dr Piet van Veldhuizen
Witwassen in bloed
Een bijbels wasvoorschrift
Sinds het in de christelijke bijbel staat, wordt het in de kerk zonder blikken of blozen voorgelezen: ‘Dezen ... hebben hun gewaden gewassen en wit gemaakt in het bloed van het Lam’. De argeloosheid waarmee het wordt gelezen, verraadt dat de voorlezers thuis zelden de was doen, of erger nog, dat ze geen verbinding leggen tussen de taal van de bijbel en de dagelijkse ervaring.
Reclamespots op de televisie maken veel werk van het verlangen naar een helderwitte was. Wat uit de wasmachine komt, moet niet smoezelig zijn maar stralen. Fabrikanten van waspoeders doen een beroep op dat verlangen naar ‘witte gewaden’ om hun middelen aan de man te brengen – die overigens doorgaans een vrouw is.
Tegenover het algemene verlangen naar helder wit staat de gruwel van de gemene vlek. Twee kampioenen in gemenigheid, zeker sinds we niet meer met inkt uit de inktpot schrijven, zijn bloed en rode wijn. De damesbladen van voorheen en allerlei internetpagina’s doen ons tientallen tips aan de hand om bloedvlekken en wijnspatten helemaal weg te krijgen, maar het blijft altijd tobben. De ramp van een bloedneus is meestal niet de bloeding, maar dat het binnen de kortste keren overal aanzit, met die alarmkleur die doet schrikken en afgrijzen oproept.
Hoe komen die kleren zo blinkend wit in het visioen van Openbaring 7? Wel, ze zijn gewassen in bloed, in het bloed van het Lam. Dat Lam, zo is ons twee hoofdstukken eerder verteld, is de leeuw uit de stam van Juda. En over Juda profeteerde aartsvader Jacob dat hij zijn kleren zou wassen in wijn, ‘in het bloed van de druif’ (Genesis 49:11). Het bizarre wassen zit dus al lang in de familie...
We hebben hier te maken met sterke hyperbolen, beelden die een grote tegenstrijdigheid met de ervaring bevatten en die verbijstering willen oproepen. Alleen via die verbijstering kun je doorsteken naar de betekenis. Als de auteur van Openbaring 7 had moeten meemaken dat kerkgangers gewoon bleven doorluisteren terwijl de voorlezer met een uitgestreken gezicht sprak over in bloed gewassen gewaden, zou hij (denk ik) tot de slotsom komen dat zijn project mislukt was. Niemand valt van zijn kerkbank, geen vieze gezichten of kreten van verbijstering, geen wasvrouwen die op het punt staan om weg te lopen tenzij de voorlezer hier een goed verhaal bij heeft...
De auteur van Openbaring 7 beschrijft een hemels visioen waarin een ontelbare menigte in witte gewaden zich voor de troon van de Eeuwige bevindt. Ze zijn afkomstig uit alle volken en naties en stammen en talen en ze hebben palmtakken in hun handen. Een oudste uit de inner circle van Gods hofhouding treedt op als gids, en vraagt aan de visionair: ‘Die mensen in die gewaden, die witte, wie zijn dat en waar komen ze vandaan?’ Hij is zelf degene die het antwoord zal moeten geven, maar hij stelt de vraag om aan te geven wát de beslissende vraagpunten zijn. Niet: hoeveel zijn het er? Niet: wat moeten ze met die palmtakken? Ook niet: wat gaan ze hier al die tijd doen? De vraag is wie dit zijn, en het wit van hun gewaden wordt in de vraag nog eens onderstreept. Pas als we dat wit dubbel en dwars op het netvlies hebben, komt de openbaring: die mensen ‘hebben hun gewaden gespoeld en hebben ze gewit in het bloed van het lam’ (Openbaring 7:14).
Normaal gesproken is ‘wassen in bloed’ een beeld van geweld of wraakzucht. Een voor hedendaagse oren onverteerbare zinsnede in Psalm 58 luidt dat de rechtvaardige, zich verheugend op de dag van de wraak, ‘zijn voeten zal wassen in het bloed van de boosdoener’ (vers 11). Waar in bloed gewassen wordt, raakt alles van bloed doordrenkt en kleurt alles bloedrood, letterlijk en figuurlijk. Dat de bittere ervaring van heel de mensengeschiedenis: bloed roept om bloed, wraak nodigt tot weerwraak, er zal nooit een eind aan komen.
Als gewaden blinkend wit worden van een wasbeurt in bloed, is er iets ongehoords aan de hand. Dan werkt dat bloed anders dan alle andere bloed, dan doorbreekt het de vicieuze cirkel van het geweld. Dan heeft trouwens ook de traditie gelijk die de communie met witte wijn viert, niet alleen omdat witte wijn zuiverder is dan rode, maar ook omdat het bloed symboliseert dat níét de hele wereld bloedrood kleurt. Dat stemt tot nadenken, want ook de dragers van die miswijntraditie zijn in de geschiedenis niet vrij gebleven van de bankring van het rode bloedvergieten.
Het lam, of het ‘bokje’ (arnion) met het witmakende bloed, komt in Openbaring 5 op een bijzondere manier ten tonele. Ook daar is sprake van een ongehoord contrast in de beelden. In de hemelse troonzaal wordt gezocht naar iemand die hoog genoeg is in rang en volmacht om de zegels van een boekrol te openen. Die boekrol is het wereldgebeuren dat zich naar zijn voltooiďng afwikkelt, en zolang het verzegeld blijft, komt er aan de loop der dingen nooit een einde. De wanhoop van de ziener is daarom groot als er in eerste instantie niemand blijkt te zijn die het recht heeft om de zegels te verbreken. Maar ook dan is er een gids-oudste die de blik van de ziener richt: ‘Huil maar niet, zie, gewonnen heeft de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, om het boek en zijn zeven zegels te openen.’ (Op. 5:5). Gewonnen om te openen, dat wil zeggen: hij heeft het recht bevochten. Het beeld dat wordt opgeroepen is majestueus en wild: een strijdende leeuw, een groot roofdier, een telg uit de koningsfamilie van Juda en David.
