CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Dit artikel verscheen in Liter nr 50 (2008) op blz 43-46. Het betreft een themanummer over 'schuld' als begrip bij diverse auteurs.

 

José Saramago - Het Evangelie van Jezus Christus

Een paar dagen nadat Jezus was geboren in een grot juist buiten Betlehem, luisterde Jozef op zijn tijdelijke werkplek bij de Jeruzalemse stadsmuren een gesprek af. Zo kreeg hij er lucht van dat koning Herodes mannen naar Betlehem zou sturen om alle zuigelingen in het stadje te doden. Hij haastte zich naar de grot en doofde de olielichtjes. Kort daarop hoorden ze het gekrijs en geklaag uit de stad opklinken. De volgende morgen vertrokken ze stilletjes in alle vroegte. Het feit dat Jozef alleen aan zijn eigen kind had gedacht en geen alarm had geslagen in Betlehem, zou voortaan als een loden last op hem drukken. Iedere nacht van zijn verdere leven zou hij dezelfde nachtmerrie hebben: dat hijzelf de moordenaar was die op het punt stond, zijn zoon Jezus te doden.

Op deze manier wordt ‘schuld’ een rode draad in het boek Het Evangelie van Jezus Christus. Jozef leeft tien jaar met zijn wroeging en zijn nachtmerries zonder zijn kind erover te vertellen. Dan wordt hij in Sepphoris, waar hij een buurman wil ophalen die in de Galilese opstand gewond is geraakt, per vergissing voor opstandeling aangezien en opgepakt door de Romeinen. Op het laatste moment vindt hij niet de kracht om zijn onschuld te bepleiten, en zo wordt hij gekruisigd samen met negenendertig anderen:

...wellicht verspeelde hij zijn laatste kans op lijfsbehoud toen de soldaat met de hamer tegen de sergeant zei, Deze hier zei dat hij onschuldig was, de sergeant aarzelde even, net dat even dat Jozef had moeten schreeuwen, Ik ben onschuldig, maar nee, hij zweeg, gaf het op, toen keek de sergeant, dacht waarschijnlijk dat de symmetrie eronder zou lijden als het laatste kruis niet ook gebruikt zou worden, want veertig is een mooi rond getal, en maakte een gebaar, ze spijkerden hem vast, Jozef gilde en gilde, vervolgens trokken ze hem met zijn volle gewicht aan zijn met nagels doorboorde polsen hangend omhoog, en onder nog meer gegil doorboorde de lange spijker zijn hielen, o mijn God, dit is de mens die Gij geschapen hebt, geloofd zijt Gij, daar het niet toegestaan is U te vervloeken.

Jezus is op dat moment tien jaar. Samen met zijn moeder zoekt hij Jozef, en zodra hij hem gevonden en begraven heeft, erft hij diens nachtmerrie, maar dan in het omgekeerde perspectief: hij is de zuigeling en zijn vader komt samen met de mannen van Herodes met getrokken zwaard aangestormd om hem te doden. Zijn moeder vertelt hem de volgende dag iets over de omstandigheden rond zijn geboorte, maar ze kan hem niet zeggen wat hij weten wil: ten koste van hoeveel kinderen hij in leven is gebleven. Jezus verlaat daarop zijn familie en gaat naar Betlehem, waar hij een monumentje aantreft voor vijfentwintig vermoorde kinderen. Zo is de omvang van zijn levensschuld becijferd.

José Saramago staat bekend als een atheïst, maar zijn boeken geven geen blijk van het wetenschappelijk-positivistische wereldbeeld dat we vaak met atheïsme associëren. Vanwege de wonderlijke, onverklaarbare dingen die hij in zijn boeken laat gebeuren wordt hij ook wel als magisch realist omschreven. Het leven van de mensen is omgeven door gebeurtenissen waarop zij geen vat hebben, maar die wel voor hen bestemd lijken te zijn: ze zijn opgenomen in een plan waarvoor ze zich gaandeweg in zekere zin verantwoordelijk maken, hoewel ze er niets aan kunnen doen. Ze worden in existentiële zin schuldig, belast met het gewicht van gebeurtenissen die met hun eigen lotsbestemming samenhangen, terwijl ze die gebeurtenissen zelf niet hebben uitgelokt en niet kunnen beïnvloeden. Jezus erft van zijn vader een schuld die Jozef had willen meenemen in zijn graf. Een treffende verbeelding van die erfschuld is het feit dat Jezus de sandalen van zijn gestorven vader overneemt, hoewel zijn voeten daar nog te klein voor zijn. Hij zal ze later dragen tot ze uiteenvallen. Dat laatste gebeurt op het moment dat hij in een ontmoeting met God zijn levensroeping aanvaardt. Hij neemt daarmee een persoonlijk lot op zich dat hem op een eigen manier schuldig zal maken, maar opnieuw aan een loop der dingen waarop hijzelf geen invloed kan uitoefenen.

