|
Zo kwamen we terug bij
HEER |
In de [Nieuwe Bijbelvertaling] zal de onuitsprekelijke Naam van God toch weer worden weergegeven met Heer. Dat besluit zou mij zeker erg teleurgesteld hebben, als ik niet zelf als NBG-bestuurslid betrokken was geweest bij het proces van wikken en wegen dat eraan voorafging. Evenals heel wat andere bestuursleden ben ik dat proces ingegaan met het idee, dat dit dé kans was om het geheim van de onuitsprekelijke Naam vrij te maken uit dat al te vertrouwde letterbeeld, het een nieuw gewaad te geven - niet mannelijk, niet hiërarchisch, en vooral ook: zichtbaar de omhulling van wat onzegbaar is.
Toch hebben we aan het einde van de rit unaniem gekozen voor de weergave Heer - zonder triomfantelijkheid, eerder een beetje verbouwereerd. Daarom steekt mij wat Kees Posthumus schrijft (Baas in eigen bijbel, W&D 7/2001): “Niets zo mooi als een verdeelde tegenpartij. En dus konden de besturen van NBG en KBS (in meerderheid mannen) de knoop doorhakken: het blijft gewoon HEER. Lekker vertrouwd, geen gedoe.”
Ik heb er behoefte aan, te schetsen hoe ik persoonlijk de besluitvorming heb meegemaakt. Daarmee wil ik een ander beeld geven dan het cynische plaatje dat Posthumus neerzet, en tevens stof tot nadenken aanreiken over de zaak zelf.
Voor de duidelijkheid: het gaat over de ruim 6800 keren dat in het Oude Testament de heilige Naam uitgeschreven staat met de vier Hebreeuwse letters jod-he-waw-he. In de joodse traditie wordt de Naam niet uitgesproken. Elke keer als de joodse gelovige al lezend op de Naam stuit, ziet hij die wel staan, maar zegt hij uit eerbied iets anders: dikwijls “Heer”, of “Eeuwige”, of een andere aanduiding. Eeuwen van eerbiedige omgang hebben ertoe geleid dat we niet eens meer weten, hoe de naam klinkt, want het hebreeuwse schrift geeft alleen de medeklinkers.
De Statenvertaling en de NBG-vertaling van 1951 hebben de joodse eerbied overgenomen. De hoofdletters van “Heer” willen dan ook zeggen: Achter dit woord gaat de heilige Naam schuil. Hier staat niet wat er staat. Maar helaas, zelfs de meest trouwe bijbellezers en kerkgangers blijken meestal niet op de hoogte van die betekenis. Voor hen is Heer gewoon Heer met hoofdletters. Daarmee is de eerbiedige opzet van de vertaling althans gedeeltelijk mislukt.
De eerste proeve van de NBV (“Werk in uitvoering” deel 1) verscheen in 1998, met Heer als weergave van de Godsnaam. Dat berustte niet op een besluit van de besturen van KBS en NBG, want die houden zich op gepaste afstand van het vertaalproject. De weergave van de Godsnaam was binnen het project voorlopig bij het oude gelaten, deels uit inhoudelijke overwegingen en deels om het debat af te wachten nadat de proefballon was opgelaten. De reacties op de proeve brachten de projectleiding ertoe, de kwestie van de Godsnaam aan de besturen voor te leggen.
Een werkgroep van NBG-bestuursleden, door de staf voorzien van de nodige onderzoeksrapporten, moest een aanbeveling formuleren. Ik had het geluk, van deze “commissie Godsnaam” deel te mogen uitmaken.
Toen ik voor die commissie gevraagd werd, had ik mijn voorkeuren helder op een rij. Het liefst zou ik een bijbel zien waarin de Naam wordt weergegeven met Jhwh - zodat je geconfronteerd wordt met het geheim. Een leeswijzer of voorleesregel zou moeten aangeven hoe je al lezend met de Naam kunt omgaan. Daarbij zouden verschillende aanduidingen van de Eeuwige aangereikt kunnen worden, waaruit de lezer een bewuste keus moet maken.
Mijn tweede keus was de aanduiding “Eeuwige”, omdat ik die zelf dikwijls invul als ik in mijn bijbel Heer tegenkom. Tenslotte, als derde keus, had ik het idee dat er per keer iets anders zou staan, maar steeds typografisch herkenbaar als naambordje waarachter de heilige Naam schuil gaat.
In ieder geval stond voor mij (en niet alleen voor mij) vast dat het iets anders moest worden dan Heer, zodat de nieuwe Bijbel voor de Nederlandse gelovigen, juist ook voor de oudgedienden, een nieuwe ontmoeting en een bewuste omgang met de Naam zou brengen.
Toen begonnen de gesprekken. Een belangrijk aspect daarin was dat de NBV bedoeld is als bijbel voor een zeer breed scala van lezers: mensen die het boek als literair werk lezen, mensen voor wie het de eerste aanraking met joodse en christelijke bronnen is, kerkgangers van allerlei pluimage, scholieren, joodse en christelijke thuis-lezers.
