|
Vrije tijd,
bevrijde tijd |
Er zullen niet veel abonnees zijn die dit tijdschrift helemaal doorlezen. Daar hebben we eenvoudig de tijd niet voor. Nu niet althans – en tegen de tijd dat we er misschien gelegenheid voor zouden hebben, ligt het volgende nummer alweer in de bus. Anderzijds kan het lezen van een artikel dat je aandacht heeft getrokken, je even helemaal weghalen uit de stroom van de tijd. Zo is een krant of tijdschrift soms een welkom onderduikadres, waar je in een absoluut nu vertoeft. Totdat de telefoon gaat, of je opeens te laat blijkt te zijn voor een afspraak.
Het feit dat er een HBO-studie ‘vrijetijdskunde’ bestaat, suggereert dat wij veel vrije tijd hebben. Met ‘vrij’ wordt dan bedoeld: nog niet ingevuld, beschikbaar om besteed te worden. Het idee achter zo’n studie moet wel zijn dat we een probleem hebben als we met vrije tijd blijven zitten. Wie teveel open plekken in de agenda heeft, is een loser. We zijn in al onze bezigheden op zoek naar tijdsbesparing (Nu nog sneller) en we vullen de uitgespaarde tijd met tijdverdrijf (Nu nog leuker). Daarom is er alle reden om stil te staan bij een andere kwalificatie van vrije tijd.
Enkele jaren geleden organiseerde ik samen met dr. Paul van Geest een aantal cursussen over time-management en eigentijdse levensordening. Aanvankelijk lieten we ons leiden door teksten van Thomas à Kempis, later werd de orderegel van Augustinus onze leidraad. We probeerden de praktische omgang met tijd en tijdsindeling te verbinden met de spirituele vragen over persoonlijke vrijheid en zelfverwerkelijking in gemeenschap met anderen, met God en met de schepping. Onder ‘vrije tijd’ verstonden we een nu waarin je er zijn mag, waarin je het leven ervaart als een kostbaar geschenk.
Bij het doornemen van onze dagtaken en weekschema’s raakten we ervan onder de indruk, hoe zwaar ons ‘nu’ doorgaans belegerd was door de agenda, door plannen en verplichtingen. Gek genoeg gold dat zowel voor de werkenden als voor de baanlozen in de cursusgroepen. Verleden en toekomst zuigen alle ruimte uit het nu weg. Het verleden achtervolgt ons en de toekomst sleurt ons vooruit. Er moet van alles en de klok tikt door. We zijn voortdurend bezig met de toekomst: plannen, dingen die op tijd af moeten zijn, vakanties die voorbereid moeten worden. Tegelijkertijd speelt het verleden ons parten: we zijn opgevoed met een bepaald plichtsgevoel, we zijn allerlei verplichtingen aangegaan (er komen er doorgaans meer bij dan er afgaan), dingen die ons overkomen zijn spoken rond in het nu. Zo bezien is vrije tijd, tijd waarin je er gewoonweg zijn mag, een uiterst schaars goed. Het veronderstelt een vrij mens, en dat zijn we meestal slechts in beperkte mate.
Op een gegeven moment vroegen we onze cursisten om aan te geven, op welke momenten tijdens een gewone doordeweekse dag ze de ervaring hadden dat ze voluit in het nu leefden, dat ze er helemaal waren, als een vrij mens die leven mag. Er werden mooie voorbeelden genoemd. Sommigen bleken rituelen te hebben die ze als een heilig eiland in de dag in acht namen, zoals het maken en opdrinken van een kopje espresso op een vast tijdstip, het ongestoord lezen van de krant of het nemen van een bad. Anderen beleefden momenten van absolute vrijheid als ze zich opgenomen wisten in de natuur, ontheven aan de dagelijkse beslommeringen. Zintuiglijkheid bleek een grote rol te spelen: overgave aan geuren, kleuren, muziek. Nu ik het opschrijf lijkt het allemaal zo vanzelfsprekend, maar voor de deelnemers was het soms een openbaring dat ze met deze ervaringen raakten aan de essentie van het leven als geschenk. Wat ze vanuit hun opvoeding of levensstijl dikwijls hadden gezien als ledigheid, bleek volheid te zijn die alles te maken heeft met het geloof, met vrijheid en genade.
Als er gevraagd wordt naar een bijbelse kwalificatie van vrije tijd, denken we al gauw aan de sjabbat. Dat is in de Schriften het heilige ritueel waarmee weerstand wordt geboden tegen de belegering van alles wat in het leven noodzakelijk is. Het is een dag van geschonken leven temidden van alle dagen waarin je het leven allesbehalve cadeau krijgt. Het is een eiland van rust in de wereld van het werk, een pauze die de keten van verplichtingen onderbreekt. Volgens het scheppingsverhaal van Genesis 1 is het een imitatio Dei, waarin we na gedane arbeid tot ons laten doordringen dat het leven goed is.
