CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Kerkarchitectuur in de Nederlandse calvinistische traditie

dr Piet van Veldhuizen

 

Artikel geschreven op verzoek voor het Poolse cultureel-educatief tijdschrift Wiadomości Historyczne ter gelegenheid van het Calvijnjaar 2009. Oorspronkelijk in het Pools, door de auteur achteraf naar het Nederlands vertaald.

 

Het schilderachtige Willemstad, dertig kilometer ten zuiden van Rotterdam, is een monumentaal stadje omgeven door een stervorm van verdedigingswerken. Het is een vesting die aan het einde van de 16e eeuw werd gebouwd door prins Maurits, zoon van Willem van Oranje, de ‘vader’ van de onafhankelijke Nederlanden. De vesting vormde een onderdeel van een verdedigingslinie achter het front van een oorlog die de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden voerde tegen de Habsburgers of, zoals we in Nederland zeggen, ‘tegen Spanje’. Binnen het piepkleine garnizoensstadje bevindt zich een kerkhof, en daarop staat een kerk die doorgaat voor het eerste bedehuis dat voor de gereformeerde eredienst in Nederland werd gebouwd. Dat klopt als je de eerder gebouwde gereformeerde kerk van Antwerpen niet meetelt, die nog in de 17e eeuw werd verwoest. De kerk in Willemstad is een mooi voorbeeld aan de hand waarvan we de vraag kunnen bespreken, in hoeverre er zoiets bestaat als een calvinistische kerkarchitectuur en kerinrichting, en zo ja, waar die op neerkomt.

 

Aangezien echter de calvinistische reformatie de gehele Noordelijke Nederlanden besloeg (grofweg van Willemstad noordwaarts), ontstond het overgrote deel van de calvinistische gemeenschappen rondom een voormalig katholiek kerkgebouw. We weten allemaal, dat er bij die gelegenheid beelden werden vernietigd – deels om religieuze of theologische redenen, deels als een gemankeerd protest van het arme volk tegen de praalzucht van lokale burgerlijke en religieuze overheden. Maar niet alleen alle beeltenissen werden uit de kerkinterieurs verwijderd: er gebeurde nog meer. Er vond een omwenteling plaats in de gehele sacrale symboliek.

Daarom is het de moeite waard om ons eerst te realiseren, waaruit de sacrale symboliek van de katholieke kerkruimte in de late middeleeuwen bestond (1). Vervolgens bekijken we, welke veranderingen de calvinistische reformatie in die symbolische ruimte teweegbracht (2). Daarna keren we terug naar Willemstad, om te bezien hoe een speciaal voor de calvinistische eredienst gebouwde kerk eruit kan zien (3). Ten slotte schetsen we met een paar snelle lijnen enkele latere ontwikkelingen in de gereformeerde kerkbouw en kerkinrichting in Nederland (4).

 

  1. De symboliek van de christelijke kerkruimte in de middeleeuwen.

 

In de Nederlanden waren de kerken en kapellen vóór de Reformatie meestal ‘geöriënteerd’ of ge-oost, dus gebouwd op een oost-west-as. Het eerste licht van elke nieuwe dag valt dan in de kerk binnen door het venster boven het altaar aan het einde van de koorruimte. Door die oriëntatie vormt de kerkruitme een microkosmos, een afspiegeling van de schepping met een vaste orde. De gewone gelovige komt de kerk binnen vanuit het Westen en loopt naar het Oosten, dus van avondschemer naar dageraad, van sterfelijkheid naar opstanding. Als hij in die richting loopt, heeft hij aan zijn linkerhand de koude noordmuur van de kerk en aan zijn rechterhand de warme zuidmuur. Achter de koude muur gaat vaak het kerkhof schuil, en gewoonlijk bevindt zich daar geen grote toegangspoort – een kleine vergrendelde deur wordt alleen bij begrafenissen gebruikt. Door het glas van de vensters in de noordmuur valt nooit direct zonlicht. De andere kant daarentegen, de zuidgevel, ontvangt veel direct zonlicht. In de steden bevindt zich dikwijls in de zuidflank van de kerk een grote toegangspoort die ooit speciaal voor de machtigen diende: de machthebbers hoefden niet, zoals het gewone volk, de kerk te betreden in het teken van de zonsondergang. Maar zowel het volk als de machthebbers moesten op hun weg naar het nieuwe leven op een gegeven moment halt houden. Tot het altaar of de koorruimte hadden ze geen toegang, en aan het einde van de mis moesten ze omkeren, de één naar de schemer van het sterflijke bestaan, de ander, schijnbaar onsterflijk, via de erepoort naar de zon.

De doopvont is meestal aan de rechterkant, de zonkant, bij de ingang geplaatst, dus in de zuidwestelijke hoek van de kerk, want de doop symboliseert de binnenkomst in de gemeenschap van de kerk en het begin van de weg naar de opstanding. De preekstoel staat uit praktische overwegingen opgesteld daar waar het volk zich bevindt, halverwege het kerkschip: een deel van de misbezoekers zal zich van het altaar moeten afwenden om voor een ogenblik te luisteren naar de prediker. De preekstoel bevindt zich vaak (maar niet altijd) aan de zuidkant van het schip. In de katholieke eredienst worden de Schriften niet vanaf de preekstoel gelezen, maar vanaf een lezenaar bij het altaar – de preekstoel neemt dus geen sleutelpositie in, noch in de liturgie, noch in de sacrale ruimte.

