|
De enig ware godsdienst |
In hoofdstuk 4 van het Evangelie volgens Johannes heeft Jezus, op doorreis in het land van de Samaritanen, een bijzonder gesprek met een vrouw bij een waterput, aan de voet van de heilige berg Gerizim. In de loop van het gesprek zegt de vrouw: "Onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden" (20). Het is een constatering, waarmee de vrouw haar Joodse gesprekspartnes uitdaagt om stelling te nemen. Welke plek telt? Wie zijn de hoeders van de ware traditie? Wij of jullie?
Jezus antwoordt dat er een tijd komt, waarin op geen van beide plekken aanbeden zal worden. "Het uur komt, en is nu, waarin de ware aanbidders de vader zullen aanbidden in geest en waarheid" (23). Niet de Joodse of de Samaritaanse godsdienst is de enig ware. Niet de traditie telt, maar de transparantie van mensen voor God. Althans, zo wil ik voorlopig die "aanbidding in geest en waarheid" duiden.
Wij kennen in onze tijd wereldwijd heel wat conflicten waarin een godsdienstig-traditionele component meespeelt. Daarom wil ik hier Johannes 4 nader bezien met het oog op de vraag, of Jezus’ antwoord aan de vrouw misschien ook in de conflicten van onze dagen een verlossend woord zou kunnen zijn.
Toneel
Het verhaal zoals we het aantreffen in Johannes 4,4-42 vertoont een geraffineerde compositie die aan een toneelstuk doet denken. Er zijn twee hoofdpersonen die elkaar aan het begin ontmoeten: Jezus en de Samaritaanse vrouw. Beiden hebben een ‘achterban’ die in de loop van het verhaal groepsgewijs het woord zal voeren, als een soort toneelkoor: de leerlingen van Jezus, de stadgenoten van de vrouw. Er zijn ook twee plaatsen van handeling: op de voorgrond de waterput waarbij Jezus vertoeft, en op de achtergrond de stad. Het is interessant om te zien hoe de bewegingen elkaar kruisen. We horen eerst dat Jezus, vermoeid van de reis, bij de put gaat zitten (6). Als vervolgens de vrouw komt om water te putten, wordt ons verteld dat de leerlingen van Jezus naar de stad zijn gegaan om voedsel te kopen (8). Jezus en de vrouw hebben dus hun grote gesprek bij de waterput onder vier ogen. Dan komen, als in het gesprek het hoogste woord eruit is, de leerlingen terug. Ze zien nog juist met enige verbijstering hoe Jezus en de vrouw met elkaar in gesprek zijn, voordat zij op haar beurt met achterlating van haar waterkruik naar de stad vertrekt (28). Hun wegen kruisen zich hier dus uitdrukkelijk. Dan volgen twee simultane gebeurtenissen: in de stad brengt de vrouw de mensen op de been, en intussen onderwijst Jezus zijn leerlingen - en terwijl zijn gesprek met de vrouw begon met zijn verzoek om iets te drinken, begint zijn gesprek met de leerlingen met hun aanbod om iets te eten. Aan het eind komen alle personages bij elkaar. Dat zie je aankomen als Jezus tegen zijn leerlingen zegt: Jullie denken dat de oogst nog maanden op zich laat wachten, maar kijk om je heen: de velden zijn wit voor de oogst (35) - wat ze zien zijn immers de toestromende Samaritanen. Die komen massaal tot geloof en nodigen Jezus uit om bij hen te verblijven. Terwijl het verhaal begon met Jezus die, uitgeweken voor spanningen in Judea, moe en alleen bij een put langs de weg zat, eindigt het temidden van een gastvrije menigte die over hem zegt: "we weten dat deze waarlijk de verlosser van de wereld is" (42).
