Opnieuw geboren worden

Johannes 3 over tweeërlei oorsprong

Terug naar het overzicht


Beeldspraak is een belangrijk instrument om dingen duidelijk te maken, maar mij is altijd verteld dat je moet oppassen om geen twee soorten beeldspraak door elkaar te gebruiken. In Johannes 3,1-21 gebruikt Jezus ten minste vier metaforen na en door elkaar. Alle begrip dus voor Nikodemus, de leraar van Israël die het allemaal niet kan volgen. Als Nikodemus aan het einde van het verhaal spoorloos verdwenen is (waarschijnlijk omdat Johannes graag de lezer in zijn plaats laat reageren op de woorden van Jezus) zie ik hem lang en breed thuis zitten en tegen zijn vrouw zeggen: die Jezus praatte maar door, ik kon er geen touw aan vastknopen, en hij heeft niet eens gemerkt dat ik wegliep...


Vier metaforen: het beeld van de nieuwe geboorte (3-8); van de wind (8); van de slang in de woestijn (14-18); en van licht en duisternis (19-21). Met name het eerste beeld is verbonden met de doopsymboliek die een metaforische wereld op zich is. Ik denk dat de impliciete beeldwereld van de doop een integrerende metafoor is die helpt om alle beelden in deze perikoop in elkaars verband te zien. We zullen ze hier langslopen, waarbij het er mij vooral om gaat, tot een beter begrip van het idee van ‘nieuwe geboorte’ te komen.

Vooraf wil ik opmerken dat de verschillende beelden samen, nog voordat ik ze begrijp, bij mij een bepaald idee van ruimtelijkheid scheppen. Er is het contrast tussen hemel en aarde, gepaard aan dat van geest en vlees en van licht en donker. Hemel, geest en licht associëren met boven, terwijl aarde, vlees en duisternis beneden thuishoren. Boven en beneden staan met elkaar in verbinding door de beweging van de Mensenzoon, door nederdaling en verhoging, en deze verbinding wordt ook verbeeld in de metafoor van de slang tussen hemel en aarde. Dat het Griekse woord anothen uit vers 3 en 7 niet alleen ‘opnieuw’ betekent maar ook ‘van bovenaf’, past goed in deze ruimtelijke beeldwereld. Tegenover de gewone levensgang die als een boog eerst op- en dan neergaat, verschijnt de levensgang van de Mensenzoon als een omgekeerde curve van nederdaling en opgang. De andere geboorte lijkt bij die tweede boog te horen, van bovenaf en bestemd om weer omhoog te gaan.

De lancering van de eerste metafoor, over ‘opnieuw geboren worden’, wordt naar goed johanneïsch gebruik gevolgd door een onnozele vraag die tegelijk volkomen terzake is: opnieuw geboren worden? Maar je kunt toch niet als volwassene opnieuw bij je moeder naar binnen en weer geboren worden? In de literatuur heet dat het ‘johanneïsch misverstand’: je bent als lezer geneigd ertussen te komen en te zeggen: nee hè zeg, daar gaat het ook niet om! Maar waarom dan wel? Probeer daar maar eens woorden voor te vinden, en je zult merken dat de vraag zo dom nog niet was.

Wij zijn vaak te zeer gewend aan de geloofstaal waarin ‘wedergeboorte’ een rol speelt om het radicale karakter van deze beeldspraak aan te voelen. Geboren worden is zo ongeveer het enige in het leven dat niet opnieuw kan. Alles kun je overdoen, behalve de gang van je leven. Bij alle herhaling en alle cirkelgangen is er die absolute eenmaligheid: dat je geboren bent en dat je het doen moet met het leven waaraan je hier en nu bezig bent. Vandaar dat geboren-zijn ook betekent dat je bepaald bent, gedetermineerd. Dat gold ooit en elders sterker dat hier en nu, maar het geldt in principe voor ieder van ons: je bent geboren in een bepaalde tijd, op een plaats, in een volk, een milieu, een familie – en dat alles bepaalt jou in grote mate. Je kunt aan sommige van die bepaaldheden ontsnappen, maar ze zullen je ook achtervolgen. Je kunt proberen een nieuw begin te maken, maar je kunt niet opnieuw geboren worden. Je bent wie je bent en daar is niets aan te doen.

