CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Agenda

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Wat staar je omlaag, wat kijk je omhoog?
Twee mysterieuze mannen in Lucas/Handelingen

In het laatste hoofdstuk van het evangelie volgens Lucas lezen we over vrouwen die het graf van Jezus leeg aantreffen. Ze gaan het graf binnen en zijn perplex. Dan staan er opeens ‘twee mannen in stralende kleding’ bij hen. De vrouwen kijken bang omlaag, maar de mannen vragen: Wat zoeken jullie de levende bij de doden? Hij is niet hier, hij is opgewekt. Vervolgens brengen ze Jezus’ eigen woorden in herinnering waarmee hij zijn weg door verraad, lijden, dood en opstanding had voorzegd (Lucas 24:1-8).
In het eerste hoofdstuk van Lucas’ tweede boek, de Handelingen, lezen we over mannen die naar de hemel staren nadat Jezus is opgenomen in een wolk. Ook nu komen er ‘twee mannen in witte kleding’ bij hen staan, en weer gaat aan hun mededeling een vragende zin vooraf: Galilese mannen, wat staan jullie naar de hemel te staren? Deze Jezus die bij jullie vandaan in de hemel is opgenomen, zal komen op de manier waarop jullie hem naar de hemel zagen gaan.
In beide gevallen, aan het eind van het eerste boek en aan het begin van het tweede, gaan de aangesprokenen niet met de mannen in gesprek, maar keren zij terug (Luc 24:9, Hand 1:12) naar de gemeenschap in Jeruzalem.
Het is op zich al spannend om te zien hoe beide verhalen elkaar spiegelen, aan het einde van deel 1 en aan het begin van deel 2 van het tweelingboek van Lucas. Hier een groep vrouwen, daar  een groep mannen; hier wordt omlaag gekeken, daar omhoog; hier herinneren de twee mannen aan wat er eerder was, daar wijzen ze vooruit naar wat er zijn zal. Op het niveau van Lucas’ schrijverschap spelen de geheimzinnige mannen een rol in de zorgvuldige koppeling tussen beide boekdelen. Maar de vraag is: wie zijn zij? En waarom duidt Lucas hen niet aan als ‘engelen’?

De andere evangeliën
Voordat ik echter een poging tot beantwoording van die vraag doe, wil ik nagaan wat de andere evangelisten op dit punt te melden hebben. Ik moet me beperken tot het tafereel bij het geopende graf, want de ‘hemelvaart’ zoals wij die in de kerkelijke traditie op ons netvlies hebben, wordt alleen door Lucas verteld.
Volgens Marcus troffen de vrouwen, nadat ze het graf waren ingegaan, daar een zittende, in witte stola gehulde jongeman (neaniskos, 16:5) aan. Die zei hun dat Jezus was opgewekt, en gaf hun opdracht om aan zijn leerlingen te gaan melden dat Jezus voor hen uitgaat naar Galilea, waar ze elkaar zullen ontmoeten.
Volgens Matteüs (28:1-7) daalde er, toen de vrouwen naar het graf kwamen, een engel uit de hemel af en rolde met dreunend geweld de steen voor het graf weg. Hij zag eruit als de bliksem en zijn kleding was wit als sneeuw. Ook de door Pilatus aangestelde grafbewakers waren getuige van zijn verschijning. De engel zegt wat de jongeman in de Marcus-versie ook vertelt: dat Jezus is opgestaan en zijn leerlingen vooruitgaat naar Galilea, waar de ontmoeting met de Opgestane zal plaatsvinden.
Volgens Johannes constateert op de Paasmorgen eerst Maria van Magdala dat het graf geopend is. Ze meldt het aan de leerlingen, waarna Petrus en de ‘geliefde leerling’ komen vaststellen dat het graf leeg is en weer naar huis gaan. Maria blijft, en als ze zich over het graf buigt ziet ze daar ‘twee witgeklede engelen’(Joh. 20:12) zitten. Ze vragen waarom zij huilt, en mét dat Maria antwoordt, is hun rol uitgespeeld. Want Maria draait zich vervolgens om en ziet Jezus staan, zodat een ontmoeting met de opgestane zelf volgt. Het feit dat ze hem voor de tuinman kan aanzien, suggereert dat we ons hem in tegenstelling tot de twee engelen niet als een blinkende verschijning moeten voorstellen.
Op paasmorgen dus een zittende jongeman (Marcus), een nederdalende engel met groot geweld (Matteüs), of twee engelen in het graf (Johannes).