De keuze voor de weergave Jhwh hield wel stand voor liturgisch gebruik, want voorlezers kun je instrueren. Ook voor de Bijbel als literair werk, want de onuitsprekelijke naam behoort tot de karakteristieke trekken van dit werk. Maar wat gebeurt ermee als mensen thuis gaan bijbel lezen, of als scholieren er op school mee moeten werken? Zeggen ze Jéhawéha, of wordt het dinges? Hoe gaan Youp en Freek het uitspreken en hoe vaak gaat dat nog nagezegd worden? Ik heb lang volgehouden dat wij daarvoor niet verantwoordelijk zijn, maar ik ben me ook gaan afvragen hoeveel blasfemisch gehannes met de Naam ik zou kunnen verdragen.
Trouwens, wat doe je als mensen in de kerken toch de Naam gaan uitspreken? Want inderdaad, hoe vaak ik er ook op wijs dat dit niet de bedoeling is, als ik een tekst laat voorlezen waarin Jhwh voorkomt is het steeds weer raak, altijd begint er wel weer iemand Jahwe te zeggen. En dat doet mij nog altijd pijn aan de oren.
Over de mogelijkheid om consequent over de Eeuwige te spreken, waren de gesprekken veel meer inhoudelijk. Als je een aanduiding kiest die een kwalificatie inhoudt, is dit dan de juiste? De hebreeuwse letters van de Naam duiden meer op een betekenis als “Ik ben erbij” - dus de Aanwezige. Dat laatste hebben we serieus bekeken, maar in veel zinsverbanden komt dat niet goed uit. Dan toch maar elke keer een andere aanduiding - Eeuwige, Barmhartige, Aanwezige, al naar gelang de context? Nee, dachten we, want vooral de luisteraar weet dan nooit meer achter welke woorden de Naam schuilgaat.
Zo kwamen we terug bij Heer, met alle bezwaren die aan deze weergave kleven. Al vóór de christelijke tijd werd de Naam in de Griekse vertaling van de joodse Bijbel weergegeven met Kyrios, “Heer”. Ook in het Nieuwe Testament, waar uiteraard de hebreeuwse Godsnaam niet voorkomt, lijkt Kyrios de weergave van de heilige Naam te zijn. Als het hoe dan ook behelpen blijft, zo redeneerden we - dan maar behelpen in goed gezelschap, in een lange joodse en christelijke traditie. De bezwaren dat deze aanduiding te mannelijk en te hiërarchisch is, blijven staan en worden erkend. Aan elk alternatief kleven overeenkomstige bezwaren, waarbij het gewicht van de bezwaren per doelgroep wisselt. Is het nodig toch één keus te maken, dan is Heer per saldo de minst willekeurige verlegenheidsoplossing.
Het KBS-bestuur had intussen ook een keus gemaakt. Daar liep de discussie weer anders, omdat de katholieke Willibrordvertaling van 1977 de heilige Naam schrijft als Jahwe. Het katholieke publiek is dus een tijdlang gewend geweest aan het uitspreken van de Naam. De allernieuwste editie van de Willibrordvertaling heeft, aansluitend bij de joodse omgang met de Naam, toch weer Heer, maar gezien de bezwaren die daaraan kleven opteerde het KBS-bestuur nu voor de weergave Jhwh.
Het bijzondere van de gesprekken tussen beide besturen is, dat het tegen onze eigen verwachtingen in geen touwtrekken is geworden. We kwamen met z’n allen uit op de weergave waarvan voor mij en een heel aantal anderen eerder had vastgestaan dat die het in elk geval niet mocht worden. Vandaar dat de keuze voor Heer zonder triomfantelijkheid werd gemaakt, en met een sterk besef dat het een allesbehalve volmaakte verlegenheidsoplossing is. Voor een aantal bestuursleden en hun achterbannen kwam het ongetwijfeld prima uit, maar dat was niet de algemene teneur.
Voorwaarde bij deze keuze is, dat meer dan ooit duidelijk moet worden, dat de aanduiding Heer een bordje is over de Naam heen - en dat van de gelovige gevraagd mag worden, daar niet klakkeloos Heer te zeggen. Daarom werden bij het besluit twee aanbevelingen gevoegd. Ten eerste om te zoeken naar een in het oog springende typografie die, sterker dan de huidige hoofdletters van Heer, als een soort alarm werkt. En ten tweede om een leeswijzer toe te voegen die lezers aanmoedigt om bewust andere aanduidingen te kiezen, zodat het aanbiddings-karakter van het Schriftlezen opnieuw in de aandacht komt. De aanduiding Heer is er, opdat de argeloze lezer niet zou struikelen over de heilige Naam. Voor de ingewijde lezer is het bedoeld als een symbool dat uitnodigt, de Heilige te noemen zoals haar of zijn geloof het ingeeft.
Piet van Veldhuizen
pi.veldhuizen@caiway.nl