dr Piet van Veldhuizen
Dit was de openingstoespraak bij een expositie van rokjes, tonworpen door meisjes en jonge vrouwen uit reformatorische kring, in het kader van Calvijn 500 (2009) bij de Dordtse galerie Intermezzo. Uitgesproken in cultureel centrum Cascade te Hendrik-Ido-Ambacht op 6 maart 2010.
|
1.
Kleding heeft een raadselachtige eigenschap, namelijk dat het
twee tegengestelde dingen tegelijk doet. Het bedekt je, en het onthult
je. Het bedekt wat je bent, je vrouwelijkheid of je mannelijkheid, maar
tegelijk onthult het wie je bent. Die dubbelheid werkt op allerlei
manieren door. Ik ga er een aantal noemen. 2.
Het begint al helemaal aan het begin. In het bijbelse verhaal
over de eerste mensen komen de kleren pas als mensen zich ervan bewust
worden, wie ze zijn. De mensen hebben dan met hun kleren iets te
verbergen, maar ze hebben ook iets te vertellen, ze zijn voor het eerst
een individu. Kijk maar naar het verschil in die eerste hoofdstukken van het boek Genesis: als Adam in het paradijs, voordat er kleren zijn, voor het eerst zijn vrouw ziet, roept hij uit: ‘dát is tenminste vlees van mijn vlees en gebeente van mijn gebeente - ik noem ze mannin.’ Dus hij ziet niet haar, maar meer van zichzelf, hetzelfde soort. Maar als ze gegeten hebben van de verboden vrucht, en ze zijn zich ineens van zichzelf bewust geworden, en God heeft ze duidelijk gemaakt dat het over is met de paradijselijke onschuld – wat is dan het eerste wat diezelfde Adam zegt, nog juist vóórdat ze uit het paradijs worden verdreven? Dan heeft ze nét haar eerste kleren aan en hij geeft haar een naam, hij noemt haar Eva, wat léven betekent. Niet meer mannin, een afgeleide van hemzelf – hij ziet haar opeens staan, ze ís iemand voor hem, met een eigen kracht. 3.
Kleren bedekken én ze onthullen. Je kunt ook zeggen: kleren
maken ons tegelijkertijd minder individueel en méér individueel. Door
kleren lijken we op elkaar, en door diezelfde kleren verschillen we van
elkaar. Als je veel mensen bij elkaar ziet zonder kleren aan (maar dat overkomt de meesten van ons misschien niet zo vaak) – dan is het meest opvallende hoe ontzettend verschillend wij onderling zijn van lichaamsbouw. Mensen zonder kleren lijken helemaal niet op elkaar. De een heeft een zwaar lijf op spillebeentjes, de ander heeft een mager torso op een stevig onderstel, ik noem maar wat. Op tekenles leer je dat er vaste verhoudingen zijn tussen hoofd, lijf en benen, en modellenbureaus kiezen mensen uit die allemaal aan die verhoudingen voldoen, maar in het echt is het helemaal niet zo. We zijn o zo verschillend, echt waar. En het eerste wat kleren doen, is dat ze die verschillen voor een groot deel bedekken. De meeste verschillen in lichaamsbouw vallen een heel eind weg doordat we allemaal een zelfde soort kleren dragen. Zo maken de kleren ons minder individueel. Maar vervolgens kleedt ieder zich op een eigen manier, en zo maken ze ons weer méér individueel. Ze bedekken hoe we nu eenmaal zijn, maar ze onthullen welke keuzes we maken. 4.
En zo gaat het ook verder. Kleren maken ons minder individueel
doordat ze laten zien tot wat voor groep we behoren. Als je ‘s morgens
aan fietsroutes naar Rotterdam gaat kijken, zie je veel refomeisjes
fietsen, en die zien er als groep echt anders uit dan alto-meisjes, om
maar wat te noemen. De rokken vormen dan een groepscode, maar
tegelijkertijd hebben geen twee meisjes dezelfde rok aan. Je bent één
met de groep door een rok aan te doen (vrijwillig, of omdat het beslist
van je verwacht wordt), maar je bent jezélf door te kiezen voor een
lengte, een kleur, een stof... 5.
Die groepscodes zijn trouwens ook tijdgebonden. In
reformatorische kringen dragen vrouwen rokken en jurken omdat broeken
als mannenkleding gelden, maar dat is natuurlijk niet altijd zo geweest.
