|
Artikel over euthanasie |
Toen de Nederlandse Senaat zich aanvang 2001 moest uitspreken over de voorgestelde wijziging van de euthanasiewet, wendde een heel aantal maatschappelijke organisaties zich publiekelijk tot de Eerste Kamer met het verzoek, het wetsvoorstel te verwerpen. Dit appèl werd mede ondersteund door het synode-moderamen (dagelijks bestuur) van de SoW-kerken - de zich verenigende kerken van de gereformeerde en lutherse tradities, waarvan 2,5 miljoen nederlandse protestanten lid zijn. Maar intussen ondertekenden ongeveer 150 protestantse predikanten uit diezelfde kerken een oproep aan de Senaat om de stem van het moderamen ditmaal niet te beschouwen als de stem van de Nederlandse protestanten, aangezien het moderamen noch de predikanten, noch de kerkleden had geraadpleegd, terwijl velen van hen de nieuwe wet van harte verwelkomen.
Persoonlijk voel ik me noch in het kamp van de ijveraars tégen euthanasie, noch in de kring van enthousiaste voorstanders thuis. In dit artikel wil ik het eerst hebben over de wet zelf, omdat dikwijls blijkt, dat de discussie de inhoud van de wet volledig miskent. Daarna zal ik eerst het pleit voeren vóór deze wet, alvorens ik mijn eigen bedenkingen zal formuleren. Zowel de verdediging als de bedenkingen baseer ik op ervaringen uit mijn eigen pastorale praktijk. Ten slotte zal ik bij één voorval stilstaan, waarin ikzelf als pastor bij een euthanasie-voltrekking aanwezig was.
De wet, inmiddels in beide kamers van het parlement aanvaard, heet: "Controle bij levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding". Met deze wet tracht de regering in het belang van patiënten en artsen een praktijk te reguleren, die in feite reeds lang bestaat. Als gevolg van het medische zorgstelsel, waarbij iedere burger zijn eigen huisarts heeft, wordt die arts tot vertrouwenspersoon voor de zieke. Het komt voor, dat de patiënt in een uitzichtloze situatie zijn arts vraagt, om hem te helpen waardig te sterven. Het komt vervolgens ook voor dat de arts, dikwijls na lange gesprekken, zich in zijn geweten verplicht voelt om aan dat verzoek te voldoen. Vroeger zwegen artsen in zulke gevallen, net zoals overal elders in de wereld, over hun rol, of gaven ze een niet geheel kloppende doodsoorzaak op. Ook de familie moest tegenover de omgeving zwijgen over de toegepaste euthanasie. Door dit taboe ontstond een riskant grijs gebied, omdat van buitenaf noch de wil van de patiënt, noch de gevolgde methode van de arts kon nagaan.
Daarom werd ook eerder al. van de artsen gevraagd om het voornemen om euthanasie toe te passen, aan te melden bij de officier van justitie: hoewel het voltrekken van euthanasie een onwettige en strafbare handeling was, zouden artsen niet gestraft worden, asl het Openbaar Ministerie kon vaststellen, dat zij op verantwoordelijke wijze en op gefundeerd verzoek van de patiënt zelf hadden gehandeld. Op die manier werd euthanasie een gedoogd verschijnsel in de marge van het recht.
Het bleek echter, dat veel artsen er niet happig op waren om zichzelf als misdadigers aan te melden en dan te wachten op een beschikking van het Openbaar Ministerie inzake strafuitsluiting. Daarom is euthanasie met de huidige wet gelegaliseerd onder de voorwaarde, dat aan bepaalde eisen is voldaan. Er is een speciaal controle-orgaan in het leven geroepen, waarin artsen, ethici en juristen zitting hebben.
Euthanasie mag alleen worden voltrokken door de eigen huisarts van de patiënt, die aan de volgende zorgvuldigheidseisen moet voldoen (ik citeer hierna de officiële tekst). Hij dient:
a. ervan overtuigd te zijn dat er sprake is van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt;
b. ervan overtuigd te zijn dat de patiënt ondraaglijk lijdt zonder enig perspectief op verbetering;
c. de patiënt te informeren over de toestand waarin deze zich bevindt en over zijn vooruitzichten;
d. samen met de patiënt tot de overtuiging te komen dat er voor de situatie waarin de patiënt zich bevindt, geen andere aanvaardbare oplossing is;
e. minstens één onafhankelijke arts te raadplegen, die de patiënt visiteert en een schriftelijke verklaring aflegt betreffende de zorgvuldigheidseisen a. t/m. d.;
f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding op medisch verantwoorde wijze toe te passen.