Hemelvaart
Voorzover de andere evangelisten een laatste of afsluitende verschijning van de opgestane Heer beschrijven, is daarbij geen sprake van engelen of mannen in witte klederen. Gek genoeg zijn die mannen er ook niet als Lucas aan het einde van zijn evangelieboek voor het eerst de hemelvaart vertelt. Want Lucas vertelt die gebeurtenis tweemaal: aan het eind van zijn evangelie en aan het begin van Handelingen. In de laatste verzen van het Lucas-evangelie gaan de leerlingen met grote vreugde terug naar de stad nadat Jezus is opgenomen in de hemel. Als Lucas het in Handelingen 1 opnieuw vertelt, is van die grote vreugde geen sprake meer, en zijn er de witte mannen om de omhoog starende leerlingen tot de orde te roepen.
Lucas maakt dus veel werk van het tafereel van Jezus’ opneming in de hemel. Het gaat niet om een soort verhuizing van de Heer zelf, want zoals het verteld wordt, was hij al niet meer gewoon onder de mensen: hij verscheen een aantal keren, en wat wij ‘hemelvaart’ noemen is voor zijn leerlingen in feite de afsluitende verschijning. Lucas laat die plaatsvinden nabij Jeruzalem, terwijl volgens Matteüs de afsluitende verschijning op een berg in Galilea plaatsvindt, en volgens Johannes aan de oever van het Meer van Galilea. In het stramien van Lucas past die terugkeer naar Galilea niet: in zijn eerste boek wordt de goede boodschap vanuit Galilea in Jeruzalem gebracht, en in zijn tweede boek gaat het vanuit Jeruzalem verder, tot in Rome toe. Maar het is spannend dat de hemelvaart van zijn eerste boek het bruisende happy end vormt, terwijl diezelfde gebeurtenis in zijn tweede boek functioneert als een aarzelend begin. De twee in het wit geklede mannen zijn ervoor nodig om de leerlingen in beweging te zetten.

Engelen of mannen
In de boeken van Lucas is geregeld sprake van engelen (aggeloi). De term komen we in Lucas-Handelingen meer dan veertig keer tegen. In twee van die gevallen gaat het om gewone menselijke boodschappers, in de andere gevallen zijn ‘engelen’ bedoeld. Voor de engelen die Lucas in zijn verhaal opvoert, gebruikt hij geen andere termen dan aggelos. Dat geldt voor de engelen in het geboorteverhaal in Lucas 1-2, maar bijvoorbeeld ook van de engel die Petrus uit de gevangenis leidt in Handelingen 12, en de engelen die verschijnen aan Cornelius (Hand. 10) en aan Paulus (Hand. 27). De mannen in het wit aan het einde van het Lucasevangelie en aan het begin van Handelingen zijn dus een fenomeen apart.
Wél is het zo, dat volgens de Emmausgangers die in Lucas 24 tegenover hun mysterieuze reisgenoot verslag doen van de verwarring bij het lege graf, de vrouwen gezegd hebben dat ze ‘een visuele verschijning van engelen’ hebben gezien (optasian aggeloon, vers 23) – terwijl het dan toch zou gaan om de verschijning die Lucas zelf zojuist heeft beschreven als ‘twee mannen in blinkende klederen’ (vers 4). Misschien dat we er daarom altijd vanuit gaan dat Lucas met de mannen ook echt engelen heeft bedoeld. Maar Lucas speelt hier een spel van telescopische verwarring, want ook de Emmausgangers die de verwarring van de vrouwen beschrijven, beseffen niet wie ze voor zich hebben. Dat de vrouwen de twee mannen in het wit niet hebben kunnen duiden, spoort met het feit dat ook de twee leerlingen op de weg naar Emmaus niet kunnen duiden wat er gaande is. Kern van hun onmacht is volgens de Opgestane (maar ook volgens de twee mannen zelf), dat ze het verband met de Schriften niet zien. Van dat verband zijn volgens mij de twee mannen het symbool.
Want de enige ándere plek in Lucas waar sprake is van ‘twee mannen’, is bij de verheerlijking van Jezus op de berg in 9:30-31: ‘En zie, twee mannen spraken met hem, het waren Mozes en Elia, die, verschenen in heerlijkheid (of: stralend van verschijning), spraken over de exodos die hij in Jeruzalem zou volbrengen.’
Twee blinkende mannen, en hun thema is wat er in Jeruzalem met Jezus zou gebeuren. Mozes en Elia, dus ‘wet en profeten’, de gepersonifieerde Schriften. Als wij tegen Lucas 24 en Handelingen 1 alweer vergeten zijn dat die twee mannen er waren, onderstreept dat precies de traagheid, of de bevangenheid, waaruit zijn de vrouwen en de leerlingen komen bevrijden. Wat ze op de berg van de verheerlijking bespraken, heeft zich voltrokken, maar het wordt nog niet begrepen. Dus zoals ze destijds bij Jezus stonden, komen ze nu bij de vrouwen staan om hen eraan te herinneren dat Jezus al had gezegd dat deze dingen ‘moesten gebeuren’. En veertig dagen later komen ze bij de mannen staan om hun te zeggen hoe het verder gaat.