Tafereel
Binnen deze uitgekookte compositie wordt bovendien een tafereel opgevoerd dat de bijbellezer onmiddellijk bekend voorkomt: een man op reis komt bij een waterput, dan komt er een vrouw water putten, tussen die twee gebeurt bij de waterput iets bijzonders, de vrouw snelt naar huis om het te melden, de man wordt in huis genodigd. Zo gaat het als Abrahams knecht Rebekka treft (Genesis 24), als Jacob Rachel ontmoet (Genesis 29) en Mozes overkomt in Midian min of meer hetzelfde (Exodus 2). In die verhalen loopt het uit op een huwelijk tussen de twee die elkaar bij de waterput vinden. En laat nu over Jezus kort tevoren, in Joh 3,29, door Johannes de Doper gezegd zijn dat hij de bruidegom is, degene die de bruid heeft. De Doper duidt daarmee op het feit dat Jezus meer aanhang begint te krijgen dan hijzelf. Hij typeert zichzelf als de ‘best man’, die dienstbaar is aan en zich verheugt in het geluk van het stel.
Waterput
Een waterput is een symbool met een dubbele lading. Er is de natuurlijke component van het water, en de cultuurcomponent van de gehouwen schacht. Het water staat voor levenskracht die gratis beschikbaar is. In de Joodse traditie is het dikwijls een beeld voor de Thora waarmee God zijn mensen in leven houdt; tegelijk staat het daar en overal elders voor vruchtbaarheid, een begrip dat zowel erotiek als het perspectief van nakomelingschap behelst. Maar dit water, zo gratis als het is, is niet zonder moeite aan de oppervlakte te brengen. In tegenstelling tot de open "bron" die in poëzie dikwijls voorkomt, staat de waterput in verhalen vaak voor de complicaties die om de hoek komen kijken. Er ligt een loodzware deksel op (Genesis 29). Of er zijn tegenstanders die zich het water toeëigenen (Exodus 2). In Genesis 24 bewijst Rebecca zich als de goede bruid met een bovenmenselijke krachttoer, door afdalend en opklimmend met haar kruik tien dorstige kamelen te drenken tot ze genoeg hebben. Als Jezus en de vrouw elkaar treffen bij de put, zit er belofte in de lucht, maar liggen er ook complicaties te wachten. De eerste is dat ze een Samaritaanse is, de tweede dat ze geen meisje meer is.
Samaritaanse
De plek is geladen met de hoogten en diepten van omstreden traditie. Een diepe put aan de voet van een berg. De put verbindt Joden en Samaritanen, die zich beide op Jacob als stamvader beroepen. De berg scheidt hen, omdat de Samaritanen haar op grond van Deuteronomium als de heilige plaats bij uitstek zien. Joodse legers hadden in de 2e eeuw vóór onze jaartelling de Samaritaanse tempel op deze berg verwoest. De tekst van Johannes 4 geeft overigens subtiel aan dat niet zozeer de Samaritanen, maar vooral de Joden moeilijk doen. "Hoe kun jij mij om drinken vragen" (9), zegt de vrouw verbaasd, en niet: hoe kan ik jou te drinken geven. En later: "onze vaderen hebben op deze berg aanbeden, maar jullie zeggen dat met in Jeruzalem moet aanbidden" (20). En inderdaad, ook binnen het verhaal zijn het de leerlingen van Jezus die zich afvragen hoe Jezus zomaar met die vrouw kan praten, en Jezus moet hun voorhouden dat er reden tot vreugde is om wat hier allemaal rijpt, en niet tot besmuikt en bedremmeld gefluister.
Wat hier aan de put plaatsvindt, lijkt een symbolische hereniging te zijn van uiteengezworven familie, zoals ook het geval was in de huwelijken van Izaäk en Jacob die bij de put begonnen. Maar terwijl daarginds de familie van de bruid voor problemen en oponthoud zorgde, heeft Jezus vooral moeite om zijn eigen familie over de streep te trekken.