Euthanasie die toegepast wordt zonder dat aan al. deze eisen is voldaan, wordt als doodslag beschouwd. Sensationele berichten of commentaren, bijvoorbeeld over een "schip des doods" onder Nederlandse vlag waar men euthanasie kan krijgen, dienen daarom niet serieus genomen te worden. Er zijn weliswaar ondernemers die publiekelijk belangstelling tonen voor het ontwikkelen van zulke handel, maar de euthanasiewet staat dat niet toe. Op de vraag, of een patiënt naar Nederland kan komen voor euthanasie, luidt het officiële antwoord van regeringswege: "Dat is niet mogelijk, met het oog op de noodzaak van het bestaan van een vertrouwensband tussen de uitvoerend arts en de patiënt."
Ook het kwaadaardige commentaar, dat de nieuwe wet in Nederland het mogelijk maakt, bejaarden een spuitje te geven om van ze af te komen, is volstrekt bezijden de zaak. Er is binnen de wet geen enkele mogelijkheid om iemand wettig het leven te benemen die daar zelf niet bij vol bewustzijn om heeft gevraagd. Als iemand niet in staat is, om zijn verzoek goed te overwegen, is euthanasie uitgesloten - behalve wanneer die persoon eerder bij zijn eigen arts een schriftelijk verzoek heeft ingediend met betrekking tot een specifieke situatie in de toekomst. De arts is in zo=n geval nog steeds verplicht om aan alle genoemde eisen te voldoen. Als dus een patiënt schriftelijk heeft verklaard, euthanasie te wensen als er een uitzichtsloze situatie zonder perspectief op herstel ontstaat - en de patiënt wordt vervolgens dement, dan is de arts geenszins bevoegd om die persoon "een spuitje te geven" alleen vanwege die dementie.
Ik heb hiermee, denk ik, ook wel duidelijk gemaakt dat er geen sprake van kan zijn dat euthanasie ter plekke, op het eerste verzoek wordt verleend. Vanaf het eerste verzoek duurt het minstens enkele weken, en vinden er meerdere intensieve gesprekken plaats, voordat het eventueel tot de uiteindelijke handeling komt. In de praktijk betekent dit, dat in tweederde van de gevallen op een verzoek helemaal geen euthanasie volgt: de patiënt trekt zijn verzoek in, of dikwijls ook sterft hij voordat het besluit wordt genomen een natuurlijke dood - óf de arts onthoudt zijn medewerking omdat hij de zorgvuldigheidseisen niet voldaan acht. Een arts is overigens nooit verplicht om euthanasie toe te passen, zoals ook niemand die in de gezondheidszorg werkt, gedwongen kan worden om aan de voorbereidingen voor euthanasie mee te werken.
Voordat ik mijn bedenkingen formuleer, wil ik nu de argumenten vóór deze beperkte legalisatie van euthanasie op een rijtje zetten.
1 Het fundamentele feit is, dat mensen vragen om euthanasie, voor zichzelf, om voor zichzelf in het uiterste geval zeker te zijn van een waardige dood. Hoe dan ook dient zo=n verzoek serieus genomen te worden.Hier speelt in zekere mate het feit mee dat in het Nederlandse recht het plegen van zelfmoord al. sinds lang niet als strafbare handeling geldt. Het respect voor iemands wens om niet meer te leven heeft daarmee een zekere traditie. Daarentegen moet worden benadrukt dat zelfs de huidige euthanasiewet niemand een recht op levensbeëindiging toekent.
2 Het fundamentele streven van de wetgever is, om te komen tot zo groot mogelijke openheid op dit gebied. Als mensen hoe dan ook in de uiterste situatie hun arts zullen bewegen om hen te helpen sterven - dan dient die kwestie goed geregeld te worden, om helder te kunnen onderscheiden tussen eigenlijke, met volle beiderzijdse verantwoordelijkheid toegepaste euthanasie, en een praktijk waarin iemand zomaar een spuitje krijgt of een zieke met kwade bedoelingen uit de weg wordt geruimd. Ook moet voorkomen worden, dat verheimelijking en leugenachtigheid rond euthanasie negatief inwerkt op het geweten en het ethos van de artsen.