Precies die notie wordt nu overhoop gehaald door de metafoor van tóch alsnog geboren worden, anothen: opnieuw en/of van bovenaf. De kwalificatie ‘uit water en geest’ moet wel verwijzen naar de doop die de nieuwe geboorte verbeeldt. Dat het vooral gaat om een bevrijding uit het onomkeerbaar vastgelegde van je afkomst en je bestemming, wordt duidelijk gemaakt met de tweede metafoor, die van de wind. Als iemand geboren is uit de geest, kun je niet zeggen waar zij of hij vandaan komt of heen gaat. Je kunt zo iemand niet vastpinnen op afkomst of bestemming: uit Nazareth, zoon van de timmerman dus zelf ook voor dat vak bestemd. Je kunt alleen vaststellen dat zo iemand er is en er wezen mag, zoals je de wind hoort ruisen in de bomen zonder te hoeven weten vanwaar hij komt en waarheen hij op weg is. Wie uit de geest geboren is, heeft hier en nu een bestaan, vrij van alles waarop mensen elkander plegen vast te nagelen. Dat is prachtig, maar de ogenschijnlijk onnozele vragen van Nikodemus worden des te klemmender: hoe gaat dat dan, wat moet je je erbij voorstellen?

Jezus reageert door de beweging van de Mensenzoon te presenteren als een omgekeerde levensgang: niet uit de aarde, als het ware de zonnebaan volgend om tenslotte tot aarde terug te keren, maar uit de hemel afdalend om tenslotte verhoogd te worden en tot God terug te keren. De levensgang die door de doop verbeeld wordt, volgt die beweging van de Mensenzoon: wie in de gewone geboorte het leven ontvangen heeft uit de aarde, ontvangt in de doop nieuw leven uit de hemel en wordt daardoor opnieuw gedefinieerd, vrijgesproken van wat vastlag. De boog van diens leven eindigt niet in de aarde maar in de hemel – niet in de geslotenheid en duisternis van onze oordelen, maar in de wijdsheid en het licht van Gods bevrijdend oordeel.

Dat het om die tegenstelling gaat tussen de aarde waar alles vastligt en de hemel die wijd en open is, wordt aangeduid met het fascinerende beeld van de slang die Mozes in de woestijn opricht (Numeri 21). Mensen die op de grond liggen, gedoemd om aan giftige slangenbeten dood te gaan, worden opgeroepen om óp te kijken en het leven opnieuw te ontvangen als een geschenk uit de hemel. Precies om die kijkrichting, tegen de neerdrukkende zwaartekracht van het bestaan in, lijkt het volgens Johannes 3 begonnen te zijn in de openbaring van de Mensenzoon. Onwillekeurig doet het denken aan het liedje van Ramses Shaffy: Hoog, Sammy, kijk omhoog, waarin een mens die opgesloten zit in zijn neerwaartse blik, opgeroepen wordt om ontvankelijk te zijn voor alle licht en liefde die van boven komen.

