Notities bij de publieke discussie over onverdoofd ritueel slachten,
opgetekend in april 2011 in reactie op een vraag van een gedeputeerde van de Partij voor de Dieren.
In de bijbelse tijden waaruit de joodse slachtregels stammen, at het overgrote deel van de bevolking in Palestina en het Middellandse Zeegebied, voorzover wij kunnen nagaan, hooguit een of twee keer per jaar vlees. Dat je in de Bijbel geregeld vleesconsumptie tegenkomt, is omdat de verhalen telkens spelen rondom hoogtepunten in mensenlevens, de momenten waarop ‘het gemeste kalf werd geslacht’.
Vlees eten gebeurde in bijbelse tijden vooral in het kader van de offercultus, waarbij de heiligdommen in feite als rituele slachterij fungeerden: je ging met het dier dat je gekocht had of uit je eigen kudde had genomen, naar de tempel. Het bijbelboek Leviticus geeft aan welke delen van het dier, al naar gelang het soort offer, voor consumptie aan de offeraar werden teruggegeven. De kop, de ingewanden en de genitaliën en het bloed werden in alle gevallen ‘aan God gegeven’, zodat deze niet voor consumptie vrij kwamen. Offeren deed je als gewone burger eenmaal tot hooguit driemaal per jaar. In het boek Deuteronomium (12:15) staat een expliciet verlof om ook vlees te eten buiten het offer om, wat al aangeeft dat dit in de regel niet gebeurde. Dat Paulus in de 1e eeuw van onze jaartelling in zijn brieven zo vaak terugkomt op de vraag of je aan afgoden gewijd vlees mag eten, heeft dezelfde achtergrond: als je aan een feestelijke maaltijd wordt genodigd bij niet-joden, en je krijgt vlees voorgezet, is dat in de meeste gevallen geslacht in het kader van een offer. Maar gewone mensen offerden niet aldoor: vlees hoorde bij bijzondere gelegenheden, en het offerritueel bepaalt de offeraar bij het ‘drama’ dat er leven voor leven wordt gegeven: het dier sterft om jou leven te geven.
Van de regels voor koosjer slachten wordt in de Bijbel expliciet alleen de kernzaak opgedragen: dat het dier moet leegbloeden voordat mensen zich het vlees mogen toeëigenen. Dat heeft twee aspecten: het bloed geldt in de bijbelse tijd als de drager van het leven zelf, en daarvan moet je afblijven. Het leven is van God, en het leven van dieren en mensen is op dat punt van gelijk gewicht: het geheim ervan dient gerespecteerd te worden. Het tweede aspect hangt daarmee samen: doordat het bloed moet wegvloeien, ontstaat er wachttijd, een tijd van respect voor het leven dat het dier heeft gelaten. Een mens kan niet zomaar gedachteloos een dier te grazen nemen: hij moet beseffen dat er iets ontzagwekkends is in het feit dat het dier sterft opdat mensen kunnen leven. Volgens Exodus 12 luidde de instructie voor het Pesachfeest, het centrale offerfeest waarbij jaarlijks per huishouden een lam werd geslacht en gegeten (of een half lam als je met de buren samen deed), dat je vier dagen tevoren het lam selecteerde of kocht en dat apart nam, zodat er niet anoniem ‘een’ lam werd geslacht. Het drama dat wij vaak voor kinderen willen verbergen omdat ze het vlees anders niet zouden eten, wordt in de offerregels juist beklemtoond: je kunt er niet omheen dat dit dier sterven moet, wil jij je jaarlijkse stukje vlees nuttigen.
De overige regels voor koosjer slachten zijn later in de joodse geschiedenis ontstaan, vaak wel onder verwijzing naar bijbelse teksten: zoals de regel dat de ischias-zenuw moet worden weggesneden op grond van een verhaal uit Genesis (32:33) dat zegt dat Israëlieten de heupspier niet eten. Dat het dier onverdoofd, en met één haal van het mes, moet worden geslacht, staat niet in de wetten van Mozes, maar wel in de Talmoedische geschriften die in de vroege Middeleeuwen zijn ontstaan (en die voor orthodoxe joden maatgevend zijn).