Het plafond van de kerk is soms versierd met hemelse taferelen of eenvoudig met sterren, en soms is het blauw gekleurd, waarmee wordt onderstreept dat de hele kerkruimte een spiegel van de wereldruimte is. Hier oriëmteren mensen zich in hun bestaan, hier worden ze zich bewust vanwaar ze komen en waar ze heengaan op het smalle spoor tussen leven en dood. Duizenden katholieke kerken en kapellen in Europa tonen nog altijd deze symbolische ordening.

 

2. Katholieke kerken die gereformeerd werden

 

De Reformatie besloeg een groot deel van de Nederlanden. In het jaar 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit – de Nederlandse versie van de Dertigjarige Oorlog, want dit gewapende religieus-politieke conflict begon hier precies een halve eeuw eerder. De hertog van Alva (dezelfde die tot zijn nek in de schulden stak bij de Pools-Italiaanse koningin Bona) trok met zijn Spaanse troepen de Nederlanden binnen. Kort daarop trad Willem van Oranje, die zich tot dan toe niet voor één van de geloofsrichtingen had willen uitspreken, toe tot de gereformeerde kerkgemeenschap en werd hij de leider van de Nederlandse bevrijdingsbeweging. Op het grondgebied van het huidige Nederland werden mettertijd alle bestaande kerkgebouwen voor de gereformeerde eredienst in gebruik genomen.

Alle beeltenissen werden uit de kerken verwijderd. Dat gebeurde slechts op enkele plaatsen in de vorm van een gewelddadige beeldenstorm – maar die enkele gevallen waren wél de directe aanleiding voor de interventie van het Habsburgse leger. De algemene verwijdering van beeltenissen drukte de overtuiging uit dat de eredienst zich moet concentreren op de aanbidding van de onzienlijke en ontastbare God. Zodoende moesten zelfs afbeeldingen van Christus en het kruis verdwijnen, ondanks het feit dat het kruis en de Gekruisigde het wezen van de calvinistische boodschap vormden. Ze mochten alleen verbeeld worden in woorden, in prediking en gebed.

In veel gevallen moesten mettertijd ook de glas-in-loodramen eraan geloven, niet vanwege vernielzucht maar vanwege de nieuwe kerkelijke gebruiken. Mensen begonnen hun bijbels en psalmboeken mee te nemen naar de kerk. De opbloei van de boekdrukkunst kwam tegelijk met de aanbeveling van de Reformatie, dat ieder zelf de Heilige Schrift zou lezen. Gegoede gelovigen namen hun bijbekls en psalmboeken mee naar de kerkdiensten om de schriftlezingen in hun eigen exemplaar te volgen. Witte muren en helder glas moesten helpen om maximaal gebruik te maken van het daglicht.

Omdat het verkondigde Woord het hart van de eredienst werd, kwam het volk niet meer bij het altaar samen, maar rondom de preekstoel. Het altaar zelf werd verwijderd, en rondom de preekstoel (die meestal bleef staan op de plek waar hij in katholieke tijden stond) ontstond een nieuw ‘centrum’. Stoelen of banken voor het volk, dat voortaan zou luisteren naar lange lezingen en preken, werden in een halve cirkel om de preeksteol gezet. Zo verloor de oude oriëntatie haar betekenis: de gebeden werden niet meer naar het Oosten opgedragen. Bij de preekstoel werd voortaan gedoopt en werden huwelijken ingezegend, en in kleinere kerken werd ook het avondmaal, de protestantse communieviering, voor de preekstoel gehouden.

In de grote stadskerken werd het priesterkoor een lege ruimte. Alles wat heilig was, was vervat in de Bijbel, en dat énige heilige voorwerp was naar de preekstoel in het kerkschip verplaatst. De herinnering aan de vroegere functie van het priesterkoor bleef in sommige stadskerken bewaard doordat juist dáár het avondmaal werd gevierd, als uitdrukking van het priesterschap van alle gelovigen. Die gereformeerde versie van de communie vond meestal slechts viermaal per jaar plaats en het was dan een bijzonder serieuze plechtigheid. In de koorruimte stonden lange tafels zoals bij een boerenbruiloft. Nadat de gelovigen de woorden van de avondmaalsliturgie vanaf de preekstoel hadden aangehoord, gingen ze naar de koorruimte om aan de tafels plaats te nemen. Van grote schotels namen ze een stukje brood, ze dronken een bescheiden slokje wijn uit grote zilveren bekers, en zongen een dankzeggingspsalm. Daarna keerden ze naar hun plaatsen rondom de preekstoel terug. Het lopen naar de koorruimte symboliseerde de geloofsbeslissing, de daad van het opstaan om Christus na te volgen. Het zitten aan de tafels (die doen denken aan de lange tafel van het beroemde Laatse Avondmaal van Da Vinci) was oorspronkelijk een idee van de Nederlandse vluchtelingengemeente in Londen, waar het avondmaal voor de vluchtelingen een symbool was van de eeuwige rust bij God – vroeg in de 17e eeuw nam het hele Nederlandse calvinisme dit gebruik over.

