Vuur tussen de oren
Pinksteren en de steekvlam te Moerdijk.
Artikel, verschenen in het tijdschrift Interpretatie van september 2002, blz 17-18.

Terug naar het overzicht

Als Johannes de Doper de komst van de Christus aankondigt, schildert hij beelden van verzengend geweld: vruchteloze bomen worden in het vuur geworpen, en het kaf dat van het koren is gescheiden, wordt verbrand met "onblusbaar vuur" (Matt.3,10-12). Het moet voor de Doper een ontnuchtering geweest zijn, dat de Christus kwam als een weerloze, die tegen alle doe-het-zelf regels in het mes van het oordeel niet van zichzelf af, maar naar zichzelf toe hanteerde. Ook het vuur van zijn Geest vertoonde zich volgens het Pinksterverhaal in Handelingen niet verzengend en verterend. Evenals het vuur in de braambos van Exodus 3 gaf het blijk van Gods geduld - struik en pruik bleven er heel bij. Onblusbaar vuur - niet omdat er geen blussen aan is zoals de Doper dacht, maar omdat het van een andere orde is. Het is gedoopt vuur, en daar heeft water geen vat meer op.

De jongeren in mijn gemeente stellen bij de bijbelverhalen steevast vragen die cirkelen rond het "feitelijk-gebeurd-zijn". Naar Pinksteren toe denkend weet ik de eerste vraag al: Hoe kan dat nou, vlammen op die hoofden? Zodoende moest ik weer denken aan die ene steekvlam te Moerdijk.

Het was tien jaar geleden, op een vroege ochtend. Op een zeeschip in de haven van industrieterrein Moerdijk vond een explosie plaats in de voorste ankerruimte, waardoor de hele boeg aan flarden werd geslagen. Eén van de dertie Poolse opvarenden werd gedood - de machinist die zich op het voordek bevond vloog door de ontploffing letterlijk de lucht in. Omdat ik in de buurt woonde, en de waterpolitie wist dat ik Pools spreek, werd ik aan boord gebracht om als pastor met de bemanning te praten. Later op de dag was ik als tolk bij de opname van getuigenverslagen betrokken.

Ik weet niet hoe vaak ik op die dag het verhaal heb gehoord, van verschillende mannen afzonderlijk: de machinist was naar voren gelopen omdat iemand hem was komen vertellen dat het niet goed ging in de ankerruimte. De machinist werd "de adelaar" genoemd, het was een man die ontzag inboezemde, iemand die zijn verantwoordelijkheid nam. Verschillende anderen zagen hoe het gebeurde: hij was er bijna, toen een enorme steekvlam uit de boeg omhoogschoot. Een oorverdovende knal. De adelaar werd omhooggeslingerd en viel dood op het dek terug.

Een paar dagen later hadden we een afscheidsdienst aan boord, waarvoor de tweede machinist het verhaal in heroïsche bewoordingen had uitgeschreven. De steekvlam werd het symbool van de grote verschrikking, de schielijke inslag in het goede bestaan.

Na een week vroeg de technische recherche me om nog een keer mee naar boord te gaan. De rechercheurs wilden van de bemanning antwoord op één vraag: hoe hoog de steekvlam was geweest. Alle ooggetuigen werden apart verhoord, en met elk voltrok zich hetzelfde drama. Ze wilden graag meewerken, ze zeiden "tien meter", "zeven meter" - maar daarna moesten ze op een schetsje de hoogte van de steekvlam afzetten tegen de laadmast op het voordek. En zie, bij elk bemanningslid dat het potlood ter hand nam om het streepje te zetten, zag je hoe de vlam verdampte, uit hun verhaal en uit hun gezicht. Toen uiteindelijk geen van de getuigen een streepje had gezet, vertelden de agenten me dat uit onderzoek was gebleken dat het een stof-ontploffing zonder vuurverschijnselen moest zijn geweest.

Hoe zat het dan met de steekvlam waarover de getuigen, onafhankelijk van elkaar, hadden gesproken? Hij mag er dan als fysisch vuurverschijnsel niet geweest zijn, maar hij was wel gezien. Die zat tussen de oren, zeiden de rechercheurs. Intussen had ik het gevoel dat ze de bemanning iets hadden ontnomen: een samenvattend beeld, de meest adequate uitdrukking van wat er had plaatsgevonden. De mannen stonden er verweesder bij dan ooit.