Nieuwe geboorte betekent dus: bevrijding uit de voldongen feiten van het aardse leven door een herbepaling van boven. De doop is er de verbeelding van: op de mens die uit het water opkomt daalt uit de hemel de geest van God neer (Joh 1,32). De vraag is alleen of je kunt zeggen dat die nieuwe geboorte op een gegeven moment plaatsvindt, zodat je je voortaan een ‘wedergeboren christen’ kunt noemen. Jezus geeft op de vraag van Nikodemus, die wil weten hoe een mens opnieuw geboren wordt, niet het soort gebruiksaanwijzing dat in de christelijke geloofsleer, bijvoorbeeld in het evangelisch protestantisme telkens weer opduikt. Hij zet de twee realiteiten van aardse bepaaldheid en hemelse herdefinitie tegenover elkaar, en hij beveelt de levensgang van de Mensenzoon aan als de weg van bevrijding. Op ieder moment sta je voor de keuze, vanuit welke werkelijkheid je zult leven. Het beeld van de nieuwe geboorte lijkt zo niet te duiden op een status die je al of niet hebt bereikt, maar op een keuze die je op ieder moment weer moet maken. Je hebt je aardse levensgang waarin duizend dingen onherroepelijk vastliggen, en midden daarin wordt je een nieuwe levensgeest vanuit de hemel aangeboden die je vrijspreekt van alles waarop je vastgenageld bent, maar die je dan wél moet ontvangen en werkzaam moet laten zijn. ‘Geloven’ is dat je vanuit die nieuwe levensboog leeft die van en naar de hemel staat gespannen en waarvan het spoor getrokken wordt door de Mensenzoon. Dat betekent ook dat je met al je werken het licht en de ruimte zult opzoeken.

Johannes 3 is één van de weinige plekken in het Nieuwe Testament waar sprake is van zoiets als nieuwe geboorte. In Matteüs 19,28 is met de palingenesia de herschepping bedoeld, de nieuwe werkelijkheid ná de dag van het oordeel. In Titus 3,5 wordt met dezelfde term de doop aangeduid als het bad van de herschepping of wedergeboorte. In beide gevallen lijken de auteurs niet het beeld van het geboren-worden voor ogen te hebben, maar nieuwe genese, herschepping. Het beeld van geboren-worden speelt wél in 1 Petrus 1, waar tweemaal anagennao, ‘opnieuw geboren doen worden’, gebruikt wordt. In vers 23 gaat het immers om her-geboorte uit een ander zaad, niet vergankelijk maar onvergankelijk, door het woord van God. In vers 3 markeert de opstanding van Christus de hergeboorte of herschepping van de gelovigen. Het is in beide gevallen de verbinding met Christus en met Gods woord die ons deel geeft aan het nieuwe bestaan, en de hele brief is nodig om de lezers bij die verbinding te bepalen: ze moeten ophouden te leven volgens de wetten van het leven dat ze nu eenmaal leidden, gevangen in voldongen feiten en lege begeerte. Hun nieuw-geborenzijn is geen objectieve stand van zaken, maar een beeld dat zegt dat ze krachtens Gods genade in nieuwe kaders mogen denken en handelen. Het is niet een eigenschap die je als gelovige bezit, maar een geleefde verbondenheid met God en met Christus die je onder de doem van je lot vandaan haalt en je tot een vrij en vernieuwd leven in staat stelt. Het beeld staat in Johannes 3 en 1 Petrus 1 in dienst van de oproep om daadwerkelijk in die verbondenheid te leven. In beide gevallen gaat het uiteindelijk over daden waaruit zal blijken dat je ontvankelijk bent voor het nieuwe, vrijgesproken leven dat God je geeft.

Het beeld van het opnieuw geboren worden duidt op de gave van vrijspraak uit alles waarop een mens wordt vastgepind, wat hem overkomen is en wat hij heeft gedaan; én het duidt op de opgave om zelf dan ook niet meer binnen die oude kaders te handelen en te oordelen. Mensen zoals president George W. Bush en verschillende leden van zijn kabinet die zichzelf omschrijven als reborn christians, zouden nog eens samen met Nikodemus bij hun Heer moeten langsgaan om te vragen hoe dat ook al weer gaat: opnieuw geboren worden. Dan zouden we misschien minder vaak worden opgeschrikt door berichten over hun daden die aan het licht gekomen zijn. Want Jezus’ woorden aan Nikodemus besluiten met de opmerking dat degene die de waarheid doet, zelf het licht opzoekt, zodat zichtbaar wordt dat zijn daden in God verricht zijn (Joh 3,21).


Piet van Veldhuizen

Terug naar het overzicht