De preekstoel als het nieuwe liturgisch centrum doorbrak dus de oude logica van het bedehuis als spiegel van de wereld. In kleinere kerken en kapellen, waar geen stoelen of banken rond de bestaande preekstoel konden worden gezet, werd de preekstoel zelf zodanig verplaatst, dat er een maximaal aantal zitplaatsen kon worden gerealiseerd. Vaak betekende dit dat de kansen op de plek van het vroegere altaar kwam te staan, maar het kwam ook voor dat de hele gebedsrichting werd omgedraaid doordat de preekstoel ‘onder de toren’ werd neergezet, aan de kant van de oorspronkelijke hoofdingang, zodat het volk met de rug naar de zonsopgang kwam te zitten. In zekere zin werd zo niet zozeer het altaar, maar veeleer de wereld zelf gedesacraliseerd, ontwijd. De windrichtingen raakten in de bedehuizen hun geestelijke symboliek kwijt.

Het ‘kosmische’ aspect van de symboliek van de kerkruimte kwam dus te vervallen, maar wat bleef of zelfs sterker werd, was het maatschappelijke aspect. Zoals ooit de machthebbers in sommige kerken hun eigen ingang hadden aan de zonnige kant van de kerk, zo kregen de magistraten in de nieuwe orde hun eigen hoge, meestal versierde banken. Mettertijd kwamen er in de calvinistische kerken ook gildeborden te hangen en rouwborden voor gestorven leden van de plaatselijke elite, wapens van lokale adel en bevriende machten, grafmonumenten van vorsten en gedenkplaten voor predikanten… zodat de kerk niet meer een geestelijk kompas van de windstreken was, maar een landkaart van de maatschappelijke orde. Het moet gezegd, dat de kerk vanaf dat moment de spanning heeft gekend tussen het recht van Gods Woord, waarvoor ieder mens gelijk is, en het recht van de plaatselijke elite die er juist in de kerk voor waakte dat de verschillen zichtbaar bleven. Een gereformeerd predikant die in dat spanningsveld eenduidig aan de kant van het Woord ging staan, riskeerde op sommige plaatsen zelfs in het begin van de vorige eeuw nog dat hij zijn kolenrantsoen voor de winter kwijtraakte.

 

3.  De hervormde kerk in Willemstad

 

De Willemstadse kerk heeft een unieke vorm: een achthoekig schip uit rode baksteen onder een koepeldak, en bovenop de koepel een zg. daklantaarn waarin een luidklok hangt. Tegen één van de acht wanden is een vierkante ‘toren’ aangebouwd. De bakstenen muren van deze toren zijn weliswaar hoger dan de muren van het kerkschip, maar toch reikt het torendak niet tot bovenaan de koepel.

Als we naar binnen gaan, bevinden we ons in een heldere achtkantige ruimte. Elk van de acht wanden op één na (nl. de wand aan de torenzijde) heeft een groot venster van helder glas met in het midden een wapen in glas-in-lood. Acht halve zuilen tegen de wanden steunen het koepeldak.

Een informatieboekje voor bezoekers dat in de kerk verkrijgbaar is, vertelt over de religieuze symboliek van de achthoek. De achthoek is net als de cirkel een symbool van de volmaaktheid van God. Acht is het getal van de goddelijke volmaaktheid, want zeven is het getal van de volheid van de schepping. Het boekje wijst ook op de gelijkenis met het Hugenotenkruis, het symbool van het Franse calvinisme waarin eveneens het getal acht en de achthoek een rol spelen.

Er wordt ook wel gezegd dat de achthoekige vorm van de kerk verband houdt met het feit dat men destijds meende dat de tempel van Salomo in Jeruzalem die vorm had. Op vele middeleeuwse schilderijen, zoals bijvoorbeeld op het beroemde ‘Lam Gods” van de gebroeders Van Eyck in Gent, wordt de Jeruzalemse tempel inderdaad als een rond of achthoekig bouwwerk afgebeeld. Zo zag immers het gebouw eruit dat middeleeuwse reizigers aantroffen op het Jeruzalemse tempelplein, en klaarblijkelijk stoorde niemand zich aan de wetenschap dit niet de tempel van Salomo was, maar een veel later gebouwde moskee. De ronde of achthoekige vorm van de klassieke moskee is overigens op zijn beurt weer afgeleid van de byzantijns-chistelijke kerkarchitectuur...

