Ongedierte
Migranten als plaag in Exodus en Numeri
Artikel, verschenen in het tijdschrift Interpretatie van maart 2003, blz 18-20.

Terug naar het overzicht

Het is alweer enkele jaren geleden, dat ik het verhaal van Bileam met nieuwe ogen las. De vluchtelingenstroom naar Nederland was van een ongekende omvang. De kreet "Nederland is vol" deed zijn intrede. Opeens trof me iets in Numeri 22 waaraan ik nooit eerder aandacht had geschonken, namelijk het perspectief waarvanuit het is geschreven. De verteller laat ons meekijken met koning Balak en met de ingehuurde bezweerder Bileam. Je ziet samen met de Moabieten hoe het zwervende volk Israël eraankomt als een onbeheersbare menigte allochtonen, hoe ze hun kamp opslaan overal in jouw land waar het gras groen is.

Dat is bijzonder, want meestal worden de verhalen zo verteld, dat je als lezer met de Israëlieten meetrekt. Dikwijls kijk je wel met enige distantie naar het volk, maar dan omdat de verteller je met Mozes laat meekijken. Je wordt dan betrokken in Mozes’ even moeizame als intense verbondenheid met zijn volk én met de Eeuwige. Die twee bij elkaar te houden, dat is de worsteling van Mozes waarvan je als lezer getuige bent.

Maar hier, in Numeri 22-24, hebben we met een heel ander perspectief te maken. We mogen vanaf de heuvels van Moab meekijken met iemand wie de schrik om het hart slaat, ziende hoe het vluchtelingenvolk Israël op de velden is neergestreken. Maar Israël zélf heeft ons het verhaal overgeleverd. Ze zien ons al aankomen, zegt het verhaal.

Zo bezien is dit verhaal een proeve van zelfreflectie, van de vaardigheid om door andermans ogen naar jezelf te kijken. Want koning Balak en zijn volk Moab is weliswaar een tegenstander, die Israël de weg naar het beloofde land verspert. In dubbele zin zelfs: eerst willen ze Israël tegen houden, en vervolgens verleiden ze Israël tot afgoderij. Maar de waarnemingen van de Moabieten zijn volstrekt invoelbaar: Nu zal die menigte onze gehele streek afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast (Num 22,4) - waarbij het woord voor ‘afgrazen’, eigenlijk ‘oplikken’, een zeldzame term is waar naar mijn gevoel de nodige afkeer in doorklinkt. Er komen geen mensen aan, maar een onpersoonlijke massa die het land kaal zal achterlaten. Ook koning Balak verwoordt het zo: Daar is een volk getrokken uit Egypte; zie, het overdekt de oppervlakte van het land.. (Num 22,5). Letterlijk luidt de uitdrukking die Balak gebruikt: "dat volk bedekt het oog van het land". Waar je ook kijkt, overal zijn ze, het krioelt ervan. Het is veelbetekenend dat we deze uitdrukking al kennen uit Exodus 10. Daar zijn het de sprinkhanen in Egypte die "het oog van het land bedekken"(Ex 10,5.15).

Koning Balak en de Moabieten worden zo voor ons belangrijke identificatiefiguren. Want een vluchtelingenstroom die neerstrijkt als een sprinkhanenplaag - dat is een typering die vandaag veel Nederlanders zal aanspreken. Of het terecht is of niet, zo wordt het ervaren. Het wemelt ervan, overal kom je ze tegen, het land raakt verstopt, ze verdringen ons, in zwermen komen ze af op alles wat wij hebben opgebouwd.

Op deze manier worden de migranten niet gezien als mensen, maar als een plaag, als ongedierte. Koning Balak wil die plaag bezweren met een bestrijdingsmiddel. Vanaf een paar hoge punten wil hij er een vloek over laten uitstrooien, zodat hij de velden vervolgens kan schoonvegen. Ze moeten terug, de woestijn in, de zee in of wat dan ook, als wij er maar vanaf zijn.

Let wel, dat is geen gemakkelijke praat van Balak. Het is de impuls van iemand die zich bedreigd voelt in zijn eigen bestaan. Het is afweer met een ondertoon van afgrijzen. Voor mij is het meest wezenlijke ervan, dat op deze manier een persoonlijke, menselijke ontmoeting niet meer mogelijk is. Hoe invoelbaar het afgrijzen van Balak ook is, er kan alleen maar onrecht en onmenselijkheid uit volgen.

