dr Piet van Veldhuizen
Dit artikel verscheen als Kroniek in Interpretatie, tijdschrift voor Bijbelse Theologie, nr 2007/7
Afgunst
1.
Afgunst zal er altijd zijn. Jaloers zijn we allemaal van tijd tot tijd. Maar wie is opgevoed, weet er tegenwicht aan te geven, zodat het blijft bij een moment, een steek van jaloezie. Als het goed is hebben we als kind al geleerd om, tegen de afgunst in, onze zegeningen te tellen. Als afgunst een trek van je karakter of persoonlijkheid wordt, is het een zichzelf uitbreidende holte, een concentratie op wat je niet hebt of niet bent. Dan berooft het je van je basis, het ont-aardt je. Het kan nooit leiden tot verzadiging, bevrediging of evenwicht.
Afgunst is een driehoeksverhouding, een bijzondere vorm van begeerte. Je begeert een object dat een ander wel heeft en jij niet, of een toestand waarin een ander wel verkeert en jij niet. Het is begeerte die vergelijkt, waarbij de vergelijking steevast in het eigen nadeel uitvalt. Wie jaloers is, voelt zich tekort gedaan. Bij jaloezie als structurele karaktertrek hoort zelfmedelijden. Het is een negatieve kolk die zichzelf versterkt.
Opvoeders doen er daarom alles aan om kinderen te leren, hun afgunst te beperken tot een moment, en altijd weer hun eigen positieve kracht op te zoeken, te bedenken wie ze wél zijn en wat ze wél hebben. Maar de opvoeders van onze tijd vinden de macht van de commercie tegenover zich. De commercie ziet graag bodemloze holten die schreeuwen om vulling. In talloze reclame-uitingen wordt daarom niet alleen een appèl gedaan op de begeerte, maar ook op de driehoeksverhouding die afgunst heet. Waarom zou een ander een goed pensioen hebben, een kast van een huis of een prachtige auto B en jij niet? De filmpjes tonen het geluk van iemand die het allemaal heeft, flarden van een fictieve biografie zonder schaduwkanten. Ze suggereren dat je jezelf tekort doet, of dat je écht iets verkeerd doet, als je dat geluk aan je voorbij laat gaan. Zulke lifestyle-reclames tonen maatschappelijke winners en laten de doorsnee kijker als loser achter. De reclamemakers mikken erop dat het hoekige wieltje van de afgunst zal beginnen te draaien in het binnenste van de kijker. Zo maken ze, waar ze kunnen, het noeste werk van de opvoeders weer ongedaan.
Het kabinet Balkenende-IV wil dat er in de gezinnen weer volop werk wordt gemaakt van de opvoeding. Professionele opvoeders moeten er zich in een vroeg stadium mee kunnen gaan bemoeien, en desnoods moeten ouders verplicht op training. Het is interessant dat bij menigeen herinneringen aan het Oostblok werden opgeroepen door de manier waarop minister Rouvoet de plannen presenteerde. Maar anders dan in het vroegere Oostblok mag de markt ongebreideld doorgaan met het losmaken van de krachten van begeerte en afgunst. Een niet aflatende vloed van moedwillig geconstrueerde beeldverhalen zegt: je hebt alle recht en reden om te willen hebben wat een ander heeft. Afgunst is een economische factor van belang.
2.
Het woord >afgunst= is een samengestelde vorm van >gunst=. En gunst hangt samen met gunnen, zoals winst samenhangt met winnen en komst met komen. Iemand iets gunnen: in formele zin betekent dat zoiets als >toekennen= of >toewijzen=, in minder formele zin ook >toewensen=. Dat verheldert de term afgunst, want iemand iets afgunnen (al gebruiken we dat werkwoord niet), dat is het omgekeerde van gunnen. Het is misgunnen met een richting: niet zozeer dat de ander het niet heeft of krijgt, maar dat het bij de ander vandaan jouw kant op komt.
Ik probeer het me ruimtelijk voor te stellen. Gunnen is ruimte die zichzelf aan anderen meedeelt en die anderen in zich verdraagt. Afgunst is een krappe ruimte die tegen andere ruimtes aanduwt en ze hun plaats betwist. Het doet me denken aan de eerste wiskundelessen over verzamelingen. In mijn lesboek stonden cirkels die elkaar overlappen. Soms lieten cirkels toe dat ze door elkaar liepen; dan hadden ze gemeenschappelijke stukken en elk ook nog een eigen gebied. Soms lieten ze elkaar niet toe, dan hapte de éne cirkel een stuk uit de andere. Je zag het verschil, meen ik me te herinneren, aan poreuze lijnen en gesloten lijnen. Gunst, een gunnende bestaanswijze, is leven in zo=n poreuze cirkel, waarin je de ruimte die je hebt met anderen deelt. Afgunst is leven in gesloten cirkels, waar alle ruimte ten koste gaat van die van anderen, waar je elkaar de ruimte niet gunt maar afgunt. De cirkel van een jaloers iemand is als het zaagblad van een cirkelzaag: snerpend van destructieve begeerte neemt ze happen uit andermans ruimte. Zelf wordt ze er niet groter van, wél eenzamer.
3.