 

Ik vermoed echter dat prins Maurits niet dit soort van symboliek op het oog had toen hij in Willemstad opdracht gaf tot de bouw van een achthoekige kerk. Maurits had in Heidelberg architectuur gestudeerd en had een bijzondere voorliefde voor de renaissancestijl van Alberti. Voor de bouw van de Willemstadse kerk had hij eerst een grote maquette besteld (in het archief is zelfs de rekening bewaard van het bier voor de sjouwers die de maquette vanaf een schip op de kade moesten zetten). Het bedehuis moest alzijdig symmetrisch worden, van een volmaakte harmonie, met hoge ramen in alle acht muren. Dat doet denken aan de paviljoens van Alberti, waarin de mens die erin gaat staan het middelpunt is van een harmonieuze wereld, omgeven door een mild licht. Ik vermoed dat Maurits als architect vooral werd aangesproken door dat renaissancistische mens- en wereldbeeld. Als ik de beschrijving van de maquette lees, betwijfel ik zelfs of er wel deuren in zaten, want die doorbreken helaas de alzijdige symmetrie. Ik weet wel zeker dat het een maquette zonder inrichting was – het ging om de vorm zelf van het gebouw. In de renaissancistische opvatting liet die de mens zien die als middelpunt van de schepping de wereld harmonieus om zich heen componeert. In de calvinistische opvatting was ze het symbool van Gods volmaaktheid. Het leven zou moeten uitwijzen, welke van deze twee opvattingen door de praktijk zou worden bevestigd.

Dat prins Maurits een vroom man was (of ten minste zo wilde worden gezien), blijkt vooral uit de volgorde die hij bij de opbouw van Willemstad aanhield. Terwijl er aldoor aan de vestingwerken werd gebouwd, liet hij eerst bij de haven een stadhuis neerzetten, waarbij hij toestond dat daar in een provisorische kerkzaal de gereformeerde kerkdiensten plaatsvonden. Daarna liet hij de kerk bouwen, waarbij hij toestond dat een deel van de benodigde bakstenen werd onttrokken aan de in aanbouw zijnde vestingwerken. Pas nadat de kerk was voltooid, bouwde hij even verderop voor zichzelf een prachtige residentie.

De inwoners van Willemstad zeggen dat prins Maurits de kerk aan de stad heeft geschonken als een vroom cadeau. Maar uit de stukken blijkt dat Maurits voor de financiering van de bouw de accijns op bier in het gebied dermate verhoogde, dat veel toenmalige bewoners alleen om die reden de stad en de omliggende polders verlieten. Het water was in deze regio niet voor consumptie geschikt, zodat bier tot de eerste levensbehoeften behoorde, niet alleen voor de liefhebbers.

 

Humanistisch renaissance-ideaal of symbool van Gods volmaaktheid – ziedaar twee opvattingen over het achthoekige grondplan van de kerk, overeenkomend met twee stromingen in de jonge Nederlandse republiek die geregeld met elkaar in botsing zouden komen. De mens als wezen met een grootse scheppingskracht: dat was het ideaal van een deel van de burgerlijke overheden. De kleine zondige mens die staat voor een almachtige God die als enige volmaakt is: dat was het geloof van het kerkelijke gezag, de synode van de gereformeerde kerken.

Maar belangrijker is misschien wel dat die alzijdige symmetrie, voorzover ze in de Willemstadse kerk überhaupt gerealiseerd kon worden, vanaf het begin verstoord zou worden door de praktijk, en wel door drie oorzaken. Als ik die beschrijf, schets ik daarmee ook een geschiedenis van het Nederlandse calvinisme in miniatuur.

Ten eerste: het wezen van de gereformeerde eredienst is de verkondiging van Gods Woord. Maar verkondiging veronderstelt als grondplan een lijn, vanwege de dialoog: van mond naar oor, van spreker naar luisteraar – en zo veronderstelt de verkondiging in principe een tweepolige ruimte. Zodra de preekstoel tegen één van de wanden werd geplaatst, doorbrak alleen al de luisterrichting de compositie van het bedehuis. De ruimte werd gebruikt alsof ze een langwerpig kerkschip was: een voorwand met een kansel, een achterwand achter de achterste bank, en de overige zes wanden vormen de twee zijkanten. De symmetrie van de centraalbouw blijft alleen boven de hoofden bestaan, als je omhoog kijkt.

Ten tweede: de ambities van de stedelijke overheid verstoorden de harmonie van het project vanaf het begin. Zodra prins Maurits opdracht tot de bouw van de kerk had gegeven, besloot het stadsbestuur dat er een toren moest worden toegevoegd – de waardigheid van de stad vereiste dat. Van de bedoelde lichtheid en transparantie van het gebouw is zodoende weinig terecht gekomen: het schip zou in de schaduw komen te staan van een zware en hoge toren. Het is niet helemaal duidelijk waarom de bouw van de toren gestopt is op de hoogte die ze nu nog heeft, zeven meter lager dan gepland. Sommigen zeggen dat er geldgebrek speelde, anderen noemen de slechte bodemgesteldheid, weer anderen beweren dat het voor de hele toren voorziene aantal stenen nu eenmaal opgebruikt was doordfat de muren dikker moesten worden dan gepland. Een feit is dat het stadsbestuurders de bouw lieten stopzetten en dat de bouwmeester hen om die reden voor het gerecht in Den Haag daagde: ze waren niet bereid om hem de afgesproken totaalsom te betalen, terwijl hij wél bereid was om de toren verder te bouwen. Dankzij het feit dat de toren onvoltooid bleef, ziet de kerk er vanaf de haven nog uit zoals prins Maurits het zich had voorgesteld. Dus misschien heeft het stadsbestuur (onder welk voorwendsel dan ook) toch nog afgezien van de begeerde toren om in ieder geval voor het oog het beeld te redden dat de prins voor ogen had gestaan.

Binnen in de kerkzaal heeft één van de muren vanwege de toren geen venster. In die muur, precies tegenover de hoofdingang, liet het stadsbestuur een deftige entree maken voor de burgemeesters en de gouverneurs van het garnizoen, met een hoge boog die er nu niet meer is. De waardigheidsbekleders kwamen dus de kerk binnen door de ruimte onder de toren, waar ze hun attributen, wapens en eventueel personeel konden achterlaten. Die ere-entree doorbrak niet alleen de symmetrie van het bedehuis, maar ook het protestantse principe dat alle mensen voor God gelijk zijn. Zoals het Nederlandse spreekwoord zegt: het leven is sterker dan de leer.

Ten derde: de praktijk van het kerkelijk leven vereiste mettertijd nog meer veranderingen. Het plan van de prins was prachtig harmonieus, maar niet erg praktisch: er waren geen andere ruimten voorzien behalve de kerkzaal zelf onder zijn koepeldak. Er was geen consistoriekamer (de protestantse versie van de sacristie), de plek waar voorafgaand aan elke kerkdienst de kerkenraad samenkomt om te bidden, en waar de kerkenraadsvergaderingen plaatsvinden. Nog in de 17e eeuw werd er dus zo’n kamer bijgebouwd, aan de buitenkant tegen de muur met de preekstoel. Zo werd niet alleen de uiterlijke symmetrie verder aangetast, maar kwam ook de onderste helft van een volgend venster te vervallen. De uiterlijke vorm dijde verder uit toen tegen het torengebouw een waterreservoir en een knekelhuis werden bijgebouwd. Binnen werd na het jaar 1661 een houten galerij gebouwd met banken voor de jongens en meisjes van het weeshuis. De galerij besloeg twee muurdelen en werd geplaatst tegenover de hoge bank voor het stadsbestuur, zodat het oog van de burgemeester en zijn raadslieden altijd op de weeskinderen zou rusten. De prachtige renaissancistische visie van harmonieuze proporties in symmetrie werd door het leven zelf verbroken. Het symbool van Gods hemelse volmaaktheid begaf het onder het gewicht van de onvolmaaktheid van menselijk leven en kerkelijke praktijk.

 

Het orgel is een verhaal apart. Tot 1774 was er geen orgel in Willemstad. In de kerkdiensten werden alleen de bijbelse psalmen gezongen op de melodieën van het Geneefse psalter, onder leiding van een cantor – meestal de plaatselijke schoolmeester die ook de lezingen uit de Bijbel voordroeg. Orgels waren in de Nederlandse kerken tot in de 17e eeuw een prestige-object dat door stadsbesturen werd aangeschaft en geplaatst, los van het eventuele gebruik in de eredienst. In stadskerken werden ook de dagelijkse mededelingen van de stadsbesturen afgekondigd, en vóór die afkondigingen werd het orgel bespeeld. Halverwege de 17e eeuw schreef de grote geleerde Constantijn Huijgens een tractaat waarin hij pleitte voor het gebruik van de aanwezige orgels bij het zingen van de psalmenin de kerkdienst. Maar in de ogen van veel kerkenraden bleef het orgel een symbool van stedelijke praalzucht, dus ook als er een orgel was, werd het dikwijls niet tijdsne de kerkdienst bespeeld.

Toen in 1773 prins Willem V van Oranje een bezoek aan Willemstad bracht, bedacht het stadsbestuur een geschenk voor hem en voor zichzelf: ter ere van de prins zou de stad een orgel aanschaffen dat met zijn wapen zou worden versierd en dat als zijn geschenk aan de stad zou worden gepresenteerd. Met het oog op dat orgel kwam de hoge entree tussen torenruimte en kerkzaal te vervallen, want alleen daar kon een orgel worden geplaatst. Wat een deftige entrée was werd nu een klein deurtje, en sindsdien gaan de hoge heren de kerk binnen via de hoofdingang, samen met het gewone volk. De ruimte ‘onder de toren’ zou later het stedelijke mortuarium worden en is dat nog altijd. Als er in Willemstad van iemand gezegd wordt dat hij onder de torenligt, wil dat zeggen dat hij is overleden.

 

De inrichting van de kerkzaal was en is karakteristiek voor de Nederlandse gereformeerde traditie. De preekstoel tegen één van de muurdelen is het centrale punt. De stoelen en banken maken zichtbaar dat het hele bedehuis dient voor het aanhoren van de verkondiging vanaf de preekstoel.

