CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Dit artikel verscheen als kroniek in een kleding-special van het bijbels-theologisch tijdschrift Interpretatie, september 2008

 

Waarmee zullen wij ons kleden?

Zes losse rafels

1. Tekst en textiel

Al voordat ik kon lezen, schreef ik letterreeksen op een typemachine, een afgedankte Underwood van mijn vaders kantoor. Zo heb ik taal leren opvatten als draad van woorden, een lineair proces dat regel na regel invult. Corrigeren was er niet bij: wat ik geschreven had, had ik geschreven, en zelfs om het te herroepen moest ik verder rijgen aan de woordenketting die altijd zou meekronkelen met de levensdraad.

Pas als theologiestudent werd ik met de neus op het feit gedrukt dat het woord ‘tekst’ weefsel betekent, en dat woorden nooit een losse draad vormen, maar zich altijd weven in een verband of borduren op een stramien. Zo drong het eindelijk tot me door dat taal schering en inslag is, en dat de exegeet niet alleen de inslag van de letters nagaat, maar ook de schering betast en terugtreedt om zicht te krijgen op het spanraam.

Ik herinner me dat dit inzicht doorbrak terwijl ik een boek van Mark Taylor las waarin hij het idee van een deconstructieve a-theologie van Jacques Derrida uitwerkte. Voor Taylor was texture een belangrijk begrip, en als ik hem goed begreep was volgens hem de denkende en sprekende mens een functie van het weefproces van gedachten en teksten waarin wij zijn verwikkeld; geen mens of God staat in het centrum, het weefgetouw zelf is autonoom en wij worden er als weefspoelen doorgeslingerd. De enige die afstand kan nemen om overzicht te bieden, was natuurlijk Mark Taylor zelf. Maar zijn boek staat alweer heel lang in de kast, gedateerd als een hippe jurk uit een vervlogen modeseizoen.

Weefsels van woorden en weefsels van stof, teksten en kleding: ze worden door mensen gedragen, ze omgeven hun dragers met betekenis, ze leggen verbanden en geven signalen. Kijken naar mensen vanaf een terras is een exegetische bezigheid, waarbij we de veelvormigheid van het textiel lezen, duiden, van commentaar voorzien, de poëzie ervan bewonderen en de functionaliteit inschatten. Het herinnert me eraan dat ook een tekst een gewaad is dat prachtig uitgestald kan worden, maar dat pas tot vervulling komt als het door een levende ziel wordt gedragen.

Het wordt ingewikkeld als textiel bedrukt wordt met tekst, weefsel op weefsel, woorden op draden. Ik zo weleens van een staat vol mensen alle tekst op T-shirts willen inventariseren, maar zou de oogst iets over die mensen zeggen?

2. Kleding als exportartikel

Uit de Statenvertaling is me de fascinerende term ‘wisselklederen’ bijgebleven. De machtig geworden Jozef geeft ze aan zijn broers cadeau waarbij zijn bloedeigen broertje Benjamin er twee ineens krijgt. Simson zet dertig wisselklederen in bij een weddenschap met zijn beoogde schoonfamilie, en de melaatse Naäman brengt er tien mee als geschenk voor zijn weldoeners. Wisselkleren, chalifot, waarom heten ze zo? Voor de ontvanger eindelijk ‘iets anders om aan te trekken’, kleren als wisselgeld, of gewoon een verschoning, een extra stel kleren? De teksten suggereren dat het om kostbare kleding gaat, dure lappen stof. Merkkleding waarmee je gezien mag worden.

Het doet me denken aan vrouwen in Polen, die in de tachtiger jaren geregeld een vlucht naar Istanbul boekten om daar tien wollen truien te kopen. Bij de winst die ze in Warschau op die truien maakten, viel de prijs van het vliegticket weg. Of nog gekker, studenten reisden per trein naar Peking (overstappen in Ulan Bator), zestien dagen was je onderweg om in een atelier in Peking drie of vier jeans te kopen van een goed namaakmerk, waarmee je in Warschau een fortuin in dollars kon maken.