Dat geldt ook van al onze reacties op de migratie naar ons land, voor zover ze bedoeld zijn als afweer, om de plaag te stoppen. Wij strooien geen vloek, wij verzinnen andere listen, in de vorm van administratieve maatregelen waar Balak niet van kon dromen. We willen graag dat die maatregelen rechtvaardig zijn, maar ze worden niet ingevoerd om gerechtigheid te doen - ze worden ingevoerd om de plaag in te dammen. Daar kan nooit iets goeds uit volgen.

Tussen twee haakjes: na het mislukken van de bezwering blijkt dat integratie van Israël in Moab wél succes heeft: in Numeri 26 volgen de Israëlieten, zo te zien uit eigen beweging, een intensief inburgeringstraject dat bestaat in ontucht en afgoderij. Volgens Num 31,16 was Bileam trouwens het brein achter dit heilloze integratie-concept. Hier is het perspectief weer omgekeerd: hier kijkt de achterban van de migranten met afgrijzen naar de goddeloze toestanden in het gastland.

Koning Balak bracht me op het idee om nog eens zorgvuldiger te gaan kijken naar de eerste hoofdstukken van Exodus. Hij wijst er immers op dat Israël uit Egypte komt, en zoals gezegd: hij typeert ze zoals in Exodus 10 de sprinkhanenplaag getypeerd wordt. Terugbladerend realiseer ik me nu, dat een heel aantal van de tien plagen waardoor Egypte wordt getroffen (Exodus 7-12) te maken heeft met gewemel, gekrioel, met iets akeligs dat overal op en in zit, zodat je niet meer weet waar je blijven moet. Ooit nam ik op een openbare basisschool met een onbevangen groep kinderen het verhaal van de plagen door. Dat resulteerde in een creatieve verwerking waarin we behang ontwierpen: kikkerbehang, zwerenbehang, muggenbehang, sprinkhanenbehang. Niet het specifieke van kikkers of muggen of zweren, maar vooral het allesbedekkende van de plagen trok onze aandacht - het stompzinnige, het wegvallen van de exemplaren tegen de massa. Je wilt niet eens meer weten wat een kikker is als ze overal zijn, als ze in je bed en je toilet zitten en als ze je tegemoetspringen uit elk kastje dat je opentrekt.

Zou de aard van de plagen in Egypte soms te maken hebben met de manier waarop de Egyptenaren naar Israël keken? Zou het afgrijzen dat door al die kikkers en sprinkhanen wordt opgewekt, corresponderen met de afkeer die in Egypte werd gevoeld voor de uitdijende hebreeuwse ‘plaag’?

Er zijn inderdaad aanwijzingen in de tekst dat het Hebreeuwse volk in Egypte ervaren kon worden als een bedreigende massa waarmee het hele land verstopt raakte. Ook hier, net als in Numeri, helpt de verteller ons om met de ogen van de autochtonen naar de Hebreeërs te kijken:

De Israëlieten nu waren vruchtbaar en breidden zich snel uit; zij vermenigvuldigden zich en werden uitermate talrijk, zodat het land met hen vervuld werd. (Ex. 1,7)

Dat is de plaag waartegen de koning van Egypte maatregelen denkt te moeten nemen. Hij legt de Israelieten zware herendienst op, maar:

Hoe meer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en breidden zij zich uit, zodat men bevreesd werd voor de Israëlieten. (Ex. 1, 12)

Zulke zinnen helpen ons om de nachtmerrie van de Egyptenaren voorstelbaar te maken. Het rijst de pan uit, of zoals ik weleens over onze eigen migranten heb horen zeggen: ze fokken maar door, er is geen houden aan. Als je er eenmaal zo naar kijkt, zal uit angst en walging een soort spiraal van onmenselijkheid ontstaan waaruit je maar heel moeilijk weer terug kunt. In Egypte komt het tot systematische kindermoord.

Toch vertelt het verhaal ook over twee Egyptische vrouwen, die als vroedvrouwen voor de Hebreeuwse bevolkingsgroep werkten, en die zich niet gek lieten maken. Ze weten zich de ongedierte-visie, die in die anderen geen personen maar een plaag ziet, van het lijf te houden. Daardoor blijven ze ook zelf in hun persoonlijke waarde, en zijn ze de enige Egyptenaren in Exodus die we bij hun eigen naam horen noemen.