Voor de preekstoel bevindt zich een omheinde ruimte, de zogenaamde dooptuin. Alle wezenlijke elementen van de gereformeerde eredienst hebben hier hun plek. De doopvont was oorspronkelijk een klein geelkoperen schaaltje, vastgemaakt aan de preekstoel om te laten zien dat het sacrament strikt gebonden was aan het verkondigde evangelie. De ouders treden met hun kind de dooptuin binnen door de doopboog, een geelkoperen poort in de omheining die uit twee slangen of zeemonsters bestaat, symbool van de doorgang door de wateren van de dood. Tenminste, dat bedacht ooit de ambachtsman, de kunstenaar. Maar omdat het calvinisme gedurende lange tijd niet geïnteresseerd was in beeldende symboliek, wordt het symbool van de doopboog nooit toegelicht of zelfs maar opgemerkt.

Ter weerszijden van de preekstoel bevinden zich binnen de dooptuin de banken voor de ouderlingen en diakenen, met een flinke bijbel voor elk van hen. Dat symboliseert hun geestelijk ambt en hun verantwoordelijkheid om te waken over de ware verkondiging van het Woord.

Ooit bevond zich om het hek van de dooptuin een lessenaar met een grote bijbel, waaruit de cantor-lector, ofte wel de plaatselijke schoolmeester, de lezingen voordroeg. En ten slotte stond in de dooptuin ook een symbolische tafel met het avondmaalsgerei: een kan, een beker en een bord, voor de wijn en het brood van de communie. De tafel werd nooit gebruikt, want het was geen altaar en het avondmaal werd (en wordt nog altijd) aan lange provisorische tafels buiten de dooptuin gevierd.

Terwijl in de dooptuin alles aan de gereformeerde kerkleer beantwoordt, is de ruimte buiten de omheining volgens een andere norm gemeubileerd: die is een afspiegeling van de maatschappelijke orde en de daar heersende hiërarchie. Tegen de muurdelen ter weerszijden van de tuin bevinden zich de hoge banken aan de éne kant voor de magistraat (de burgemeester en de schepenen), aan de andere kant voor de gouverneur en de hoge officieren. Deze banken zijn zodanig opgesteld, dat de hoogwaardigheidsbekleders niet als hoorders ‘onder het woord’ zitten, maar als het ware samen met de predikant naar het volk gekeerd zijn. Zo zagen velen van hen ook hun rol in de kerk: ze waakten over de maatschappelijke en religieuze orde, ze controleerden of hun ondergeschikten in de kerk waren en of ze zich naar behoren gedroegen. Het door de predikant verkondigde woord moest samen met hun wakend oog zorgen voor de instandhouding van de openbare orde en de bestaande hiërarchie. In de 18e eeuw is het er zelfs eens van gekomen dat een landarbeider die op straat zijn pet niet afnam voor de burgemeester, op aangeven van een stadsbestuurder werd uitgesloten van deelname aan het avondmaal.

Halverwege de 20e eeuw, toen het garnizoen was opgeheven en het stadsbestuur geen vaste plaatsen meer had in de kerk, werden plaatsen in de hoge banken overgenomen door de rijkere boeren, die in feite de samenleving beheersten en die bijhielden of hun loonarbeiders wel naar de kerk gingen. In de negentiger jaren, toen ik predikant in Willemstad was, herinnerden sommigen zich nog hoe loonarbeiders zich op maandag bij de boer moesten verantwoorden als ze op zondag niet in de kerk waren geweest.

Tegenwoordig wordt praktisch de hele kerkruimte in beslag genomen door kerkbanken met genummerde plaatsen die tot in de zestiger jaren werden verhuurd. De achterste rijen waren natuurlijk goedkoper en bestemd voor de armere mensen, en wie ook daarvoor geen geld had, moest op zondag wachten tot een paar minuten voor de kerkdienst, als alle open plaatsen werden vrijgegeven.

Ooit waren er in plaats van de voorste banken enkele rijen stoelen voor de vrouwen en dochters van de mannen die in de hoge banken zaten. Ieder van hen had haar eigen stoel en ook hier heerste de maatschappelijke hiërarchie – het kwam soms zelfs tot rechtszaken over de toewijzing van de plaatsen.

 

In de praktijk was de inrichting van de kerkruimte dus een afspiegeling van de maatschappelijke orde. De ordening van de dooptuin symboliseerde weliswaar dat allen gelijk zijn als hoorders van Gods Woord, maar de ordening van de zitplaatsen symboliseerde en bevestigde de verschillen (en hield die in stand) tussen arm en rijk, bestuurder en onderdaan, heer en knecht.

Wie naar boven kijkt, ontdekt een overblijfsel van de oudere traditie waarin het bedehuis de hele schepping weerspiegelt: de koepel, blauw als de hemel, en in het midden de zon met stralen waarvoor een krans van wolken wegvlucht. De grote kroonluchter met klaarsen hangt aan een metalen staaf die precies uit het midden van die zon vandaan komt: ons bescheiden licht komt voort uit het licht van God.

