CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

De wind die door de Schriften waait

Vanuit de Bijbel kun je niet één strak omlijnd beeld schetsen van wie of wat de Geest van God is, maar je komt wel een beweging op het spoor. Die is niet te vangen of vast te leggen, maar Piet van Veldhuizen probeert er in dit artikel zoveel mogelijk lucht van te krijgen.

Ongrijpbaar als het leven is de Geest. Hoe je het Hebreeuwse roeach en het Griekse pneuma ook vertaalt: adem, storm, inblazing, wind, geest – in de voorwetenschappelijke waarneming is het niets en alles tegelijk. Geest en adem hebben geen materie of substantie, maar ze maken wel het verschil tussen leven en dood. Ze zijn het ontastbare wezen van het leven zelf, de manier waarop het leven leeft. Onzichtbaar is de adem, behalve in de gevolgen: de rijzende en dalende borstkas, de wilde flakkering van een vlam die uitgeblazen wordt. En je hoort haar geluid, rustig of hijgend, zoals je de wind hoort in de bomen – maar het is de wind niet zelf, het zijn de bladeren waarin ze rondspeelt. Zo is ook de Geest, je hoort zijn geluid in de stemmen van de mensen, je ziet hem in het reilen en zeilen van de gemeenschap, of je mist hem waar het leven verkilt en verstart. Maar hij, of zij, blijft ons altijd ontsnappen, zelf onzichtbaar, niet te grijpen.

Het begint al met een vertaalprobleem, want het is telkens weer aan onszelf om te bepalen hoe we roeach of pneuma weergeven: als wind of storm, geest of adem. Is het in Genesis 1:2 werkelijk Gods Geest die op de afgrond broedt of over de wateren zweeft? Of raast er een geweldige orkaan, een ‘godsstorm’ door de nacht en over het ontij? Is die roeach elohiem deel van de barre begintoestand, of is ze het hoopvolle begin van Gods ordenende werk, zoals de Naardense Bijbel suggereert door de zin met ‘maar’ te beginnen en het woordje ‘reeds’ toe te voegen: Maar adem van God reeds wervelend over het aanschijn van het water. Dat de auteurs en eerste hoorders van Genesis 1 niet gedacht hebben aan de derde Persoon van de heilige Drieëenheid, mag wel vaststaan, want dat hele concept was nog niet uitgebroed. Wat ze wél hebben gedacht, kunnen we onmogelijk grijpen als we het op één betekenis willen vastleggen. Alleen als we alle mogelijke varianten steeds weer laten klinken, blijven we in levende verbinding met de teksten en met de gemeenschappen die ze hebben doorgegeven. Dan leeft de tekst in levende lezing, beeldend via onze verbeelding.

Na de roeach van het oerbegin is er de roeach in de mens. In Genesis 2 blaast de Eeuwige de mens de adem in de neus, geen roeach weliswaar maar nisjmat, ademhaling. Maar enkele hoofdstukken later horen we God besluiten dat zijn geest (roechi, ‘mijn roeach’) niet voorgoed in de mens zal zetelen: honderdtwintig jaar zal het maximum zijn (Gen. 6:3). Wat mij hier fascineert, is dat het goddelijke in de mens precies het ongrijpbare is, de adem of de geest, dat wat niet samenvalt met de tastbare substantie van ons bestaan maar wat tegelijk het leven zelf is. Ook wie niet onder handoplegging in een christelijke kerk de Heilige Geest heeft ontvangen, leeft van Gods uitgeleende adem, nog altijd op het ritme van die allereerste mond-op-mondbeademing.

De kerk zal er altijd weer moeite mee hebben dat de geest van God zich niet laat afbakenen, dat Gods adem zich onttrekt aan onze geloofsleer. Dat we van al dat bijbelse pneuma en al die roeach lang niet altijd weten of het met een kleine letter geschreven moet worden of met een hoofdletter, gewoon geest of Heilige Geest, zit ons soms helemaal niet lekker. Wat je niet kunt vastleggen, blijft altijd in beweging, en dwingt ons om zelf ook in beweging te blijven, het steeds weer vanuit een ander standpunt te lezen. De Geest is Gods presentie die we telkens proberen te vangen, zodat we haar onder de loep kunnen nemen, maar die ons steevast ontsnapt voordat we tot analyse kunnen overgaan.