Het is een raadsel dat bepaalde kleding uitermate gewild kan zijn, terwijl tegelijkertijd geen twee mensen in dezelfde kleren willen lopen. Daarvoor is een wijde wereld nodig, waarin partijen kleding zó verspreid raken dat elk stuk op zijn plaats het enige is. Kijk maar, ook al die bijbelse wisselklederen gingen de grens over, misschien noemden ze het toen ook al exportkwaliteit.

3. Kameelhaar

Sommige mensen onderscheiden zich met exquise kledij, anderen profileren zich daartegenover door zich opzettelijk haveloos te kleden of ongemakkelijk ogende stoffen te dragen. In onze samenleving zijn het dikwijls jongeren die met hun kleding laten zien dat ze niet meegaan in de algemene zucht naar mooi, verfijnd en luxe. Omdat intussen alles handel is, zijn ze er zelden goedkoper mee uit: de ‘dumpzaak’ die allang geen dumpzaak meer is, weet wat ze rekenen moet voor zogenaamd gebruikte spullen, ongemakkelijk textiel en loden schoenen. Het niet-meedoen is allang een vorm van meedoen geworden.

Waar Johannes de Doper zijn kameelharen mantel vandaan had, zullen we helaas nooit weten, maar het was vast en zeker ook zo’n opzettelijk ongemakkelijk kledingstuk. Als Johannes een bad nam, zo stel ik het me voor, stapte hij met zijn broodmagere leden uit een jas die rechtop bleef staan wachten tot hij klaar was. Het moet geen gezicht geweest zijn als hij sprinkhanen aan het vangen was, zelf een sprinkhaan in dat rare harnas terwijl hij zich keer op keer op het wegspringende ongedierte werpt. Maar als hij doorheeft dat je staat te kijken, berg je dan maar, want dan vertelt hij je in rauwe bewoordingen hoe de wereld eraan toe is. Of gaat hier de verbeelding met mij op de loop? In ieder geval zou het op deze manier geen wonder zijn dat heel het land uitliep om naar die rare wildeman, die outsider te komen kijken. En dan was zijn kamelenjas alleen al een preek tegen het gearriveerde leven.

4. Uniform en onderscheid

Kleding uniformeert en onderscheidt, in deze volgorde. Kijk om je heen in een badhuis, en je ziet hoe volstrekt verschillend ongeklede mensen zijn. Het postuur, de gang, de vormen en vooral ook de lichaamsproporties zijn zo divers, dat een veldbioloog zou moeten betwijfelen of ze allemaal tot dezelfde soort behoren.

De kleding flatteert al dat onderscheid en uniformeert in grote mate de lichaamsvormen. Door de lichamen te bedekken geleidt kleding de aandacht naar de gezichten, waarvan we beweren dat er geen twee gelijk zijn. Geklede mensen kijken elkaar in de ogen om te weten wie ze voor zich hebben. Pas in tweede instantie, als het ware ter adstructie, werkt de kleding ook onderscheidend, als commentaar bij of uitwerking van het gezicht dat door de bedekking van het lichaam prominent is geworden.

Zo versterkt de kleding de individualiteit: door de mens zijn gezicht te geven en dat gezicht te omlijsten. Toen de Bataafse Republiek bepaalde dat ieder mens zich moest onderscheiden met een naam en een toenaam, dreven sommigen de spot met dat project door zich Naaktgeboren te noemen. Ze verwezen daarmee terug naar de toestand voorafgaand aan het eigen gezicht, de kleding en de individualisering.

Kleding onderscheidt, tenzij het een uniform betreft – hoewel, het uniform bedoelt gewoonlijk de dragers als groep te onderscheiden van degenen die niet geüniformeerd zijn. Waar het uniform bedoeld is om mensen gelijk te schakelen, zoals in het China van Mao, roept het altijd weer verzet en afschuw op, omdat het de drager haar of zijn individualiteit ontzegt.