 

De gereformeerde kerk is een kerk van het Woord, en omdat zij ontstond in de periode waarin drukkunst en wetenschap tot bloei kwamen, werd ze ook een kerk van woorden. De sacramenten, waarvan er slechts twee overbleven (doop en avondmaal), werden beperkt tot een minimum aan ritueel, maar in de liturgie werden ze ingeleid met een ellenlang ‘formulier’, een onderwijzend betoog waarvan de tekst door de synode was vastgesteld. De predikant verbleef, behalve bij de enkele rituele handelingen van de sacramenten, tijdens de gehele kerkdienst op de preekstoel staan.

Ter weerszijden van de preekstoel hangen aan de wand enorme tekstborden zoals ze in veel gereformeerde kerken uit die periode voorkomen. In gouden letters op een zwarte achtergrond bevatten ze de tekst van de Tien Geboden, die in elke kerkdienst werd voorgelezen. Dergelijke borden bevatten in andere kerken dikwijls bovendien de tekst van de Apostolische Geloofsbelijdenis.

 

Er zijn nog meer woorden te vinden in de Willemstadse kerk. Onder het orgel hangt een kleiner bord met de lijst van plaatselijke predikanten. Hoewel in de gereformeerde kerkleer het ambt van predikant niet ‘hoger’ staat dan het ambt van elk ander kerkenraadslid, kun je in bijna elke kerk zo’n lijst aantreffen, als samenvatting van de geschiedenis van de gemeente of als keten die het heden met de beginjaren verbindt. De eerste en tweede naam op de lijst in Willemstad, uit de tijd voordat de kerk er was, zijn nog steeds een raadsel, want niemand weet of deze mannen katholieke priesters of calvinistische predikanten waren. Bekend is alleen dat Willem van Oranje dat graag in het midden liet, als ze maar een goed woord brachten en goede herders waren.

En dan weer zo’n komische gril van de kerkelijke praktijk: er zijn geen heiligenbeelden, want men mag alleen God eer geven – maar het hoogst geplaatste woord in deze kerkzaal is het motto op het wapen van prins Willem V: honni soit qui mal y pense (schande over wie er kwaad van denkt), het devies van de Orde van de Kousenband. Het herinnert aan de woorden die de Britse koning Edward III gesproken schijnt te hebben toen hij een kousenband die een dame tijdens een bal  verloren had, om zijn eigen been knoopte.

Noch de pure renaissance van prins Maurits, noch het pure calvinisme van de synode had dus de overhand in de Willemstadse kerk. De maatschappelijke orde, waarop de gereformeerde kerk haar heilzame invloed moest uitoefenen, was zelf van grote invloed op de vorm en inrichting van het eerste protestantse kerkgebouw in de Nederlanden.

 

4. Gereformeerde kerkarchitectuur – het vervolg in de 19e en 20e eeuw

 

We kwamen tot de slotsom dat de kerkarchitectuur in Willemstad een gemengd verschijnsel is. Er zijn overblijfselen van de oude symboliek, de kosmische (het plafond als hemel) én de maatschappelijke (de entree voor de overheden), er is humanistisch-renaissancistische inbreng en inbreng vanuit het calvinisme als woord-religie, en tenslotte is er de praktijk waarin de kerk de bestaande maatschappelijke orde op deze bewuste plek moest dienen.

De dooptuin, de ruimte rond de preekstoel, was trouw aan de gereformeerde leer, een ruimte van het Woord en van de aan het Woord verbonden sacramenten, een ruimte van het geestelijk ambt naar gereformeerde opvatting, waar tijdens de kerkdienst de ouderlingen, de diakenen en de predikant verblijven om samen symbool te zijn van Gods volk dat gehoorzaam is aan Gods Woord.

De ruimte rond de preekstoel is geen sacrale ruimte in de katholieke betekenis, en de hele kerk is geen heiligdom in de katholieke zin van dat woord. De calvinistische reformatie vatte het kerkgebouw meer op in de zin van de synagoge, een leerhuis van het Woord dan in de zin van een tempel. De kerk moet een dak zijn boven de hoofden van mensen die het uiteindelijke heiligdom verwachten in het nieuwe Jeruzalem, dat als een Godsgeschenk uit de hemel zal neerdalen op de jongste dag. Daarom kan ee gereformeerde koster tijdens het schoonmaken van de kerk ongegeneerd een sigaar roken, en reiken traditionele calvinisten elkaar tijdens de preek snoepjes aan of kauwen kauwgum; de gemeente organiseert in de kerkruimte ook evenementen van niet-religieuze aard.