Net als in Numeri 22 imponeert mij ook hier in Exodus 1, dat het verhaal de ongedierte-associatie zelf aanlevert. Het migrantenvraagstuk wordt niet gebagatelliseerd. De schrik en de neiging tot afweer en bestrijding worden heel voorstelbaar gemaakt. Maar ook blijkt dat wie aan die neiging toegeeft, een weg van onheil inslaat. Het antwoord daarop van de Eeuwige komt blijkens de verhalen op het volgende neer: Als je mijn mensen als een plaag ziet, zul je weten wat plagen zijn. Denk je over ze als over ongedierte, dan zul je weten wat ongedierte is. De vloek die je over hen laat afroepen zal zich keren tegen jezelf. In de maatregelen die je tegen ze neemt zul je zelf verstikken, terwijl zij gezegend hun weg voortzetten.

Nu is er nog wel een hermeneutisch probleem. Want de terminologie die bij mij de associatie met ongedierte en met een plaag oproept, heeft in de Bijbel niet in de eerste plaats een negatieve klank. Al dat vermenigvuldigen en talrijk worden en het land overdekken mag dan de gezeten landsbevolking op de zenuwen werken, het is intussen wél wat in het scheppingsverhaal van Genesis 1 aan de eerste mensen wordt opgedragen. Het staat er in precies diezelfde woorden die in Exodus 1,7 worden gebruikt: Weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde (Gen 1,28). Maar in Genesis 1 zijn er geen anderen die zich daardoor in hun bestaan of welvaart bedreigd voelen.

In het voorgaande heb ik betoogd dat, in mijn overtuiging, de ontmenselijking toeslaat als we de anderen, met hoevelen ze ook toestromen, niet meer als personen zien maar als massa, als gewemel. Maar zo’n onpersoonlijke benadering is ook in Genesis 1 aan de orde. In tegenstelling tot het scheppingsverhaal in Genesis 2, waar de mensen namen hebben, waar ze spreken en aangesproken worden, gaat het in Genesis 1 vooral om het vullen van de geschapen ruimte. Zoals de zee krioelt van de vissen en de lucht vol is van vogels, zo moet de aarde wemelen van mensen.

Dat is het priesterlijke scheppingsverhaal. Het is pas nu, in dit verband, dat ik er moeite mee heb - vanwege wat ik een ‘personalistisch tekort’ zou willen noemen. Ik zou weleens willen nagaan of dat van de hele priesterlijke traditie geldt: dat ze zich meer interesseert voor getallen en gevallen, kalenders en plattegronden, dan voor personen, elk met hun eigen levensdrama. Er wordt in de bijbelse geschriften weliswaar meer dan genoeg personalistisch tegenwicht geboden - maar ik ben benieuwd of er in deze termen lijnen door de Schriften zijn te trekken, naar de profeten en misschien ook naar Jezus’ verhouding tot de priesters volgens de verschillende evangeliën.

Marten Toonder schreef al in 1960 zijn beeldverhaal "Het Lemland". Migranten maken daar hun opwachting in de stad Rommeldam. Het zijn kleine en vriendelijke wezentjes, op zoek naar het land waar alles beter is. Eerst worden ze door heer Bommel vriendelijk ontvangen, maar gaandeweg komen er steeds meer, stad en land puilen ervan uit, het wordt een ware plaag. Vriendelijke persoontjes worden in hun massaliteit ongedierte dat in alle hoeken en gaten zit. Heer Bommel, die zich over de eerste nieuwkomer had ontfermd, werpt zich een tijdlang als hun beschermer op en haalt zich daarmee de vijandschap van de stad op de nek. Helaas geeft het verhaal geen echte oplossing voor het vraagstuk: de slimme Tom Poes redt de situatie door overal richtingborden naar het beloofde Lemland te zetten, zodat de hele menigte ervandoorgaat en zich uiteindelijk, als lemmingen, in zee stort. Memorabel zijn alleen wél de laatste woorden van het verhaal, waar Olivier B. Bommel zegt: ".. Maar men moet weldoen aan een enkeling en niet aan een massa. Want een massa zoekt altijd naar Lemland waar alles beter is, als men begrijpt wat ik bedoel."

Piet van Veldhuizen

pi.veldhuizen@caiway.nl

terug