Maar wat de ziener dan ziet, is midden in de kring een lam (een bokje) met doorgesneden keel, een slachtoffer in alle betekenissen van het woord. Groter kan het contrast met de overwinnende leeuw niet zijn, maar aangezien dat bokje de boekrol neemt, moeten de ziener en de lezers concluderen dat dit lam de leeuw is, dit slachtoffer de winnaar. Het is een sleutelbeeld voor heel het boek Openbaring, want dit is de gestalte die de afwikkeling van het grote gebeuren in gang zet. Als de winnende leeuw en het gekeelde lam naast elkaar hadden gestaan, aan wie had je dan de voltooiing van de geschiedenis toevertrouwd? Maar de leeuw verschijnt in de gedaante van het lam, de winnaar is degene die bereid was te verliezen. Sterk vind ik, dat niet het lam plotseling blijkt een leeuw te zijn, in een triomfantelijke apotheose waar menige kerk graag een praise-avond omheen zou organiseren. Nee, wie de koninklijke leeuw zoekt, moet bij het gekeelde lam zijn, en die gestalte gaat mee de volgende visioenen in.
De verbijsterende tegenstrijdigheid van het witmakende bloed is dus een vervolg op de eerdere hyperbool van het overwinnende slachtoffer – dat áls slachtoffer overwint en ook daarna trouw blijft aan die weerloze gestalte.
Het beeld van het witwassen staat tegenover de universele ervaring dat bloed roept om meer bloed: vergoten bloed roept om wraak. In de bijbelse oerverhalen hoort de Eeuwige het bloed van de doodgeslagen Abel roepen, en dan wordt op een verbluffende manier verteld hoe de geweldsspiraal ontstaat. De Eeuwige neemt de vogelvrije dader in bescherming door plechtig te verklaren dat wie hem doodt, zevenvoudig gewroken zal worden. Dat afschrikkingseffect moet het geweld beteugelen, maar zeven generaties later horen we Kaďns nakomeling Lamech brullen dat hij zichzelf zeventig maal zevenmaal zal wreken. Waar eenmaal bloed vloeit, is er geen einde meer aan het bloedvergieten. De ‘besmettelijkheid’ van bloed op een wit kleed is een treffend beeld van de manier waarop wraak en weerwraak de aarde rood kleuren.
In Openbaring 7 wordt met dat bizarre beeld de radicale doorbreking van die spiraal verteld. Hier is bloed dat niet om wraak roept, een slachtoffer dat niet gewroken wil worden, met volgelingen die dat begrepen hebben. Het is een beeld voor het Mahatma Ghandi-effect: het geweld loopt stuk op een kwetsbare gestalte en een weerloze gemeenschap die weigert de eindeloze stroom van agressie voort te zetten en te versterken.
Zo wordt dus in Openbaring het offer begrepen dat Jezus heeft gebracht: dat hij in Godsnaam bereid was om kwaad met goedheid te beantwoorden, en om de agressie en het geweld van zijn tegenstanders te absorberen in plaats van het terug te kaatsen. Hij heeft niet om wraak geroepen, maar om ruimte en vergeving voor de mensen die hem de dood in jaagden. Zodra dat een beweging wordt, verandert alles. Dan roept bloed niet om meer bloed. In plaats van de vertroebeling die zich in de razernij vermenigvuldigt, ontstaat er dan helderheid, ruimte, de sereniteit waarvan wit de symboolkleur is.
De mensenmenigte in Openbaring 7 heeft die witte gewaden niet uitgereikt gekregen. Volgens het visioen zijn het mensen die zelf hun kleren gewassen hebben in het bloed van het Lam, dat wil zeggen: die hem gevolgd zijn in het afzien van wraak, die zijn tegenbeweging hebben overgenomen. Dat is een belangrijk kritisch gegeven, want het christendom als beweging is al spoedig wél weer teruggevallen in de oude taal van het bloed, in het vergeldingsdenken. In de praktijk hebben de volgelingen van Jezus hun gewaden maar al te vaak gewassen in het oermenselijke bloed dat schreeuwt om ander bloed.
De kerk heeft met dit beeld van de grote tegenbeweging te weinig raad geweten. Helaas heeft de term ‘witwassen’ inmiddels een heel andere, duistere betekenis gekregen. Daarbij wordt niet aan gewaden gedacht, maar aan bedragen. Bij ‘witwassen in bloed’ is de hedendaagse associatie dat figuren uit de onderwereld over lijken gaan om crimineel geld in de gewone omloop te krijgen. Zo is het beeld op een lelijke manier in beslag genomen, mede omdat de kerk eeuwenlang verzuimd heeft om het te claimen. Maar ook als het beeld inmiddels teveel uitleg vergt om nog in de breedte bruikbaar te zijn, blijft de zaak zelf overeind. Bij de ontelbare menigte van Openbaring 7 is niet de vraag, hoeveel mensen er uiteindelijk in de hemel komen. De vraag is of we bereid zijn om de beweging van het Lam over te nemen, de tegenbeweging tegen de oeroude roep van het bloed.
Piet van Veldhuizen