In wezen is het gereformeerde bedehuis dus een afdak voor het Woord en zijn hoorders, een auditorium van het geloof. Van de sacrale symboliek wisten de bouwmeesters, de predikanten besteedden er geen aandacht aan. Ik denk dat de calvinisten als mensen van het woord de invloed van het beeld hebben onderschat. Ze hebben alle beeltenissen weggedaan, maar ze zagen niet dat de ruimte zelf ook een beeltenis is als de inrichting en de plaatsverdeling de maatschappelijke orde zichtbaar maakt, als machtigen in de kerk hun grafschriften hebben en als plaatselijke overheden tegenover het gewone volk zitten. Dat beeld, zo strijdig met het wezen van het verkondigde Woord, werd uiteindelijk aanstootgevend voor veel gelovigen, terwijl het tegelijk maakte dat de bijbelse kritiek niet doordrong tot de machtigen. Immers, ze zagen in de kerk en voelden aan den lijve, dat ze ‘meer geljk’ waren dan anderen …

Toen er in de 19e eeuw een grote scheuring in de gereformeerde kerk ontstond, trokken vooral degenen weg die al lang leden onder het feit, dat de kerk ondanks haar mooie boodschap de maatschappelijke verschillen meer bevestigde dan dat ze die doorbrak. Arbeiders en kleine zelfstandigen verlieten de kerk, en voorzover ze net helemaal onkerkelijk werden, vormden ze nieuwe, vrije gemeenten die zich onderling verbonden tot enkele nieuwe gereformeerde kerkgemeenschappen, en ze bouwden hun eigen kerken. Aangezien de Nederlandse Hervormde Kerk de bevoorrechte kerk in het koninkrijk was, mochten de vrije gereformeerden hun kerken meestal niet aan de straat bouwen. Vaak kwamen ze in de schuur bij een van de gemeenteleden bijeen, die ze vervolgens verbouwden tot kerkzaal. Daaruit groeide zelfs een ideaal van een puur calvinisme: een eenvoudige zaal, rechttoe-rechtaan, met een preekstoel en banen, met kleine ramen (het electrisch licht maakte dat inmiddels mogelijk) die deden denken aan stalramen, en met hoogstens een klein torentje op het dak. Geen versieringen, niets dat de aandacht zou kunnen afleiden van het verkondigde Woord. Ik herinner me dat ik als kind in zulke kerken spelletjes probeerde te verzinnen met de cijfers op het psalmenbord, want wat zou ik anders moeten doen tijdens een preek van drie kwartier in een zaal zonder beeld of versiering?

In de eerste helft van de 20e eeuw ontstond er in het Nederlandse calvinisme een stroming die zich oecumenisch oriënteerde, waar de weg terug werd gezocht naar waardevolle elementen van de katholieke, anglicaanse en lutherse tradities. Gemeenten van die stroming voerden wezenlijke veranderingen door in de liturgie en in de inrichting van de kerkruimte. Zoals ooit hun voorvaderen de beeden hadden verwijderd, zo verwijderen zij nu, door de meubelstukken te verplaatsen, het beeld van de maatschappelijke indelingen van de afgelopen eeuwen. Als ze een kerkgebouw van vóór de Reformatie hebben, zetten ze meestal een liturgische tafel neer op de plek van het toenmalige altaar, zodat de gemeenschap zich weer zoals ooit naar het Oosten richt. De predikant leidt de kerkdienst staande achter de tafel, waarop een grote bijbel ligt, en alleen preek spreekt hij uit vanaf de preekstoel die nu terzijde staat: in het midden ligt de bijbel, en de predikant voegt er van terzijde zijn woorden aan toe. De doopvont staat meestal ook terzijde, aan de andere kant van de tafel. Op de tafel staat ook het avondmaalsgerei, en het avondmaal wordt meestal hetzij in een kring, hetzij lopend gevierd, in processie zoals in de katholieke traditie. In plaats van de dooptuin hebben we hier een compositie van drie elementen: de kansel, de tafel en de doopvont, met de Bijbel in het midden en zonder omheining of afscheiding. De kerkenraadsleden zitten hier niet dichterbij of hoger: als ze met de predikant na het gebed uit de consistoriekamer komen, nemen ze gewoonlijk op de eerste rij stoelen plaats. Naast de bijbelse psalmen worden in deze stroming geloofsliederen uit de hele oecumene en de hele kerkgeschiedenis gezongen, om de gereformeerde identiteit te verbinden met de gehele christelijke wereld.

Deze oecumenische stroming omvat honderden protestantse gemeenten, maar de meerderheid van de Nederlandse gereformeerden behoort er niet toe. Van de kerkgaande protestanten behoort het merendeel tot de traditioneel-calvinistische stroming die symboliek in de kerkinrichting als iets ijdels en overbodigs ziet omdat alleen het verkondigde woord van belang is. Toen ik in de negentiger jaren van de 20e eeuw als predikant in Willemstad begon te vertellen over de rijke en gemengde symboliek in dat mooie kerkgebouw, over wat het verbiondt met de gehele christenheid en wat het ervan scheidt, waren sommige gemeenteleden en ouderlingen van mening dat zulke dingen nergens goed voor waren, dat ik me beter kon concentreren op de verkondiging van Gods Woord dan op de betekenis van oude bakstenen. Maar tot anderen begonnen die bakstenen te spreken – juist over de worsteling van hoge theologische gedachtengangen met de levende realiteit op een bepaalde plek. Die worsteling duurt in de Nederlandse calvinistische gemeenschap nog altijd voort.