De allereerste broeken zijn in de vroege Middeleeuwen speciaal ontworpen
voor vrouwen, en pas veel later zijn mannen ze gaan dragen omdat het erg
handig was bij het paardrijden. Dus als je heel strikt wilt zijn met het
gebod in het bijbelboek Deuteronomium, dat mannen en vrouwen niet
elkaars kleren moeten dragen, dan moeten de mannen een voorbeeld nemen
aan Prins Charles, en het dragen van broeken aan vrouwen overlaten. Iets dergelijks zien we in onze dagen met de hoofddoek. Veertig jaar geleden, toen ik een kind was, droeg mijn moeder op straat bijna altijd een hoofddoek. Behalve op zondag, dat had ze naar de kerk haar hoed op. Nú gebruikt ze haar hoofddoeken niet meer, want tegenwoordig denken we bij hoofddoeken direct aan de islam. En hoe meer nadruk erop gelegd wordt door voor- en tegenstanders, hoe meer moslimmeisjes hoofddoeken gaan dragen. Daar zie je dan precies hetzelfde gebeuren als met de rokjes van de refomeisjes: door de hoofddoek hoor je bij de groep, dus word je minder je eigen individuele zelf. Maar door de keus voor jouw hoofddoek kun je ook juist méér jezelf worden. Vandaar dat sommigen de hoofddoek zien als teken van onderwerping aan hoe-het-moet, en anderen juist als teken van trots op wie-je-wilt-zijn. 6.
Zo gaat het overal: kleding maakt minder individueel én meer
individueel. Dat geldt ook voor de mode: die maakt dat heel veel mensen
per seizoen één lijn volgen, maar tegelijk vinden die mensen het een
ramp als ze per ongeluk naast iemand komen te zitten die precies
hetzelfde aan heeft. Want binnen de voorschriften van de mode wil je
toch je eigen figuur slaan. Hetzelfde zie je met dresscodes voor feesten: dan moet iedereen hetzelfde aan, maar tegelijk hoop je dat iedereen het verschillend oplost. Kleding maakt gelijk én maakt verschillend. Kijk ook maar straks: allemaal meisjes in rokken, overwegend dezelfde kleuren en stoffen, en toch heel verschillende creaties. 7.
Door die dubbelheid (dat ze het individu relativeert én
versterkt) heeft kleding te maken met respect, en dat geldt ook voor de
kleding die zo dadelijk wordt geshowd. Het is altijd een balans tussen
respect voor een traditie, en zelfrespect. Je draagt misschien een rok
omdat je de reformatorische code volgt, maar je draagt wel déze rok en
die zegt iets over jou en over jouw keuzes. Want je bent tegelijkertijd
ingebed in een traditie, en een uniek mensenkind. Als dominee zeg ik
dan: je bent een parel in Gods hand, uniek en bijzonder, maar je bent
ook een parel in het parelsnoer van al Gods mensenkinderen. Soms wacht
je erop om te worden opgepakt en gekoesterd om jouw unieke waarde; soms
is het een weldaad om te worden geschikt in een groter geheel, een
traditie als een groot en samengesteld sieraad. Maar nooit mag het erom
gaan, dat de macht van de groep jouw eigenwaarde en zelfrespect de kop
in drukt. Want buigen doe je alleen voor God, en dat is dan altijd een révérence
van een geliefd mens voor haar of zijn Schepper. 8.
Een allerlaatste voorbeeld van kleding die de drager minder
individueel én meer individueel maakt, heb ik meegebracht. Ik draag in
de kerkdiensten altijd een toga. Die bedekt mijn hele lichaam en verhult
mijn vorm. Dat is een teken van het feit dat ik tijdens de kerkdienst in
hogere dienst sta. Ik sta dan niet mezelf uit te leven en mijn eigen zin
te doen, maar ik vervul een ambt en spreek woorden op hoger gezag. Maar tegelijk bestaat er van deze toga maar één exemplaar. Hij is tien jaar geleden ontworpen en gemaakt door textielkunstenares Cora de Kok uit Dordrecht, speciaal voor mij. Voor haar was het de allereerste toga die ze maakte, en ik ben er trots op dat de gebruikte stoffen gewoon van de Dordtse stoffenmarkt komen. Het zijn stoffen uit het gewone leven, toegewijd aan de dienst van God. Ik bedek mezelf ermee, want mijn persoontje wijkt terug als ik het Woord van God verkondig. Maar de manier waarop ik mezelf bedek, is toch weer hoogst persoonlijk. Want ónpersoonlijk mag het in de wereld en in de kerk nooit toegaan. Dank u wel. Piet van Veldhuizen |