3 Fundamenteel gegeven is ook, dat de wetenschappelijke vooruitgang zo verregaand heeft ingegrepen in het menselijk leven en de grens daarvan in veel gevallen zodanig heeft opgerekt, dat je niet zomaar meer kunt zeggen dat de mens het recht niet heeft om de grens van het leven te bepalen. Een groot deel van de gevallen waarin het komt tot een verzoek om euthanasie, is een gevolg van de medische vooruitgang (in 90 procent van de gevallen gaat het om kanker bij mensen op hoge leeftijd). In een situatie, waar de medische wereld de patiënt onderwerpt aan therapieën die hem uitputten en die soms de kwaliteit van leven teniet doen, moet de geldigheid van de eed van Hippokrates in haar huidige vorm ter discussie worden gesteld. Dat is een uiterst delicate zaak, maar tegelijk kun je er niet omheen.
4 Het blijkt, ook in mijn pastorale praktijk, dat de mogelijkheid om open over eventuele euthanasie te spreken, veel ouderen en zieken innerlijke rust verschaft. Soms laten gemeenteleden mij een kopie lezen van hun schriftelijke wilsverklaring - vooral degenen die geen naaste familie (meer) hebben en die erg bang zijn van het moment waarop ze de macht over zichzelf verliezen, want wie weet wat er dan met hen zal gebeuren. Dodelijk zieke mensen bespreken dikwijls zowel met hun arts als met hun pastor, hoeveel lijden ze aankunnen, en of ze op een gegeven moment om een genadige dood mogen vragen. Die openheid op zich helpt patiënten dikwijls om het laatste traject van hun leven met minder angst af te leggen - om meestal toch een natuurlijke dood te sterven.
Nu kom ik bij mijn bedenkingen. De eerste betreft het zeer ongelegen tijdstip waarop de wet werd aangenomen. In de laatste jaren is de zorg voor ouderen en zieken in Nederland gestaag verslechterd, zowel door gebrek aan personeel, alsook door gebrek aan (of verkeerde besteding van) budgetten. Ouderen en zieken worden dat zeer pijnlijk gewaar: verpleegsters en verzorgsters hebben altijd haast, ze hebben niet meer (zoals ooit) tijd voor een praatje, ze komen onregelmatig. Er is een groeiende anonimiteit die gepaard gaat met het gevoel, dat je niet gewenst meer bent in de samenleving. Op zo=n moment kan het publiekelijk ter sprake brengen van het thema "euthanasie" al. worden begrepen als een suggestie, dat de gemeenschap van overbodige mensen af wil. Ik ben van mening, dat we, als we over euthanasie spreken, tegelijkertijd alles moeten doen om die zorgsituatie te verbeteren en de mensen een goede zorg tot aan hun dood moeten garanderen.
Mijn tweede bedenking is meer fundamenteel: in mijn overtuiging is de dood niet zomaar de beëindiging van het leven, maar een groot geheim. Naar mijn (natuurlijkerwijs beperkte) ervaring is het stervensproces iets heiligs en onpeilbaars. In de discussie rond euthanasie ontbreekt dikwijls dat moment van heiligheid. Het besef ontbreekt, dat waardig sterven iets anders zou kunnen zijn dan de hygiënische en pijnloze beëindiging van het fysieke bestaan.
Om mijn derde, eveneens fundamentele bedenking uit te leggen, zal ik een concreet voorval vertellen. Mijnheer S., een zeventigjarig gemeentelid, kreeg longkanker. Na verloop van tijd bleken er uitzaaiingen te zijn in zijn hersenen en ook elders. Hij kwam uit het ziekenhuis thuis om daar zijn laatste maanden of weken door te brengen, verzorgd door zijn vrouw. Een paar maal per dag kwam een verpleegster om al. datgene te doen waarvoor zijn vrouw de kracht of de vakkundigheid miste. De vrouw was er bij alle verdriet mee getroost, dat zijzelf tot het laatste toe voor haar man kon zorgen.
Maar mijnheer S. had liggend op zijn bed voor het eerst van zijn leven de situatie niet onder controle. Voor het eerst wat hij helemaal afhankelijk van zijn vrouw en was hij niet de baas in zijn eigen huis. Dat was voor hem onaanvaardbaar. Hij kwam tot de slotsom dat hij zo niet wilde leven. Alles om hem heen was altijd op zijn bevel gebeurd (hij was beheerder van een grot boerenbedrijf en trainde paarden), dus ook zijn dood zou op zijn bevel komen. Zo, tenminste, heb ik het aangevoeld.
Eerst vroeg hij mij als zijn pastor, of ik bereid zou zijn om, als het tot euthanasie zou komen, erbij te zijn. Ik zei hem dat ik hoopte, dat het zover niet zou hoeven komen, maar als het zover komt, natuurlijk, dan zal ik er zijn - al. was het maar voor zijn vrouw, maar ook voor hemzelf, ook al. kon ik mij met zijn besluit niet verenigen.
