|
Deuterocanonieke
boeken |
Met het begrip ‘deuterocanonieke boeken’ wordt een aantal bijbelboeken aangeduid die je zult aantreffen in roomskatholieke uitgaven van de bijbel, terwijl ze meestal ontbreken in protestantse edities. We hebben het dan over boeken als Tobit, Judit, de Wijsheid van Jezus Sirach en de boeken van de Makkabeeën. Ze stonden in protestantse kring vroeger bekend als de ‘apocriefe boeken’. Dat betekent letterlijk ‘verborgen boeken’. De term ‘deuterocanoniek’ betekent zoiets als ‘van de tweede orde’, en dat geeft beter aan waar het om gaat. Het zijn boeken die in de traditie van het jodendom en de christelijke kerk als het ware aan het randje van de Heilige Schrift staan. Hoe is dat zo gekomen?
Nog vóór het begin van onze jaartelling kwam in de joodse gemeenschappen in Israël en in de verstrooiing geleidelijk de verzameling boeken tot stand waaruit later de Hebreeuwse Bijbel (het oude Testament) zou ontstaan. De meeste van die boeken waren geschreven in het Hebreeuws en het daaraan nauw verwante Aramees, maar sommige waren ook in het Grieks gesteld. In de Griekssprekende stad Alexandrië in Egypte woonden toen meer joden dan in Palestina, en velen van hen kenden geen Hebreeuws. Toen voor de joodse gemeente daar in de tweede eeuw vóór Christus een complete Griekse versie van de bijbel werd vervaardigd, de Septuaginta, bevatte die zowel vertalingen van de Hebreeuwse boeken als de oorspronkelijk Griekstalige boeken. Maar later zouden de religieuze leiders van het jodendom alleen die boeken tot de Heilige Schrift rekenen die oorspronkelijk in het Hebreeuws of Aramees gesteld waren. De oorspronkelijk Griekstalige boeken vielen toen buiten de boot, en dat zijn nu precies de deuterocanonieke boeken.
Via de Septuaginta kwamen die boeken wél in de christelijke bijbel terecht. In de tijd dat de boeken van het Nieuwe Testament ontstonden, werd de Septuaginta algemeen gebruikt. Onder de talloze toespelingen op de Schriften die we in het Nieuwe Testament tegenkomen zijn er daarom ook heel wat die we beter begrijpen als we de deuterocanonieke boeken kennen.
In de Reformatie hebben de protestanten zich bij hun hervormingen voor een deel laten leiden door de joodse traditie. Zo hebben ze ook de rabbijnse afgrenzing van het Oude Testament overgenomen. Maar de deuterocanonieke boeken vielen in de Reformatie niet helemaal overboord. Terwijl ze in de katholieke bijbel verspreid door het hele Oude Testament te vinden zijn, werden ze in onze Statenbijbels bij elkaar gezet tussen het Oude en Nieuwe Testament in, en voorzien van een ‘waarschuwing aan de lezer’. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis werd destijds bepaald dat deze boeken nuttig waren om te lezen, maar dat er geen geloofsleer uit afgeleid mocht worden. Je mocht dus niet 2 Makkabeeën 12:38-45 aanhalen om te bewijzen dat het zin heeft om voor de gestorvenen te bidden, maar je hoorde wel kennis te nemen van deze geschriften als eerbiedwaardig deel van onze geloofstraditie. Daarom is het goed dat we in de laatste jaren, sinds het verschijnen van de herziene Groot Nieuws Bijbel, ook in protestantse kring kunnen kiezen voor een bijbel mét of zonder de deuterocanonieke boeken.
Tenslotte: bij de NBV is er behalve de protestantse uitgaven met of zonder de deuterocanonieke boeken ook een katholieke uitgave. Het verschil zit hem dan alleen in de volgorde van de boeken: in de katholieke uitgave komen Tobit, Judit, Ester en de Makkabeeën na Ezra en Nehemia. De boeken Wijsheid en Sirach volgen na het Hooglied, en Baruch komt na Klaagliederen. Ik kan u de lectuur beslist aanbevelen.
Piet van Veldhuizen