De sjabbat is een kostbaar ritueel, maar ze deelt in een beperking waaraan alle rituelen onderhevig zijn. Ze veronderstelt de vrijheid van de mens die de sjabbat houdt. Als ze niet in vrije overgave wordt beleefd, vervalt de volheid waaraan het Hebreeuwse woord sjabbat herinnert tot de ledigheid die voor veel mensen het Hollands-protestantse ‘zondagsgevoel’ kenmerkt. Het ritueel van de afgezonderde dag levert dan geen vrije tijd op, maar opnieuw belegerde tijd, omgeven met allerlei moeten en niet-mogen. In plaats van een intens ervaren nu is er dan een overmaat aan tijd die hoe dan ook doorgebracht, verdreven moet worden. In de Nederlandse discussie over de zondagsrust spelen herinneringen aan zulk tijdsbesef telkens weer hun rol. Vrije tijd die niet met persoonlijke vrijheid is gevuld, is loze ruimte omgeven door klokslagen. Dat mensen van die plichtmatig lege uren af willen, is begrijpelijk. Maar in plaats van het ritueel af te schaffen, zouden we ook op zoek kunnen gaan naar de existentiële vrijheid waarmee het tot zijn bestemming kan worden gebracht.
Over existentiële bevrijding in een geprononceerd nu lezen we in Johannes 4, waar Jezus een Samaritaanse vrouw ontmoet. Het gaat daar natuurlijk niet over time-management of levensordening. Maar het gaat er wel op een kernachtige manier over eigen vrijheid ten overstaan van uiterlijke belemmeringen, en ook over de geldigheid van het nu tegenover de claims van de tijd.
In de dialoog tussen Jezus en de vrouw komt een heel aantal dingen ter sprake die het leven van de vrouw bepalen en beperken. Er zijn beperkende omgangsregels voor haar als vrouw, en voor de Jood die eigenlijk helemaal geen toenadering zou moeten zoeken tot haar als Samaritaanse. Er is de traditie die haar op een bijzondere manier bindt aan deze put en aan de berg Gerizim, en daarmee ook aan bepaalde posities in de conflicten rondom die gewijde plaatsen. Dan is er haar persoonlijke verleden waarover we nauwelijks iets aan de weet komen, maar als er verbintenissen met vijf of zes mannen in meespelen moet het hoe dan ook een beladen verhaal zijn dat haar leven in het heden stempelt. Tenslotte zijn er de moeiten van het dagelijks bestaan, verwoord in het steeds maar moeten komen om water te putten. Om het niet al te zeer te dramatiseren, zullen we het erop houden dat haar bestaan net zo bezet is met plichten, conventies en voldongen feiten als het onze.
De dialoog zelf vormt temidden van dat bezette leven een intens nu. Verhaaltechnisch is de dialoog een middel om ook bij de hoorder zo’n nu-ervaring op te roepen: terwijl in het verhaal voor en na het gesprek de handelingen en verplaatsingen in enkele zinnen worden geschetst, vallen in de dialoog verteltijd en vertelde tijd samen, zodat we er als het ware helemaal bij zijn. De intensiteit van het moment wordt door diverse dingen versterkt. In vers 8 wordt met het vertrek van de leerlingen benadrukt dat Jezus en de vrouw zonder getuigen samen zijn. Jezus lijkt de ruimte die daardoor ontstaat direct te benutten door een vraag te stellen waarvoor binnen de geldende conventies geen plaats is. Er ontstaat een gesprek waarbinnen de spanning van de ontmoeting tussen man en vrouw en tussen Jood en Samaritaanse voortdurend levend wordt gehouden. Er is een aantal momenten waarop de vrouw het gesprek had kunnen afbreken, maar de vrouw houdt uitdrukkelijk vast aan het nu van deze ontmoeting. Het duidelijkst is dat het geval in de verzen 16-17. Jezus heeft daar de vrouw opgedragen om haar man te gaan halen. Die opdracht heeft in meerdere opzichten iets uitdagends. Ten eerste speelt Jezus het balletje terug dat de vrouw met haar eerste uitspraak heeft opgeworpen: als hij, de Joodse man, haar als Samaritaanse vrouw niet om water had mogen vragen (vers 9), moet zij ook maar haar man halen nu zij op haar beurt water van hém wil hebben (vers 15). Ten tweede vraagt hij van haar om weg te gaan en met haar man hierheen (enthade) te komen, terwijl zij juist heeft gezegd dat ze zijn levend water hebben wil om niet telkens hierheen (enthade) te moeten komen. Om niet heen en weer te hoeven, zou ze heen en weer moeten. Maar de vrouw besluit te blijven. Haar uitspraak dat ze geen man heeft is in de eerste plaats een weigering om het gesprek af te breken dat haar in de ban heeft gekregen. Zo wordt de volgehouden ontmoeting tot een onthullend nu.