Daarna begon hij gesprekken met de arts. Hij oefende een geweldige druk op hem uit. Hij voerde steeds aan dat hij zijn paarden ook niet als honden liet doodgaan, maar ze als het nodig was een handje hielp. Zijn vrouw, radeloos als ze was, steunde zijn verzoek. Als dat het laatste is wat je voor hem doen kunt - zei ze - en als hij dat echt wil, dan moet het maar gebeuren.
Na twee weken waarin hij mijnheer S. bijna dagelijks bezocht, kwam de huisarts bij mij om te vertellen dat zij erin had toegestemd. Mijnheer S. had alle benodigde papieren getekend, de arts had het hele dossier voor de officier van justitie klaargemaakt - want het speelde zich allemaal vóór invoering van de huidige wet af. Mijnheer S. bepaalde zelf dag en uur, nodigde zijn kinderen uit, en verzocht mij om een sobere gebedsdienst. De arts lichtte de officier van justitie in, zodat die er eventueel bij aanwezig kon zijn.
Het vastgestelde moment brak aan. Ik ging voor in een avondgebed, waarbij ik in mijn overdenking ook iets van mijn weerstand en pijn liet meeklinken. Ik zegende het gezin. De arts vroeg voor de laatste keer, of mijnheer S. volhardde in zijn wens om door euthanasie te sterven. Daarna gaf hij hem twee injecties: één waardoor hij insliep, en na een minuut de tweede, dodelijke. Mijnheer S. was dood. De huisarts trok zich in een hoek van de kamer terug en zat stil te huilen. Zelf heb ik uren over het lichaam van de gestorvene heen zitten praten met zijn vrouw en kinderen. Bij zijn begrafenis had ik de gelegenheid om de allergrootste zwakte van mijnheer S. bij de naam te noemen: dat hij niet kon leven van de genade van zijn vrouw of van anderen, dat hij als de koppigste van al. zijn vroegere paarden andermans hand niet verdroeg, en daarom losbrak uit het leven. Zijn vrouw had van hem gehouden zoals hij was - maar ze bleef met lege handen achter. Hij stond haar niet toe, om haar liefde tot het laatst aan hem te bewijzen.
Daar zit mijn bedenking, niet tegen euthanasie op zichzelf, maar tegen een tendens die voelbaar is in veel discussies over het thema: dat mensen hun leven in eigen hand willen hebben, of anders helemaal niet willen leven. Ik meen, mede op grond van mijn geloof, dat één van de grootste levenslessen is, dat we leren van genade te leven - van de genade van onze allernaasten, van Gods genade. De bereidheid om jezelf in de handen en de zorg van een medemens over te geven, hoe pijnlijk dat dikwijls ook is, weerspiegelt de uiteindelijke bereidheid om zich in Gods handen over te geven. Of nog heel anders: als iemand vindt dat hijzelf alleen de moeite waard is, als hij bij zijn volle verstand is en voor zichzelf kan zorgen - dan heeft hij geen benul van de werkelijke waarde van de mens.
Terugkijkend zie ik, dat ik als pastor op dezelfde - misschien wel typisch Nederlandse - manier redeneer als de regering. Ik voel weerstand, ik zou willen dat het hele verschijnsel er niet was - maar ik erken ook dat als het er wél is, ik er mijn ogen niet voor mag sluiten. Ik zal de euthanasie wel nooit zegenen, maar ik zal wel mensen zegenen, ook mensen die tot euthanasie hebben besloten. Ik had het er destijds zwaar mee om in dat bewuste huis de pastor te zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat het daar zonder pastor erger was geweest.
Ziedaar ons Nederlandse probleem: we willen niet dat er in de verschillende marges van de samenleving donkere hoeken ontstaan waar slechte dingen gebeuren - en dus maken we ons voortdurend medeplichtig aan dingen die twijfelachtig of controversieel zijn: drugs, prostitutie, abortie, euthanasie. We kunnen ons niet distantiëren van die moeilijke en dikwijls trieste gevolgen van de voortgang van onze beschaving - we kunnen ook niet als christenen uit die ontwikkeling voor onszelf alleen het beste nemen, en de rest vervloeken en aan anderen overlaten.
Persoonlijk sta ik wat euthanasie betreft niet op een uitdrukkelijk standpunt "voor" of "tegen". Ik heb overwegingen vóór en bedenkingen tégen genoemd. In concrete gevallen, als ik mijn eventuele medewerking als pastor moet overwegen, sta ik elke keer als het ware opnieuw voor God. Want het enige dat ik niet in andermans handen mag overgeven, is mijn geweten.
Piet van
Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl