Water is er nooit genoeg
Overvloed aan water in Johannes 1 t/m 7.
Artikel, verschenen in het tijdschrift Interpretatie van juni 2003, blz 13-14.

Terug naar het overzicht

In Johannes 3,23 wordt verteld van de parallelle dooppraktijk van Jezus en Johannes. Jezus en zijn leerlingen doopten in Judea. Johannes doopte in Aenon bij Salim "omdat daar veel water was".

De dooppraktijk van Jezus volgens het Evangelie volgens Johannes heeft altijd veel vragen opgeroepen, vooral omdat in Joh 4,1-2 gezegd wordt dat Jezus "meer leerlingen maakte en doopte dan Johannes", waarbij vervolgens wordt aangetekend dat Jezus zelf niet doopte, maar zijn leerlingen. Sommigen houden dat laatste voor een achteraf ingevoegde notitie, maar anderen wijzen erop dat het dan toch veel eenvoudiger was geweest om de woorden "..en doopte" te schrappen.

De doop van Jezus is in het Evangelie volgens Johannes in ieder geval ongrijpbaar. Dat geldt zowel van de doop waarmee Jezus gedoopt is (daarover lezen we in dit evangelie niets) als van de doop die hij bediende. Terwijl voor de Johannesdoop uitdrukkelijk een plek gekozen wordt waar veel water is, wordt de Jezusdoop nogal droogjes afgedaan. Terwijl Johannes doopte te Aenon ("bronnen"), doopte Jezus in het land Judea, waterdoop tegen landdoop. Hoe zat dat met Jezus? Hij doopte wel, hij doopte niet, en van water is in de tekst geen sprake.

Het is alsof de tekst het contrast heel serieus neemt dat in Johannes 1,29-34 door de Doper wordt aangegeven: ik kwam dopen met water, maar ginds komt degene die met de Geest doopt.

Niet alleen voor de Johannesdoop was veel water voorhanden. Ook in de omliggende hoofdstukken van het evangelie komen we water in ruime hoeveelheden tegen, en telkens staat Jezus’ activiteit in een specifieke verhouding tot dat vele water.

In Johannes 2 zijn er in Kana de zes watervaten voor de reiniging, elk goed voor twee à drie metreten, dat is 80 tot 120 liter. Wat historisch gesproken precies het reinigingsgebruik was waaraan Johannes refereert, is minder belangrijk dan het aangegeven contrast: water voor de traditionele reiniging is er te over, maar wijn voor de vervulling van het feest is er niet. Dat lijkt al direct een parallel te zijn met de tegenpolen waterdoop en geestesdoop. Het vele water is er met recht en reden, maar hoeveel het ook is, het zal van zichzelf nooit wijn worden.

In Johannes 4 ontmoet Jezus de Samaritaanse vrouw bij de Jacobsput. Die put was (en is) een hoogst opmerkelijk verschijnsel in het landschap, want in een relatief waterrijk heuvelland waar ieder dorp z’n eigen bron had en heeft, lag het niet erg voor de hand om een diepe put te slaan. Alleen iemand die, als Jacob, op z’n eigen stuk grond onafhankelijk wilde zijn van het landsvolk in de dorpen, zou die ruim dertig meter diepe schacht hebben uitgehouwen. Hoe dan ook, de put stond als bijzonder waterrijk bekend, en dat is ook precies wat de Samaritaanse vrouw aanduidt als ze zegt (4,12) dat vader Jacob uit de put gedronken heeft én zijn zonen én zijn kudden. Ze reageert daarmee op Jezus’ pretentie dat hij haar levend water kan aanbieden zonder uit deze diepe bron te putten. Hij zou daarmee groter zijn dan Jacob die een dermate overvloedige waterbron heeft aangeboord.

Maar dat is inderdaad waar Jezus heen wil: zoals zijn doop niet put uit het vele water van Aenon, zo wordt het levenswater dat hij de vrouw aanbiedt niet opgetrokken uit de patriarchale put. Jezus’ lafenis is even ongrijpbaar als zijn doop. De vrouw heeft haar kruik niet eens nodig om deze nieuwe drank in de stad te brengen (4,29).

In hoofdstuk 5 komen we bij Bethesda, een bad met vijf stoa’s (5,2). Wat die vijf zuilengangen of -hallen in de tekst ook mogen betekenen, ze duiden in ieder geval op een aanzienlijke badinrichting die, zoals de tekst aangeeft, een menigte aan zieken herbergt. De verlamde die Jezus er aantreft zou in het water geworpen willen worden zodra het water door een engel van de Heer wordt aangeraakt, zodat hij genezen wordt. Maar Jezus spreekt hem toe, en de genezing die ‘normaal gesproken’ door de engel via het water wordt bemiddeld, komt nu tot hem doordat Jezus hem aanspreekt.