In beide gevallen komen ze ‘erbij staan’, ze verschijnen niet vanuit het graf of vanuit de hemel. Ze voegen zich bij het gezelschap en voorzien het van commentaar. Zo gaat de gemeente met Wet en Profeten op weg. Tegen de vrouwen die in het graf staren, zeggen ze: wat kijk je toch de diepte in, daar is de Opgestane niet. Tegen de mannen die de hemel in staren, zeggen ze: wat kijk je toch naar boven, hij komt heus weer terug. Staar niet het graf in, staar niet naar de hemel.
De twee mannen voeren zo dus een pleidooi voor het horizontale vlak, voor een weg die op de aarde moet worden afgelegd, werk dat in de wereld moet worden verzet, voor het hier en nu waarin dingen gedaan zullen worden. Ze doen dat in het licht van de exodus van Jezus (Luc. 9:31) – een begrip dat wijst op zijn einde, zijn gang door de diepte van de dood die een bevrijdende uittocht is. Niet het koesteren van herinneringen of het mijmeren over de hemel, maar daadwerkelijk léven in dit bevrijdende spoor is wat de vrouwen en mannen te doen staat.

Nog altijd, als in de samenkomst van gelovigen Wet en Profeten gelezen worden, komen deze twee glanzende mannen erbij staan, om ons eraan te herinneren dat tussen het graf daar beneden en de hemel daarboven een aarde ligt waarop de exodus gevierd wil worden en de vrijheid van Gods kinderen gestalte mag krijgen.
Wel blijft één vraag bij mij hangen: als Lucas het werkelijk zo heeft bedoeld, waarom heeft hij dat niet meer expliciet gemaakt? Vond hij de verwijzingen duidelijk genoeg, met het tweetal, de lichtende kleren en het thema van de exodus als herkenningspunten? Was het een eigen vondst van hem om de verschijningsverhalen op deze manier te duiden, en vond hij het te pretentieus om dat in expliciete bewoordingen te doen?
Ik moet ook nog rekening houden met de mogelijkheid dat Lucas dit verband niet, of niet bewust, heeft gelegd, en dat het dus geheel voor mijn rekening komt. Het blijft dan voor mijzelf even waardevol, want ik zie het als een zinvol verband en de teksten bieden er alle ruimte voor. Maar hoe meer ik herlees en in de twee boeken van Lucas blader, hoe minder ik me kan voorstellen dat hij slechts toevallig over twee mannen sprak, terwijl hij eigenlijk aan twee engelen dacht.

 

Piet van Veldhuizen


In het secundaire slot van Marcus is sprake van de tenhemelopneming van Jezus, maar dit gegeven lijkt aan Lucas te zijn ontleend.