Stel nu, dat het rampverslag van de tweede machinist in de Bijbel had gestaan, en het rapport van de technische recherche was door archeologen opgegraven. Fundamentalistische exegeten zouden het recherche-rapport zonder meer verwerpen ten gunste van het getuigenverhaal. Historisch-kritische exegeten van de oude stempel zouden het omgekeerde doen. Verlichte kerkelijke exegeten zouden opmerken dat de auteur met de steekvlam adequaat uitdrukt wat hij wil overbrengen, namelijk de grote schrik die het leven ontwricht. Ik vrees dat er in de exegese geen plaats zou zijn voor wat er werkelijk aan de hand is: dat het rapport van de recherche klopte, maar dat de tweede machinist wel degelijk onmiddellijke ervaring vertolkt. De vlam was niet ontsproten aan zijn literair vernuft, noch aan legendevorming aan boord. Ze zat niet tussen de oren van één getuige. Zonder iets te verklaren, ben ik geneigd het als een aura-achtig verschijnsel op te vatten. Gebeurtenissen zijn, ook los van wat zich tussen onze oren afspeelt, altijd meer dan de opeenvolging van fysische toestanden - en dat ‘meer’, zo ongrijpbaar als het is, werd in dit geval gezien als een steekvlam.

"En aan hen werden gezien zich-verdelende vlammen als van vuur en het zette zich op ieder van hen" (Hand.2,3).

Het grote verschil tussen de steekvlam te Moerdijk en de vlammen van Pinksteren is, dat de eerste staat voor vernietigend geweld dat het leven op z’n kop zet, en de laatste voor het ‘stille geweld’ dat het leven draagt en koestert. De grote overeenkomst is, dat het in beide gevallen gaat om een "als-van-verschijnsel" dat als een corona of een aura een overweldigende gebeurtenis verlicht. Het gaat daarbij niet om literaire middelen waarmee auteurs vakkundig het onzegbare hebben vormgegeven, maar (bij alle literaire schikking en vormgeving) om ervaren werkelijkheid. De verschijningen van Jezus, de vlammen en de stormwind - op videobanden van een bewakingscircuit zouden ze geen indruk achterlaten, maar dat betekent nog niet dat ze pas al vertellend zijn ontstaan. In de verhalen vindt stilering plaats, ontwikkeling, combinatie en herschikking van beelden, maar ze stammen uit een moment van krachtige ervaring die allesbehalve blanco was: degene die het overkwam, heeft kleur en vorm op het netvlies, klank in de oren, geur in de neus - en kan daar niet meer omheen. De vlammen van Pinksteren zaten bij de leerlingen niet tussen de oren, maar boven de pet. Of ze er waren, hangt af van de gehanteerde criteria voor ‘zijn’, maar dat ze werden gezien, lijkt me waarschijnlijk.

Waarom doe ik zo moeilijk? Niet om bijbelverhalen te redden van de kritiek, want de verhalen kunnen zichzelf prima redden. Maar het fundamentalistische realisme enerzijds en het ontmythologiserende démasqué anderzijds houden beide het verhaal op afstand van overweldigende ervaringen die mensen ook vandaag opdoen, zowel schrikwekkende als vredebrengende ervaringen. Evangelisch fundamentalisme houdt vol dat het toen domweg zo gebeurde, maar kan niet onbevangen luisteren naar grootse ervaringen van mensen nu. De steekvlam van Moerdijk zou ook bij hen om zeep gaan, omdat hij niets met Jezus te maken heeft. De mensen van de ontmythologisering houden staande dat het toen domweg niet gebeurd is en dat je nu ook niet met wonderlijke verhalen moet aankomen. Het resultaat is, dat er in alle gemeenten tal van mensen rondlopen met onvertelde verhalen, over ervaringen die hun leven beheersen maar die er niet mogen zijn. Kan het zijn, dat zowel zgn. bijbelgetrouwe als kritische exegeten teveel opereren vanuit een plat fysisch werkelijkheidsbegrip, dat ontoereikend is om recht te doen, zowel aan de bijbelse verhalen als aan de rijkdom aan feitelijke ervaring van gemeenteleden?

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl

Terug naar het overzicht