Tenslotte: in Johannes 7 wordt uitgebreid bericht over Jezus’ optreden tijdens het Loofhuttenfeest. Op de "laatste, grote dag van het feest" (7,37) roept Jezus zichzelf uit tot bron van levend water waarbij alle dorstigen zich kunnen vervoegen. De evangelist tekent daarbij aan dat Jezus duidt op de Geest die over zijn volgelingen zou komen.

Hoewel de tekst er niet expliciet melding van maakt, kende het Loofhuttenfeest een dagelijkse waterceremonie, waarbij water uit de vijver van Siloam werd uitgegoten op het tempelplein, op de plek waar volgens de profetie de nieuwe levensrivier uit de tempel zou stromen. Dat geeft aan Jezus’ optreden een bijzonder reliëf. Evenals eerder (2,21) suggereert hij dat hij zelf de nieuwe tempel is.

Dat er veel water door het vierde Evangelie stroomt, is al langer bekend. Het is één van de belangrijke symbolen in het boek. Toch vraag ik me af of de waterhuishouding in de eerste hoofdstukken van Johannes wel genoegzaam is onderzocht. Wat ik hier opschrijf, zou allemaal diepgaander moeten worden nagespeurd, maar ik kan het niet laten om enkele lijnen te schetsen.

De genoemde waterpassages lijken op een zigzaggende route te liggen die vanuit de verte naar de tempel voert. Het begint aan de overkant van de Jordaan met Johannes’ doop (1), dan gaat het via Kana in Galilea (2) naar de dubbellocatie Aenon in Samaria en het Judese land (3), vervolgens komt centraal-Samaria (4), dan Bethesda in Jeruzalem (5) en tenslotte het Loofhuttenfeest in en rond de tempel (7).

Het vele water staat steeds voor de ‘oude orde’ - de patriarchale traditie, de Mozaïsche inzettingen, de profetische roep tot omkeer. Al dit water heeft z’n recht en is terecht eerbiedwaardig, maar: water is er nooit genoeg. Het wijst naar een vervulling die het uit zichzelf niet geeft. Het zal aldoor aangesleept en uitgegoten, geput en gedronken moeten worden.

Daartegenover staat de eschatologische vervulling, die niet uit de traditie voortkomt, maar die de traditie tegemoet komt. Vandaar dat de put, de vijver, de vaten, de Jordaan en het tempelplein ontmoetingsplaatsen worden waar het uur dat komt de traditie aanraakt. Daar raakt de Geest van Christus het vele water van de Joodse inzettingen. Dat is een moeilijk moment: wordt het oude nu vervuld, of wordt het terzijde geschoven? Is de geestesgave die Jezus brengt antwoord op de watervraag, of tegenspraak?

In Galilea wordt het traditionele water vervuld tot nieuwe wijn. In Jeruzalem wordt het aanwezige water van Bethesda volstrekt gepasseerd en op Loofhutten zien we de gietende priester niet eens staan.

Dat lijkt een johanneïsch schema te zijn, zie Johannes 2: wat in Galilea vervulling mag heten, heet in Jeruzalem confrontatie. Dezelfde Jezus die in Kana het feest laat doorgaan is in de volgende perikoop de spelbreker in de tempel van Jeruzalem. Toch gaat het steeds om vervulling. Vaten van oudsher worden gevuld met de gave van het eschaton. Zoals ook Jezus zelf een vat van oudsher is, een Joodse mens, vervuld met de Geest die vanuit het einde de tijd binnenstroomt.

Water is er nooit genoeg. Water staat symbool voor leven en vruchtbaarheid. Het draagt de belofte van toekomst in zich. De vraag is nu, waar je water vandaan haalt. Traditioneel komt het uit de Jordaan (de entree tot Israël), uit de put die in het Jodendom het symbool is van de voorvaderlijke traditie en de Tora, uit de vaten van het reinigingsgebruik of de kruiken van het Loofhuttenceremonieel. Al dat water stroomt uit het verleden, uit wat er al was, uit wat we aan traditie in handen hebben. Daartegenover put Jezus uit een bron die veel minder grijpbaar is, die vanuit de toekomst stroomt. Niet de vaten en beddingen die dat water omvatten worden genoemd, maar datgene wat dat water bezielt: de Geest. Dat is geen water dat zwoegend geput en gesjouwd wordt: het maakt je tot een bron die tot in het eeuwige leven opspringt (4,14).

Water in een fontein kan opspringen tot het niveau, waar het reservoir zich bevindt. Zo kan eschatologisch geesteswater ten eeuwigen leven opspringen, want vandaar stroomt het ons tegemoet.

In die omkeer van stroomrichting ligt de vervulling besloten. Wie die omkeer niet meemaakt en uit de vaten van de traditie blijft tappen, is tot vruchteloze herhaling van zetten gedoemd. Dat is ook een drama voor de traditie, want juist in die omkeer wordt ze vervuld, bevrijd en bekroond.

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl

terug naar het overzicht