Het woordje nu heeft dan nog niet geklonken. Dat komt pas ter sprake als het over de ware aanbidding gaat, die in Jezus’ woorden niet door traditionele waarheden maar door persoonlijke waarachtigheid wordt bepaald. Dat element van persoonlijke waarachtigheid verbindt de ogenschijnlijk afstandelijke kwestie van de plaats der aanbidding met het onthullende moment ervóór, waar Jezus de vrouw confronteerde met de waarheid die achter haar woorden schuilging (vers 17). ‘Het uur komt’, zegt hij eerst, dat op geen van beide traditionele aanbiddingsplekken aanbeden zal worden. En even later: ‘Het uur komt en is nú’, dat de waarachtige aanbidders in geest en waarheid aanbidden. Het lijkt alsof de vrouw dat dwingende ‘nú’ nog even op een afstand wil houden door te verwijzen naar openbaring die nog komen moet, maar daarmee geeft ze Jezus de gelegenheid om zijn ultieme openbaringswoord te spreken: ik ben het (ego eimi), degene die met jou spreekt. Een intenser nu dan dat moment is niet denkbaar. Een weerwoord, waarmee dat moment onherroepelijk gerelativeerd zou worden, volgt niet meer. De volgende zin plaatst ons terug in de gewone tijd: ‘op dat moment kwamen zijn leerlingen eraan’.
Het intense heden, ontheven aan de belegering van de tijd, wordt hier gekwalificeerd als een moment van alzijdige openbaring. De vrouw wordt geconfronteerd met wie zijzelf is én met wie zij tegenover zich heeft. Zelfkennis, kennis van de Christus en Godskennis vallen in dit intense nu samen als één existentiële, bevrijdende waarheid. Het ego eimi van Jezus brengt voor de vrouw bijeen dat de Eeuwige is wie Hij is én dat zijzelf is wie zij is. Ze gaat er na die woorden van Jezus vandoor, maar gedreven door de ervaring dat ze er in Gods gekomen uur zijn mag. Ze spreekt in de stad de onbevangen woorden dat die man bij de put haar alles heeft gezegd wat zij heeft gedaan. Niemand weet wat zij zich daarbij voorstelt, maar ze demonstreert ermee hoe bevrijdend dat openbaringsmoment is geweest.
Als we de dialoog volgen moeten we constateren dat de ontmoeting tot haar ontknoping kon komen doordat de Samaritaanse verschillende keren het besluit nam, de ontmoeting niet af te breken maar vol te houden. Ze was vastbesloten om het nu van die ontmoeting te laten duren tot het zijn volheid had bereikt, hoe confronterend dat ook voor haar was.
Het lijkt vergezocht om deze ontmoeting als ‘vrije tijd’ te kwalificeren. Maar als we besloten hebben dat voor het genieten van vrije tijd persoonlijke, existentiële vrijheid nodig is, kan de ontmoeting in Johannes 4 wel als model dienen van een bevrijdend nu temidden van alles wat ons bestaan belegert of bezet houdt. Alle tijdverdrijf dat dient om deze ultieme confrontatie uit te stellen, zou eerder lege tijd dan vrije tijd moeten heten.
Jezus proclameert in Johannes 4 de vrije en waarachtige aanbidder en zet daarmee de ware aanbiddingsplek, in rituele zin, op het tweede plan. Zo gaat het ook in de eerste plaats om de vrije mens en pas daarna om de vrije dag. Maar vrijheid heeft wel vormgeving nodig, wil ze niet verdampen. De bijbelse sjabbat en de christelijke zondag zijn belangrijke modellen van zulke vormgeving, waarvan echter telkens gevraagd zal moeten worden, in hoeverre ze aan hun doel beantwoorden. Ze bieden, als het goed is, ruimte aan de ervaring van het intense nu waarin ik er mag zijn in aanwezigheid van de Eeuwige, Degene die is.
We lijken daarmee vér af van de nu-momenten waarmee dit artikel begon: een bad of een kopje espresso. Toch kunnen beide uitersten, als momenten van de genade ‘er in dit ogenblik te mogen zijn’, heel dicht bij elkaar komen. Men zegt wel dat geur ons het meest intens in het heden aanwezig laat zijn: een staafje wierook, een betoverend parfum, een goede sigaar, de geur van het bos na een regenbui. Het is daarom treffend dat Augustinus zijn leefregel besluit met een samenvattend artikel waarin schoonheid en geur, vrijheid en genade samenkomen:
De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid, dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende geur van Christus verspreidt. Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade (Regel van Augustinus VIII,1).
Piet van
Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl