CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

"Is God aanwezig?"

Lezing op het Pauluskerksymposium van 15 december 2007

"Als je meent iets van God begrepen te hebben, heeft dat wat je begrepen hebt niets met God te maken" (Augustinus)

 


1.

De vraag van dit symposium luidt: “Is God aanwezig?”

Uit het voorgesprek, enkele weken geleden, bleek dat die vraag rond twee polen cirkelt: (a) is er een God, en (b) hoe en waar raakt God aan ons bestaan, hoe en wanneer valt te constateren dat God erbij is op het wereldtoneel of in ons persoonlijke leven? Je zou die twee vragen van elkaar kunnen loskoppelen, want in theorie zou er een God kunnen zijn die volstrekt afwezig blijft in ons bestaan, en andersom hebben we de laatste maanden weer veel gehoord over de idee dat God met je mee kan gaan zonder er te zijn, want collega Klaas Hendrikse houdt vol dat God gebeurt maar niet bestaat.

Maar wat mij betreft gaan die beide vragen, of God er is en hoe Hij present is, altijd samen. Aan een afwezige God heb ik geen boodschap, en ook niet aan een God die er alleen bij wijze van spreken is. Dat lijkt me ook in overeenstemming met deze plek, de Pauluskerk: dat we van de Eeuwige verlangen dat Hij er helemaal is of helemaal niet – voor wassen neuzen, doekjes voor het bloeden en sigaren uit eigen doos is de politiek goed, daar moet niet ook nog de theologie mee aankomen.

 

2.

De God naar wie we vandaag vragen is (althans, dat is mijn uitgangspunt) degene die volstrekt boven onze werkelijkheid uitgaat, boven onze begrippen en denkmodellen. God is niet de gevangene van de dimensies waarin ons bestaan zich afspeelt. Dat betekent dat al ons spreken over God tekort schiet, het is niet meer dan wijzen in een richting en zeggen wat we denken te zien. Ik besef dat achter datgene waarover ik kan spreken als ik ‘God’ zeg, werelden schuilgaan waar ik geen idee van heb, en zelfs het woord ‘werelden’ is dan binnenwereldse beeldspraak. Ik besef ook dat de begrippen die ik zal gebruiken, aangereikt worden vanuit de joodse en christelijke traditie en ook vanuit de Griekse en Romeinse beschaving – en dat is een geweldige rijkdom maar tegelijk is het maar één benadering van de onzegbare werkelijkheid van God – of andersom, één manier waarop de onzegbare werkelijkheid van God naar mij toekomt. Maar het is wel de weg waarin de Eeuwige mij heeft aangesproken en aan mijn leven heeft geraakt, dus zonder een oordeel over andere wegen uit te spreken, houd ik me bij deze.

Ik wil hier ook het voorbehoud noemen dat Augustinus ooit in een preek heeft geformuleerd: Als je meent iets van God begrepen te hebben, heeft dat wat je begrepen hebt niets met God te maken. Ik kwam die uitspraak tegen in de inleiding van het boek van Paul van Geest: Stellig maar onzeker. Augustinus’ benadering van God. We kunnen over God onmogelijk zwijgen, maar zodra we denken dat we precies weten waarover we het hebben, hebben we van God een afgod gemaakt, op onze eigen maat gesneden. Dus: Als je meent iets van God begrepen te hebben, heeft dat wat je begrepen hebt niets met God te maken.

 

3.

Onvermijdelijk is de vraag of God bestaat. Ik stel voor dat we bij die vraag niet moeilijk gaan doen over de term ‘bestaan’. Want allicht, strikt genomen is ‘bestaan’ een binnenwerelds begrip. Klaas Hendrikse zegt in zijn boek: als God niet bestaat zoals een appeltaart bestaat, bestaat hij niet. Ik stel voor dat we niet de appeltaart tot maat van alle dingen maken. De vraag of God bestaat, is de vraag of de Eeuwige er is, of God er is los van ons, los onze materie en niet-ontsproten aan onze geest. Voor dat zijn van God hebben we geen andere woorden, dus we doen het met het gebrekkige begrip ‘bestaan’.

Bestaat God? In zijn boek Geloven in een God die niet bestaat zegt Klaas Hendrikse van niet. Hij is daar zeer van overtuigd. Wat niet bestaat zoals appeltaart bestaat, bestaat niet, punt uit. Er is geen hemel, geen leven na of buiten dat van hier en nu, geen ziel die het lichaam zou kunnen verlaten, en ook geen God die een ontastbaar hemelrijk zou bewonen.

Ik heb tijdens het lezen van het boek van Hendrikse minstens éénmaal per pagina het boek omgedraaid om naar de voorkaft te staren, waar de auteur een foto van zichzelf heeft laten zetten, de armen stevig voor de borst gekruist. Een gedecideerde man die in zijn gesloten universum geen bezoekers van buitenaf wenst toe te laten. Hij oogt als het soort stoere Hollandse schipper die absoluut de baas is op zijn eigen schuit. Als hij Noach was geweest, zou hij God aan het begin van de zondvloed hebben toegeschreeuwd dat Hij met zijn grote handen van die deur moest afblijven: dit is mijn schip! Ik zeg dat niet zomaar als flauwiteit: mijn probleem met Hendrikse is dat hij geen inmenging van buitenaf duldt, in zijn wereldbeeld en levensbeeld, en dat hij zulke inmenging gewoon uitsluit met zijn manier van redeneren. Spoken bestaan niet, God bestaat niet – hij heeft van zijn eigen denkcategorieën een ondoordringbare vesting gemaakt. En daar zit hij dan, met zijn appeltaart.

 

4.

Van Kuitert heeft Hendrikse geleerd dat alle spreken over boven van beneden komt, en dat lijkt een waarheid als een koe: alles wat we over God zeggen, zeggen wij, en wat we van God ervaren, is onze menselijke ervaring. Wat Hendrikse en het klassieke atheďsme betreft mag daaruit geconcludeerd worden dat er daarboven, of aan gene zijde, helemaal niets is. Het is allemaal mensenwerk, mensenwoord, projectie, heilzame projectie misschien, maar God bestaat niet.

Op die manier wordt consequent de mogelijkheid uitgesloten dat er iets van gene zijde komt, dat iets van buiten jouw werkelijkheid tot je komt. De manier waarop Hendrikse en het klassieke atheďsme God ontkennen komt in feite neer op solipsisme. Dat is de redenering dat er buiten mij helemaal niets bestaat. Want alle indrukken van buiten zijn indrukken in mijn zintuigen, verwerkt door mijn hersenen, en ik heb geen enkel middel om aan te tonen dat er een werkelijkheid is die aan die indrukken beantwoordt. U hier in de zaal, u bent hier helemaal niet, ik dénk maar dat u hier bent, u zit met z’n allen tussen mijn oren.

Ik vind dat een verstikkend idee. Het is zoals wanneer je getuige bent gewest van een voorval, maar door je omgeving wordt je niet geloofd: je ogen hebben je bedrogen, je dénkt maar dat je wat gehoord hebt, het zit tussen je oren.

Het solipsisme staat voor de onbewijsbaarheid van een buitenwereld buiten mijzelf en dus voor radicale eenzaamheid. Het klassieke atheďsme, en de Kuitertiaanse idee dat alle Godservaring door onszelf geproduceerd wordt, komt neer op een collectief solipsisme. Inkomend verkeer kan altijd worden verklaard in termen van de ontvanger: die produceert het signaal en je kunt altijd zeggen dat dat niet iets over het inkomende verkeer zegt, maar over hemzelf.

 

5.

God als de komende van gene zijde is onbewijsbaar en kan altijd worden ontkend. Zoals trouwens ook de liefde onbewijsbaar is, zéker ten overstaan van een jaloerse echtgenoot, want elk vertoon van liefde kan dan uitgelegd worden als doen alsof er liefde is. Zo bezien is de atheďst de jaloerse partner van de gelovige. Die argwaan proef ik ook bij Hendrikse als hij in zijn boek voortdurend van zijn collega-predikanten zegt dat ze doen alsof God bestaat. Hij weigert consequent de gedachte toe te laten dat God er voor hen écht is, als degene die van buiten hun bestaan binnenkomt en hen aanspreekt.

En dat is nu juist wat ik versta onder het er-zijn van God: dat God onze werkelijkheid en onze gedachten openbreekt door er als de Andere in binnen te komen, zoals in het klein een medemens mijn gesloten leventje kan openbreken door er van buitenaf, als een ánder, in binnen te komen.

Die ander kán dat alleen als hij mijn taal spreekt en mijn wereld serieus neemt, en zo kan hij mijn wereldje verruimen en openen naar het andere. Dat geloof ik ook van God. Hij doet zich voor, en bij dat werkwoord past het voorzetsel ‘als’ – God doet zich voor áls. Hij hult zich in de mantels van onze beelden en begrippen, omdat er anders geen sprake zou kunnen zijn van ontmoeting of aanraking. Maar God kómt van buiten mij, van buiten ons. Onze wereld is open naar meer dan wijzelf alleen. Dat is althans mijn vaste overtuiging.

 

6.

Onze wereld is open, maar het moderne wereldbeeld is, ondanks of juist dóór de enorme vermeerdering van kennis, een hermetisch gesloten kooi geworden. Wat niet op het raster van het wetenschappelijk verklaringsmodel past, bestaat niet. En wie toch dingen ervaart die niet in dat model passen, die mankeert wat. We hebben niet alleen God wegverklaard, we ontkennen ook het bestaan van tal van verschijnselen en realiteiten die gewoon tot onze werkelijkheid behoren. Dat doen niet alleen de wetenschappelijke dragers van het Verlichtingsdenken – de kerk doet daar volop aan mee. Voor het begrijpen van de ons omringende wereld hebben we ook in de kerk het paradigma van het wetenschappelijk wereldbeeld overgenomen. Meetbaarheid en de mogelijkheid van wetenschappelijke objectivering zijn belangrijke criteria geworden voor de vraag, welke ervaringen we voor waar mogen houden. Het verschil tussen moderne en rechtzinnige theologen is dan, dat rechtzinnige christenen bovenop dat wetenschappelijke wereldbeeld een soort bovennatuurlijk opzetstuk hebben. Wat niet in het wetenschappelijk wereldbeeld past (ik noem maar wat: een geestverschijning), daarvan zeggen moderne theologen: dat bestaat niet, punt uit; en rechtzinnige christenen zeggen dan: dat is van God of van de duivel. Allemaal lijken ze het erover eens te zijn dat het niet tot onze werkelijkheid behoort, want allemaal denken ze dat het wetenschappelijk wereldbeeld een compleet beeld van de aardse realiteit biedt.

Daarom wil ik hier een pleidooi voeren voor erkenning van de volle rijkdom van onze werkelijkheid. Heel veel dingen die niet in het wetenschappelijk wereldbeeld passen, zijn helemaal niet van God of van de duivel. De ons omringende werkelijkheid is ongelooflijk veel rijker dan het wetenschappelijk wereldbeeld kan bevatten. Er is heel veel 'meer' dat helemaal niet per se met God te maken heeft – maar ik snijd het hier aan omdat ik wil laten zien dat de ontkenning van Gods bestaan of er-zijn in onze cultuur samenhangt met een uiterst smal beeld van de werkelijkheid.

 

7.

Wij plegen bepaalde verschijnselen paranormaal te noemen, omdat normaal is wat in het wetenschappelijk wereldbeeld past. Helderziendheid bijvoorbeeld noemen we paranormaal, terwijl heel veel mensen daar ervaringen mee hebben. Ik begrijp niet hoe we het voor elkaar krijgen om dat al zo’n twee eeuwen lang buiten ons reguliere wereldbeeld te houden, om in feite te ontkennen dat het er is terwijl we er op grote schaal ervaring mee hebben.

Of om mezelf in de strijd te werpen: ik heb ruime ervaring met telepathie, dus concrete communicatie buiten de vijf zintuigen om en soms op grote afstand. Ik zie dat niet als iets hogers, ik beschouw het eerder als iets lagers, iets dat ik nog met de dieren gemeen heb, want in het dierenrijk functioneren zulke vermogens nog volop - ik ben er overigens niet minder dankbaar voor, en het is voor mij nét zo’n gave Gods als mijn zintuiglijke ervaring.

Wél ervaar ik het als pijnlijk wanneer over zulke ervaring, die voor mij en voor heel veel anderen bij het dagelijks leven hoort, in de wetenschap én vaak in de kerk gesproken wordt vanuit een reductionistische visie: het kan niet met meettechnieken worden vastgesteld, dus bestaat het niet. Of in rechtzinnige kringen: dus is het van de duivel.

Nogmaals, aan zulke zogenaamd paranormale dingen kan geen Godsbewijs worden ontleend, want ze horen in principe gewoon bij onze wereld. Ze geven wél aan hoe beperkt het vigerende wereldbeeld is – en in dat beperkte wereldbeeld hebben een paar generaties kerkmensen wel heel veel vertrouwen gesteld. En theologen als Harry Kuitert, Gerrit Manenschijn, en ook Klaas Hendrikse ontkennen niet alleen de God buiten ons, ze ontkennen ook hele segmenten van de ons omringende werkelijkheid.

 

8.

Het heeft allemaal ook te maken met controle, met de greep die we sinds de Verlichting willen houden op onze werkelijkheid, de manier waarop we kapitein op ons eigen schip willen zijn. Soms lijkt het erop dat we het onzindelijk vinden dat er krachten zouden zijn die buiten onze macht vallen, maar die wel mede ons bestaan bepalen.

Dat viel me onlangs op toen in een christelijk verpleeghuis een man in zijn stervensfase te kennen gaf dat hij bijzondere dingen doormaakte. De morfine die hij kreeg toegediend verzwakte zijn rationele controle. Zijn familie was blij met het bemoedigende karakter van wat hij beleefde, maar vanuit het verpleeghuis werd gezegd: dat zijn maar hallucinaties, dat krijg je van die sterke medicijnen. Alsof de inhoud van ervaringen die je pas kunt krijgen als je zelf de greep op je bewustzijn en je paradigma’s prijsgeeft, er totaal niet toe kan doen. Terwijl ik dan denk: juist doordat iemand de eigen controle verliest, kan hij ontvankelijk worden voor visionaire ervaringen die hij niet kon hebben toen hij het leven nog vol in eigen greep had.

Zieners zijn altijd gestoorde mensen geweest, maar dat is ook precies hun kwaliteit, dat ze gestoord zijn, dat ze zich laten storen door wat niet standaard in hun wereldje voorhanden is. Dat God er is, betekent voor mij dat we gestoord worden bij ons spel op de speelplaats van onze wereld. Gelovigen zijn daarom per definitie gestoorde mensen.

Ik wil niet beweren dat alles wat een hallucinerend iemand meemaakt, van God komt. Het meeste hoort nog steeds gewoon bij onze werkelijkheid en een heel deel komt vast uit iemands eigen hoofd en hart. Maar het kan wel een toegang zijn tot rijke lagen van de realiteit, en het kán een ingang zijn waardoor Goid ons leven binnentreedt. Het probleem van het vigerende wereldbeeld is dat het in mijn beleving onverantwoord smal is, en daardoor God ook geen enkele kans geeft om er ook maar mogelijkerwijs te zijn.

 

9.

We moesten het ook nog hebben over de aanwezigheid van God.

Het is opvallend dat Klaas Hendrikse voor zijn geloof in de God die niet bestaat maar wel gebeurt, verwijst naar de ervaring van Mozes en zijn slavenvolk in de woestijn, waar God zich heeft aangediend als degene die erbij is. “Ga maar, ik ga met je mee”, zo vertaalt Hendrikse de onzegbare Naam van de Eeuwige. Dat is voor hem de fundamentele geloofservaring, en ik kan hem dáárin wel een heel eind volgen. Wat mij betreft is de God van het Exodus verhaal wel heel wat directiever dan die van Hendrikse – die zegt tegen Mozes niet ‘ga maar’, maar ‘en nu gá je’; hij gaat niet zomaar mee, hij baant de weg voor zijn volk uit; en hij vertelt zijn mensen ook nog wat ze onderweg moeten doen en laten. Toch houdt Hendrikse vol dat de bijbelschrijvers helemaal niet aan een bestaand goddelijk wezen hebben gedacht, maar alleen aan die ervaring van vertrouwen dat iets met je meegaat, ook al is er helemaal niet zo’n iets.

Maar goed, wat ik wel raak vind is de observatie dat God aanwezig wordt voor mensen die op weg gaan. God roept mensen om op te staan en een weg te gaan, en openbaart zich op kritische momenten op die weg. Mensen weten zich gedragen, voelen dat ze al gaande inzichten meekrijgen die ze zelf niet hebben bedacht, kracht krijgen die ze van zichzelf niet hadden, geloof ontvangen dat hen uit de hemel, waar dat dan ook is, geschonken wordt.

God is niet aanwezig voor toeschouwers die hem willen bestuderen, voor onderzoekers die hem willen opmeten, voor mensen die de kat eerst maar eens uit de boom willen kijken. God zal er zijn als mensen de weg gaan waartoe hij ze roept en uitdaagt, en Godservaring komt alleen gaandeweg en soms maar heel sporadisch. Ook Abraham ervoer God volgens de verhalen alleen op een paar ingrijpende kruispunten van zijn levensweg.

 

10.

Ik wil nog graag een moment stilstaan bij de manier waarop het bijbelboek Exodus spreekt over de verborgenheid van de Eeuwige. Daar is de verborgenheid van God geen filosofisch vraagstuk, maar iets dat met omgang te maken heeft – Gods eigen omgangsregeling met zijn mensen. In Exodus wordt verteld dat het eigenlijk niet samengaat, de hoge heiligheid van God en de sudderende troebelheid van het mensenleven. Telkens weer knettert het als menselijke dubbelheid en halfheid in aanraking komt met de absoluutheid van God. Die twee verdragen elkaar niet, hoezeer ze ook naar elkaar verlangen – of om het in Johanneďsche bewoordingen te zeggen: mensen zijn schaduwwezens die het niet uithouden in het volstrekte licht van God. Dat is overigens ook de ervaring van talloze mystici in en buiten de christelijke traditie.

Volgens het boek Exodus is het een besluit van God dat Hij zich verbergt – niet om zich aan de mensen te onttrekken, maar om hen te sparen. Zijn heilige aanwezigheid zou hun ontoereikendheid op den duur niet verdragen, Hij zou hen verzengen, en dat wil Hij niet.  Als mensen al zo moeilijk voor het aangezicht van een perfectionistische of veeleisende vader/moeder kunnen bestaan, hoe zouden we dan de heiligheid van de Eeuwige onder ogen komen?

Wie iets van God wil zien, moet dus terdege beseffen wat hij/zij wenst. Iets van God, dat dient zich niet aan als een uitdraai uit de printer die je met een sceptisch oog kunt bestuderen – waar God aan je leven raakt, daar kun je geen toeschouwer blijven die een koel oordeel velt over het al-of-niet bestaan van God. Mede daarom kun je ook niet achteraf bewijzen dat God het was, want niemand zal ooit een Godservaring hebben in een laboratoriumsituatie.

 

11.

Ten slotte: godservaring is een kwestie van omgang, niet van beschouwing. De beschouwing kan besef kweken van de ontoereikendheid van onze kenmogelijkheden, maar ze brengt ons niet bij de werkelijkheid van God. Die werkelijkheid, God zelf, komt tot ons in aangeraakt-zijn en aangesproken-worden, en als het je overkomt kun je er niet omheen. Wél blijft ieder díé het overkomt, zelf verantwoordelijk voor elke conclusie die hij of zij eruit trekt en voor elke verwoording die hij of zij ervoor kiest.

Onze geloofstradities zijn in de eerste plaats omgangsvormen, en daartoe moeten ze ook steeds weer worden teruggebracht. Ook andere tradities kun je op die manier bezien, niet in de eerste plaats redenerend over hun leer maar vragend naar hun geraakt-zijn, naar hun aangesproken-worden door de Geheel-andere.

 

Ik geloof vast dat we niet in onszelf zijn opgesloten. Ik geloof dat we van buitenaf aangeraakt worden - als personen door elkaar, als schepselen door God. Ik houd er rekening mee dat die God, de Geheel-Andere, weleens heel anders zou kunnen zijn dan ik me vanuit de categorieën van mijn traditie voorstel. Want zoals het wetenschappelijk wereldbeeld zijn beperkingen heeft, is ook het wereldbeeld van mijn traditie beperkt. Ook vanuit de christelijke traditie hebben we vaak ervaringen die niet in ons plaatje passen, glashard ontkend, en mensen die ze tóch hadden, in de verdachte hoek gezet. Dat is één van de redenen waarom we een grote rijkdom aan ervaringen in de christelijke gemeente nog steeds niet met elkaar delen: leden van de gemeente zijn ook vandaag nog dikwijls veel te bang om voor gek verklaard of verketterd te worden.

Omgang met God vereist een grote openheid, per definitie, want als we opgesloten blijven zitten in onze eigen ideeën, gaan we niet met God om maar met onze ideeën over God. En dat is net zoiets als met de handschoen trouwen, een formaliteit, een waarheid op papier. Omgang met God brengt ons van de wijs en gooit ons eigen levensontwerp in de war. Wie met God wil omgaan, moet gestoord willen worden. Gestoorde mensen, mensen van God.

 

Piet van Veldhuizen, pi.veldhuizen@caiway.nl