de herders en Laban wisselen woorden, maar zij komt en gaat, laat zich toespreken en leent haar schouder voor Jakobs tranen, rent voor hem, wordt bemind, uitgehuwelijkt en door haar zuster gepasseerd, alles zonder dat haar stem in het verhaal klinkt. Het begint met een zware steen die Jakob voor haar van de put haalt, maar het lijkt alsof die steen er wat haar betreft tóch altijd op is blijven liggen.

In het verhaal over de geboorten van de twaalf kinderen1 komt Rachel aan het woord en neemt ze initiatieven, maar de communicatie komt niet goed tot stand. Beide keren dat ze iemand aanspreekt, wekken haar woorden wrevel (30,1 en 30,14). De initiatieven die ze neemt om een kind te krijgen, pakken ongelukkig uit: als ze haar dienstmeisje als draagmoeder aan Jakob geeft, doet Lea hetzelfde; als ze Rubens liefdesappeltjes van Lea koopt, krijgt als gevolg van de transactie niet Rachel, maar opnieuw Lea kinderen.

Als Rachel eindelijk een kind heeft, besluit Jakob dat het tijd is om te vertrekken naar zijn eigen land (30,25). Het verhaal vertelt hoe Jakob zich vanaf dat moment uit Labans bezit een eigen veestapel verwerft. Als de situatie door verslechterende verhoudingen onhoudbaar wordt, besluiten Jakob en zijn vrouwen om er onaangekondigd vandoor te gaan. Het beraad over dit vertrek wordt uitvoerig weergegeven (31,4-16). Jakob overtuigt de vrouwen onder meer door een Godswoord dat precies zeven woorden telde (vers 3) uit te breiden tot een omvangrijke openbaring (verzen 11-13). Terwijl de Eeuwige alleen had gezegd: “Keer terug, Ik ben met je”, claimt Jakob in zijn betoog dat God achter de manier stond waarop Jakob zijn bezit aan Laban had ontfutseld. Dat is een belangrijk gegeven, want in Rachels reactie (14-16) blijkt dat het bezit ook voor haar een gevoelig thema is. Dat het bezit van Laban grotendeels op Jakob is overgegaan, is voor Rachel geen reden tot vreugde, want het is niet op een eervolle manier gegaan. In haar woorden klinkt door dat zij zich door de ontluisterende gang van zaken verkwanseld voelt. Jakob heeft al eigenhandig bezit genomen van datgene wat zijzelf in het huwelijk had kunnen inbrengen. Rachel kiest voor Jakob en stemt in met het vertrek (16), maar ze gaat weg als een benadeelde en ontheemde, niet als een winnares. Ze is door de gang van zaken van haar thuis beroofd nog voordat ze vertrokken is.

In dit verband is het denkbaar dat Rachel met de terafim vooral iets eigens meeneemt: iets dat haar identiteit fundeert of dat haar verloren thuis vertegenwoordigt. De huisgoden zouden in dat geval functioneren als ‘knuffels’, als transitional objects2 voor deze vrouw die haar thuisbasis door haar vader ondermijnd ziet, en die op weg moet in een polygaam gezin waarin ze met haar éne kind naast haar kinderrijke zuster nauwelijks een veilige positie heeft.

Maar het bezit van de terafim levert Rachel in het verhaal geen houvast of veiligheid op. Doordat het een steels bezit is, isoleert het haar zowel van haar vader als, op het kritieke moment van de huiszoeking, van de man die haar bemint maar die haar onwetend prijsgeeft met zijn vervloeking. Door de vervloeking is er voor haar op dat moment geen weg terug. Ze kan vóór of tijdens de huiszoeking geen opening van zaken geven, al was het maar omdat ze Jakob daarmee in aanwezigheid van Laban voor een onmogelijk dilemma zou stellen. De grens die Laban en Jakob verderop in het verhaal trekken, waardoor Rachels voorland voorgoed gescheiden wordt van haar achterland, bevestigt alleen maar wat zich voor haar met het terafim-drama al heeft voltrokken: er is geen weg terug, terwijl er voor haar nauwelijks sprake is van een goed vooruitzicht.

Op de terafim wordt in het verhaal niet meer teruggekomen. Wel is er later, kort voordat over Rachels dood wordt verteld, sprake van dat Jakob alle ‘vreemde goden’ van zijn gezin invordert om ze onder de eik bij Sichem te begraven (35,2-4). In de traditie wordt dat wel als het moment gezien waarop Rachel ook afstand doet van haar terafim. Hoe dit ook zij, het zou passen in het beeld van Rachels tragiek als ze ook dat verlies nog moest lijden.

Dat Rachel, ondanks het feit dat ze Jakobs beminde is, zich met haar woorden en daden op een tragische manier isoleert, wordt schrijnend bevestigd in het verhaal van haar dood. De laatste woorden die ze spreekt terwijl ze sterft, moeten door Jakob tegengesproken worden. Rachel noemt de zoon aan wiens geboorte zij bezwijkt, Ben-oni (ongelukskind), maar Jakob kan die beschikking onmogelijk eerbiedigen. Door het kind van zijn geliefde Benjamin te noemen, eert hij haar gedachtenis maar zet hij ook een streep door haar laatste woorden.

Ook het graf van Rachel symboliseert haar isolement. Abraham, Isaak en Rebekka, Lea en Jakob worden alle begraven bij Mamre in het graf van de aartsvaders en -moeders. Jakob zal op zijn sterfbed aan Jozef het verhaal van Rachels begrafenis vertellen, maar hij zal beschikken dat hijzelf bijgezet wordt waar hij Lea heeft begraven. Het graf van Rachel ligt eenzaam elders, aan de weg. Joodse ballingen van vele eeuwen hebben daar troost uitgeput, omdat hun eigen klacht weerklank vindt in de klacht van Rachel.

Het is het verhaal van een huiveringwekkend ontheemde vrouw, bemind door haar man maar toch volstrekt alleen. Alles wat ze gezegd en gedaan heeft, lijkt zich tegen haar te hebben gekeerd. Dat zo’n gestalte als aartsmoeder wordt erkend en gekoesterd, getuigt van respect voor haar tragiek, waarin ook vandaag maar al te veel mensen hun eigen moeizame lot herkennen.


Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl

1Zie mijn eerdere artikel in de vorige aflevering van Interpretatie.

2Dit is een term uit de ontwikkelingspsychologie van D. Winnicott, waarmee wordt aangegeven dat de knuffel voor een kind een tijdelijk houvast is in de moeilijke overgang naar een onafhankelijk bestaan.

Terug