Geen meisje
De verhalen bij de waterput in Genesis beklemtonen dat Rebecca en Rachel meisjes zijn, mooi om te zien en nog niet uitgehuwelijkt. Daar tegenover staat de beladen huwelijksgeschiedenis van de Samaritaanse. Daarover is door commentatoren heel wat gespeculeerd. Mij lijkt dat het een opzettelijk contrast is, dat te maken heeft met het radicaal omgedraaide perspectief. Bij de put van de traditie is een nieuw begin alleen mogelijk met een ongerepte partner. Binnen de kortste keren zal ook haar leven getekend zijn door de geschiedenis, maar er moet met een schone lei begonnen worden. Traditie vereist zuiverheid, gestaafd met antecedenten-onderzoek. De vroege joodse exegese bij Genesis 24 maakt bijzonder veel werk van de ongerepte staat van Rebecca.
Maar Jezus heeft het bij de put over een bron van levend water die niet in die put opborrelt, maar die hij daar tegenover aanbiedt. Die heeft te maken met de "tijd die komt en nu is". Niet het verleden van het volk, maar de toekomst van God definieert de mogelijkheden. Niet binding aan eerbiedwaardige vastliggende tradities, maar overgave aan uiteindelijke waarheid die je nog niet grijpen kunt, kenmerkt de ware aanbidding. De beladen levensstaat van de vrouw, hoe je die ook uitlegt, is traditioneel gezien bepaald door voldongen feiten. Maar eschatologisch, vanuit het einde gezien, strekt juist dát leven zich uit naar verlossende waarheid waarin het verzadiging vindt.
Nood
Je kunt elk verhaal analyseren in termen van een probleem dat wordt opgelost of nood die gelenigd wordt. Boeiend is dat in Johannes 4 met name Jezus in nood verkeert: onverzadigd, moe, alleen zit hij bij de put, en zijn vraag om drinken is niet alleen een trucje. Openbaringsnood zou je het kunnen noemen, hij wil meedelen wie hij is, het verlossende woord van God in persoon. Halverwege openbaart hij de nood van de vrouw, het geploeter om altijddurende levensdorst te lessen. Door haar te bevrijden vervult hij zichzelf. Dat resulteert in een sneeuwbal-effect, de hele stad deelt in bevrijdend geloof. De enigen die niet expliciet meekomen in die beweging zijn Jezus’ leerlingen. Met hen zou ik me als lezer moeten vereenzelvigen. Hun repliek komt niet in de tekst voor, dat wordt ná de tekst van de lezer gevraagd: kom je mee in het feest der herkenning, of blijf je mompelend bij de mitsen en maren van de tradities? De nood ná de tekst is dus die van de "kerk" die met werkelijk verlossende woorden slecht uit de voeten kan, omdat ze meer aan haar geschiedenis dan aan Gods toekomst vast zit.
Oplossing?
Niemand van ons heeft het verlossende woord in pacht. Als we de Jezus van het Johannes-evangelie inlijven bij onze traditie, gooien we hem in onze put om die vervolgens, met de rug naar Gods toekomst gekeerd, te bewaken. Johannes 4 laat zien dat er tussen Gods bevrijdend woord (belichaamd in Jezus) en een mens die "niet van ons" is, soms beslissende dingen gebeuren terwijl de hele officiële kerk (belichaamd in de leerlingen) ergens anders boodschappen aan het doen is. Gelukkig gebeurt dat, anders gebeurde er niets. Zaak is dat de kerk om te beginnen leert, zich daarover te verheugen (36).
Een waterput heeft een geschiedenis. De bron die erin opwelt is eeuwig. Er worden verhalen verteld over het metselwerk, het hakken en graven, de twisten om het bezit van de put. Dat is cultuurgeschiedenis en kerkgeschiedenis, soms respectabel, soms afgrijselijk. Maar het gaat om het water dat door geen mens is gemaakt en door niemand kan worden geclaimd. Zo is het ook met Gods waarheid.
Piet van Veldhuizen