 

5. Bezorgdheid

Wees dan niet bezorgd, zeggend: waarmee zullen wij ons kleden? (Matteüs 6:31) Ik zie bij die woorden diverse mensen met bezorgde blikken voor hun klerenkast staan, en bij elk van het heeft die bezorgdheid een ander gezicht. Ik zie twee studentes, mijn studiegenoten in het Polen van 1981: in de kast hadden ze elk weinig meer dan één rok en één blouse. Geregeld werd daaraan na lange discussies iets kleins veranderd, of ruilden ze onderling knopen, gespen en andere attributen, en warempel, ze kwamen er telkens weer prachtig mee voor de dag.

Ik zie hoe in onze welvarende dagen iemand voor een overvolle kast staat en na lang staren gekweld uitroept: ik heb niets om aan te trekken! Hoe moet ik nu naar dat feest?

Ik zie mezelf voor mijn goed voorziene kast staan, met weer een ander soort bezorgdheid. Ik ben niet erg handig met kleren, ik zie gemakkelijk een vlek of een gat over het hoofd, ik zoek soms erg verkeerde kleuren bij elkaar en als niemand me waarschuwt, loop ik zomaar voor gek – iets wat de leliën des velds nooit is overkomen, dus die hebben makkelijk praten.

En tenslotte zie ik die ene vrouw, oud en der dagen zat, die me liggend in haar bed vroeg om haar linnenkast te openen en het doodshemd te voorschijn te halen dat ze al vóór haar twintigste zelf had gemaakt. Ze stelde zich al helemaal voor dat ze het binnenkort aan zou hebben, maar toen ik het aanraakte, vielen de naden eruit en bleken de kantjes verpulverd. Waarmee zullen we ons kleden? Wordt het een nieuw en onpersoonlijk nachthemd of toch maar, zoals de familie het liever ziet, een zondagse jurk? Wordt het een beeld van eeuwige rust of van eeuwige theevisite?

De bezorgdheid van Matteüs 6 staat wel heel ver van ons af: de vrees dat er geen kleding voor je zal zijn, dat je tot naaktheid veroordeeld zult zijn. Onze bezorgdheid is die van te moeten kiezen, de vrees dat je het verkeerde kiest.

6. Investeren

Een bedrieglijk woord is dat: investeren. Zoals wij het gebruiken betekent het: ergens geld of moeite in stoppen. Het woord zelf echter betekent niet ‘erin stoppen’, maar ‘erovereen hangen’, dus ‘bekleden’. Ons woord ‘vest’ komt van dezelfde latijnse stam, en uit de geschiedenis kennen we het van de investituurstrijd, het middeleeuwse geschil over de vraag wie de bisschoppen en abten mag benoemen, dus wie hen met de mantel van het gezag mag bekleden.

Wie in de oorspronkelijke betekenis in mij investeert, hangt mij dus een mantel om, bekleedt mij met iets wat ik van mezelf niet bezat. Het doet me denken aan al die keren dat ik in kleine Poolse plattelandsgemeenten de plaatselijke toga omgehangen kreeg, als een soort volmacht en roeping: wie je ook bent, wees vandaag degene die ons in Godsnaam toespreekt! Na afloop werd ik dan weer ontmanteld, maar intussen was door die investering, die vertrouwen en verwachting uitdrukt en waardigheid verleent, wel het beste in mij wakker geroepen.

Het is een mooie oefening in umdenken, om investeren voortaan weer te zien als het toekennen van nieuwe waardigheid. Investeren in achterstandswijken is dan iets heel anders dan er geld in pompen: de naaktheid van het stigma wordt gehuld in het gewaad van een nieuwe verwachting. Vergeving is dan de ultieme investering, waarbij geen zaken met de mantel der liefde worden bedekt, maar wel mensen met de mantel van een nieuw krediet worden bekleed.

Piet van Veldhuizen