De Heer is Geest, zegt Paulus, en waar de geest van de Heer is, daar is vrijheid (2 Kor 3:17). In de kerkelijke exegese en theologie hebben we altijd weer de behoefte gehad om op zulke woorden te reageren door zowel die Geest als die vrijheid zo nauwkeurig mogelijk te definiëren. Anders zouden immers die Heer, die geest en die vrijheid niet zomaar door Jan en alleman geclaimd kunnen worden. Maar de vrijheid van Gods geest bestaat misschien wel allereerst in zijn vrijheid ten opzichte van onze definities. We mógen wel definiëren, we ontkomen er niet aan, maar we zullen de geest van God er nooit in gevangen hebben. Als we hem ergens afgebakend hebben, duikt hij gegarandeerd ergens buiten die lijnen weer op. Zo houdt de Geest van God ons voortdurend in beweging.

Over die ongrijpbaarheid lijkt het ook te gaan in Johannes 3, waar Jezus tegen Nikodemus zegt dat ‘de wind blaast waarheen hij wil’ – hoewel je pneuma pnei ou thelei natuurlijk ook kunt vertalen met ‘de Geest ademt waar hij wil’. Dat is volgens mij een aangelegen punt in heel het vierde evangelie: dat de werking van Gods genadige geest niet gebonden is aan enige menselijke autoriteit, dat schriftgeleerden noch apostelen daar iets over te zeggen hebben. En vervolgens is ze ook niet opgesloten in de wetmatigheden van het sterflijke bestaan. Haar levensboog gaat niet van aarde naar aarde, maar omgekeerd, het is een boog vanuit de hemel die ons leven bezielt en terugkeert tot God. Die tegenbeweging, tegen ons doodsbestaan in, wordt in Johannes 3:1-21 in vrijwel elke zin geschetst als de weg van de Mensenzoon.

Je hoort zijn geluid, maar je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat (Joh 3:8). Dat gaat over pneuma, de wind of de geest, en overdrachtelijk over de mens die uit de geest voortgekomen is. Noch die mens, noch Gods geest kun je ergens op vastpinnen, op afkomst of prognose, vanwaar of waarheen. Wat rest is dat je je kunt laten zegenen met hun aanwezigheid, hier en nu.

De geest van God is in de christelijke theologie een ‘persoon’ van de goddelijke Drieëenheid geworden. De derde persoon nog wel. In de grammatica suggereert de derde persoon de meeste afstand, het is de ‘hij’ naast ‘ik’ en ‘jij’, maar in de theologie is de derde persoon bedoeld om de volstrekte nabijheid van God te vertegenwoordigen, zijn bezielende en vervullende aanwezigheid in de schepping.

Maar wat betekent dat, een ‘persoon’ van Gods wezen? In de oudheid was persona de aanduiding van een masker, een type, een vaste verschijningsvorm. Als Gods wezen ons te boven en te buiten gaat, kunnen we het er hooguit op houden dat de Geest één van de verschijningsvormen is waarin we God kunnen benoemen en ervaren, één van de schijngestalten waarin Hij zich aan ons voordoet. Het drievoudig spreken over de Eeuwige is mij kostbaar, juist omdat het verbeeldt dat we God niet in één zin kunnen vangen. Maar laat de leer van de Drieëenheid nooit een theorie worden over hoe de Eeuwige ‘in elkaar steekt’, want God is geest, God ontglipt aan elke menselijke greep.

De persoonwording van Gods geest in het christelijke denken staat niet op zichzelf. Alle winden hadden in de oudheid eigennamen, het waren ‘personen’ die hun adem over de wereld uitbliezen, rustig of hijgend, vriendelijk of kwaad. En ook andere ‘aspecten’ van God werden al in de voorchristelijke tijd in persoonlijke termen benoemd en sprekend opgevoerd, zoals de wijsheid (Sofia) en het woord (Logos). Het is altijd weer van belang om te beseffen dat het niet gaat om een joods of christelijk pantheon, maar om een menselijke spreekwijze die de rijkdom van Gods werkzaamheid wil uitdrukken.