Het centrale probleem in onze tijd is de massale vleesconsumptie die grootschalige slacht onvermijdelijk maakt. Als een rituele slachter zich volledig kan concentreren op zijn heilige taak, en daarbij doordrongen is van de onvervreemdbare waarde van het leven van het dier, zal het ritueel slachten op twee manieren het lijden van het dier minimaliseren: ten eerste door de ‘persoonlijke’ aandacht en het respect waarmee de daad van het slachten omgeven is, en ten tweede door de precisie waarmee de slachttechniek wordt toegepast. Maar beide komen onder druk te staan zodra slachten, letterlijk of figuurlijk, lopendebandwerk wordt.
Dat geldt van de niet-rituele grootschalige slacht natuurlijk des te sterker: daar is het besef van het ‘drama’ veel minder aanwezig. Het dier wordt buiten elke persoonlijke betrekking afgemaakt, en als er maatregelen zijn om stress tegen te gaan, dan is dat uit overwegingen van efficiency en vanwege regelgeving – niet uit innerlijke noodzaak. Dieren zijn dan stukgoed geworden, in de eerste plaats een economische grootheid. De intrinsieke waarde van hun leven blijft totaal buiten beschouwing.
Wantoestanden bij de slacht, zowel de rituele als de niet-rituele, zijn mijns inziens alleen te bestrijden door de schaal waarop we vlees consumeren drastisch te beperken, zodat de slacht van elk dier de aandacht krijgt die ze verdient. Zowel de slachters als de consumenten moeten veel sterker bepaald worden bij het feit dat het niet zomaar wat is dat er leven voor leven wordt gegeven.
In zijn boek Het lot van de familie Meyer beschrijft Charles Lewinksy hoe de discussie over een verbod op ritueel slachten (vanwege dierenwelzijn) in Zwitserland aan het einde van de 19e eeuw verliep. De discussie over de zaak zelf raakte vanaf het begin verstrengeld met een antijoodse beweging die de argumenten van de dierenvrienden kaapte. De emoties die het debat stuwden hadden uiteindelijk niets meer met de zaak zelf te maken. Ook vandaag zie je dat de meningen van experts uiterst verdeeld zijn over de verhouding van rituele slacht tot dierenwelzijn, maar dat de emoties des te hoger oplopen.
Anderhalf jaar geleden heb ik zelf meegewerkt aan een open brief van predikanten over problematische kanten van de islam – en nu heb ik er spijt van dat we die brief toen op die manier hebben doen uitgaan, want hij is een rol gaan spelen in de dynamiek van het anti-islam-debat. We hadden ons teveel vastgebeten in het punt dat we wilden maken, zodat we niet voorzagen hoe anderen met maatschappelijk kwalijke motieven ermee aan de haal zouden gaan. Nu heb ik het nare gevoel dat met het debat over ritueel slachten hetzelfde kan gebeuren, want het is een debat waarin de meerderheid gaat beslissen over cultureel en religieus belangrijke rechten van minderheden. Ik zou liever zien dat er een indringend gesprek zou ontstaan met de betrokken gemeenschappen zelf, via joodse en islamitische voorsprekers van dierenrechten, dan dat er via stemming door buitenstaanders (want dat zijn we als niet-joden en niet-moslims ten opzichte van hun religieuze praktijk) een voldongen feit wordt geschapen dat hen, zoals de zaken nu staan, in feite uit Nederland verbant, terwijl wij gewoon onze schandelijke industriële fok- en slachtpraktijken blijven voortzetten. Dan hebben we alleen kwaad bloed gezet tussen bevolkingsgroepen.
Als verdoven voor de slacht werkelijk het lijden van het dier zou verminderen, zou het mogelijk moeten zijn om in de joodse (en islamitische) gemeenschap mensen te vinden die zich daar hard voor maken in een debat binnen de culturele kaders van die traditie. Maar vooralsnog zie ik vooral iets in een intercultureel debat over de omgang met dierlijk leven voor onze consumptie. Juist religieuze tradities met hun besef van de geschapenheid van alle leven, zouden daarvoor gevoelig moeten zijn.
Zie prof. Klaus Berger, Manna, meel en zuurdesem (Ten Have 1999), en de in dat boek genoemde literatuur.