Net als een cirkelzaagblad heeft de kring van een jaloerse geest een gat in het midden. Terwijl de opvoeding erop gericht is dat opgroeiende mensen een stevig en geaard midden zullen hebben, zodat ze aandacht en ruimte kunnen geven aan al het andere om hen heen, cirkelt in de afgunst alles om een leeg centrum, een zuigend gat van onvervuldheid. Aandacht voor het andere en voor de ander staat dan in het teken van het willen-hebben, maar alles wat verworven wordt verdwijnt in het gat, zodat de voldoening slechts van korte duur is. Afgunst is een gulzige vorm van egocentrisme die in de volwassenwording overwonnen zou moeten worden, maar de economische krachten van de vrije markt zien liever gulzige consumenten dan vervulde volwassenen. Vandaar de onbeschaamde verkinderlijking in reclames voor hebbedingen zoals stoere auto=s, grote televisieschermen of gelikte mobiele telefoontoestellen. De reclamefilmpjes doen een expliciete appèl op de vergelijking met buren of collega=s: dat ze beteuterd staan te kijken bij wat jij hebt aangeschaft, dat zij het nu eindelijk eens zijn die jaloers naar jou kijken in plaats van andersom. Daarmee wordt in de consument de on-opgevoede, ongebreideld egocentrische kleuter wakker gemaakt, en die wordt tot maatschappelijke norm verheven. Het blijkt te werken, kijk maar naar de aantallen mensen die vanuit een luxe situatie in een spiraal van schulden terecht komen. De schulden zijn vervolgens een maar al te werkelijke metafoor van de bodemloze put die het verkinderlijkte ego is, een maalstroom die alle ruimte opslokt. In plaats van te kunnen bouwen op eigen kracht en waardigheid, wordt iemand op die manier een afvoerkanaal van krachten die zichzelf door hem heenjagen. Zo is een tijd van hoogconjunctuur en stijgende koopkracht tegelijk een tijd van onvoorstelbare armoede, verkleutering, verlies van mondigheid en menselijke waardigheid.
4.
Is er ook hoop? Zijn er tegenkrachten te mobiliseren? De opvoedingspolitiek van de overheid zou misschien meer aandacht moeten hebben voor de noodzaak om mensen te vrijwaren van de verkleuterende krachten van consumentisme en reclame. Het appèl op afgunst in de reclame zou minstens zo serieus moeten worden genomen als het appèl op gewelddadigheid en op ongezonde eetgewoonten.
Daarnaast vraagt een structureel afgunstige samenleving om een tegenbeweging die de verworvenheden van de opvoeding bestendigt: een beweging van gunnen, van ruimte geven vanuit een gevuld midden. Dat spreekt niet vanzelf, want in een onherbergzame, door afgunst gevormde samenleving zijn ook niet-jaloerse mensen geneigd tot een defensieve houding, al was het maar om zich niet te laten aantasten door de negatieve spiralen die ze om zich heen waarnemen. Maar wat nodig is, is een offensief van gunst, het tegendeel van de zuigende stroom van de afgunst. De onlangs overleden heilssoldate Majoor Bosshardt is misschien wel hét symbool van zo=n levenslang offensief. Zij verspreidde rondom haar eigen kern voortdurend ruimte voor goedheid, ze liet anderen in die ruimte toe en gaf hen daardoor de kans om ook gunnende mensen te worden. Zij liet zien dat er niet alleen negatieve spiralen bestaan, maar ook positieve, waarin goedheid goedheid losmaakt en vrede vrede oproept. Zij was het levende tegenbeeld van afgunst.
5.
Kinderen hebben een veilige ruimte nodig om te leren, niet jaloers te zijn. Zij hebben ouders nodig die het hun gunnen dat ze zichzelf worden en hun eigen gevulde midden vinden. De potentie om anderen ruimte te geven kan alleen gerealiseerd worden als iemand zelf ruimte krijgt. Dat is een doorgeefbeweging die, zo geloof ik, begint bij God die het ons gunt dat we leven en onszelf worden. In de psalmen wordt dat ook meermalen in ruimtelijke termen verwoord: God geeft je ruimte, ook als mensen je alle ruimte betwisten. Wie belaagd wordt, pantsert zich en wordt zo de gevangene van anderen én van zichzelf. Maar God geeft je ruimte, wat Hem betreft kun je in vrijheid opbloeien, en zodra je die ruimte ervaart kun je die gunnen aan anderen.
Het werkwoord >gunnen= en zijn afgeleiden zijn in onze taal overwegend in geformaliseerd vaarwater terechtgekomen. >Gunstig= zijn vooral de prijzen en de weersomstandigheden, en in die gevallen is >gunstig= een tamelijk zuinig begrip. Verder komen het woord bijvoorbeeld nog tegen in de vorm van vergunningen, vergunningenstelsels en vergunningenbeleid. Ik kan met veel gedoe en onkosten een bouwvergunning verwerven, maar dat is niet hetzelfde als dat mij een dak boven het hoofd wordt gegund.
Misschien is >gunnen= wel het woord dat we zoeken als we vaststellen dat we er met tolerantie alléén niet komen in onze samenleving. Als we elkaar opvoeden om niet afgunstig te zijn, moeten we niet alleen leren om elkaars geluk te dulden of om ervan weg te kijken, maar vooral om elkaar het leven van ganser harte te gunnen.