Het boek Handelingen beschrijft de ‘uitstorting’ van Gods geest over de leerlingen van Jezus op het Wekenfeest (Sjavoeot, Pinksteren). De Eeuwige vervult hen, doordrenkt hen met zijn aanwezigheid. De begeleidende verschijnselen zijn veelzeggend: een storm die niets wegblaast, vuur dat niets verzengt, enthousiasme dat niet verdeelt maar verbindt. Adem, wind, leven, gloed, als bezielende en verbindende elementen. Geen blikversmallend vervuld-zijn van eigen gelijk, maar communicatie, gemeenschap, in vrijheid gedeelde ervaring.

De storm en het vuur van Pinksteren verwijzen ook naar de Godservaringen op de Horeb waarover we lezen in Exodus 33 en 1 Koningen 19. In die verhalen verschijnt God aan Mozes en Elia door aan hen ‘voorbij te trekken’. Dat moet wel te maken hebben met het gegeven dat een mens niet in staat is om meer dan een glimp van de Eeuwige te verdragen. Maar misschien zegt het ‘voorbijtrekken’ ook iets over het wezen van alle Godservaring. Het is treffend dat ook de Geest van God, als de wind, zogezegd van voorbijgaande aard is – niet omdat hij ophoudt te bestaan, maar omdat we niet weten vanwaar hij komt en waar hij heengaat: hij doorademt ons, doorstroomt ons. Wij zijn de bedding voor zijn stroom, het venster voor zijn licht. Hij kan ons vervullen, maar wij kunnen hem niet vasthouden.

Zo staat de Geest ook voor de verbindende kracht van God in de schepping: hij doorwaait en doorademt al wat leeft, hij communiceert op de golflengte van Gods genade en waarheid, en hij stoort zich niet aan onze afgrenzingen en partijdigheden.

Voor de kerk is dat vanaf het eerste begin een lastig gegeven geweest. Is de Geest uitgestort op ‘alle vlees’, zoals de profetie van Joël luidt volgens de Pinksterpreek van Petrus (Hand 2:17), of alleen op de ware gelovigen? Een paar hoofdstukken verderop in het boek Handelingen moet Petrus naar Samaria omdat het niet waar kan zijn, dat de nieuwe gelovigen aldaar de Geest zouden hebben ontvangen zonder apostolische handoplegging. Ik vermoed op grond van Johannes 4 dat de vierde evangelist grote moeite zou hebben met Handelingen 8. Hij zou het tegenover Lucas zonder meer zou opnemen voor de vrijheid van Gods Geest om zonder apostolische zegen te waaien waarheen hij wil.

Maar elke evangelist ziet weer zijn eigen dingen. Lucas heeft in het boek Handelingen oog voor weer een ander aspect van Gods geest: dat je hem niet kunt afdwingen of bezweren, dat je erop moet wachten zoals een schipper op gunstige wind wacht. Je kunt pas varen als de wind opsteekt, je kunt niet doen alsof het waait door in je eigen zeilen te blazen. Na de laatste verschijning van de opgestane Heer in Handelingen 1 gaan de leerlingen niet tot actie over, maar oefenen ze in ontvankelijkheid totdat Gods wind opsteekt. Als Paulus op zijn laatste zeereis (Hand. 27) meer gevoel voor de wind lijkt te hebben dan zijn schippers, en ondanks zijn gedrevenheid ook minder haast, is dat misschien wel een metafoor voor datzelfde besef. De beweging waarvoor hij leeft is niet maakbaar en de vaart valt niet te forceren, je kunt alleen bereid zijn om je te laten meenemen, je zeil aan de wind lenen.

Ongrijpbaar als het leven is de Geest. Ook de Pinkster-ervaring van Handelingen 2 was van voorbijgaande aard. Even was er volledige communicatie, iedereen verstond elkaar op de golflengte van Gods grote daden (Hand. 2:11). Hetzelfde boek vertelt dat er daarna al gauw weer allerlei misverstand en onenigheid was in de beweging van Jezus’ volgelingen. De beweging van de Geest valt niet te fixeren of te institutionaliseren. Het kerkelijk geloof zal steeds weer de gestalte van het wachten moeten aannemen en de bereidheid moeten hebben om op de tocht te staan. In scheepvaarttermen heet dat: alle zeilen bijzetten. Maar de wind, die is niet van ons.

Piet van Veldhuizen