Belangrijker dan Saramago’s atheïsme is dan ook zijn impliciete aanklacht tegen de immoraliteit en perversiteit van het joods-christelijke Godsgeloof. Die bestaat erin dat de God van de christelijke traditie de mensen willens en wetens verwikkelt in een onafzienbare geschiedenis van schuld en lijden waaruit zij zichzelf niet kunnen verlossen.

In Het evangelie van Jezus Christus zijn de God van Israël en de duivel twee wezens die erg op elkaar lijken. God heeft de ambitie om vanuit zijn status als particuliere godheid van een klein volk op te klimmen tot een universeel aanbeden god, en de duivel komt weliswaar minder machtsbelust en meedogenloos over, maar wil wel meeliften op de wereldwijde doorbraak van God en werkt daarom mee aan het grote plan. Alles in dit plan cirkelt rond het religieuze martelaarschap van Jezus dat als katalysator van de grote geloofsbeweging zal dienen.

Daartoe moet Jezus eerst als wonderdoener bekend worden. Op zijn eigen mild-ironische toon vertelt Saramago hoe Jezus aanvankelijk ook niet weet waarom de vissers grote vangsten binnenhalen als hijzelf aanwijst waar ze hun netten moeten uitwerpen. De wonderen gebeuren zijns-ondanks, maar ook hier geldt dat hij er wel verantwoordelijk voor wordt, bijna als een medeplichtige.

Tijdens een tweede ontmoeting met God, in een boot op het meer tijdens veertig dagen dichte mist, krijgt Jezus al vragend inzage in Gods plan. Als hij wil weten wie er, na de vijfentwintig kinderen van Betlehem, nog meer zullen sterven omwille van zijn eigen lotsbestemming, geeft God na enig aarzelen een opsomming die ruim vier pagina’s beslaat, van christelijke martelaren en de wijze waarop ze zullen sterven. Uiteindelijk begrijpt Jezus dat de zegetocht van zijn geloof een geschiedenis van bloedvergieten zal worden.

De enige manier om dat te verhinderen is in zijn ogen, dat hij niet als martelaar sterft maar als ordinaire oproerkraaier. Dáárom begint hij het opstootje op het tempelplein dat wij nu de tempelreiniging noemen. Maar terwijl hij sterft aan het kruis klinkt Gods stem uit de hemel: "Jij bent mijn welbeminde zoon, in jou heb ik mijn behagen gesteld".

Toen begreep Jezus dat hij naar zijn bedrog was geleid zoals het lam naar het offer wordt gevoerd, dat zijn leven vanaf het begin der tijden voorbestemd was geweest om zo te sterven, en terwijl hem de stroom van bloed en lijden in herinnering kwam die uit zijn zijde zou ontspringen en heel de aarde overstromen, riep hij naar de open hemel waar God glimlachte, Mensen, vergeeft het Hem, want Hij weet niet wat Hij heeft gedaan.

Het is nooit verstandig om een boek te verbieden, maar aangezien in de Rooms-Katholieke Kerk zo’n praktijk nu eenmaal bestaat, is het niet verwonderlijk dat de Portugese bisschoppen dit boek wegens godslastering op de index van verboden boeken lieten zetten. Vanwege de ophef die erop volgde heeft Saramago voorgoed zijn land verlaten en is hij op Lanzarote neergestreken.

Intussen is het opvallend hoe goed José Saramago de Bijbel en de christelijke traditie kent. Verrassend is de manier waarop hij in zijn boek allerlei momenten en passages uit de evangeliën en de apocriefe tradities weet te integreren. Maar schokkend is vooral dat hij zijn beeld van een perverse en immorele God creëert door twee gegevens uit te werken die in de christelijke theologie altijd een grote rol hebben gespeeld: ten eerste dat alles onontkoombaar volgens een voorbeschikt plan van God verloopt, en ten tweede dat de verlossing berust op een zorgvuldig uitgedachte constructie rond de kruisdood van Jezus. Van beide gegevens schrijft Saramago een kwaadaardige versie, maar in beide gevallen kun je zeggen dat de kerk met zijn dikwijls ál te schematische heilsleer en voorzienigheidsleer om zo’n persiflage vráágt. In die zin is het boek van Saramago vergelijkbaar met Monty Python’s Life of Brian, al steekt het boek veel dieper, zoals ook achter de ironie van de tekst de ingehouden woede van Saramago om de christelijke kerkgeschiedenis authentieker is dan de slappe lach van Monty Python.

De ideologische atheïsmen van de laatste twee of drie eeuwen waren dikwijls zo mogelijk nog moralistischer dan de kerk waartegen ze te hoop liepen. Atheïsten maakten meestal korte metten met de doem van de schuld, doordat ze precies konden zeggen wie zich waaraan schuldig maakte – en wie zich tot hun inzicht bekeerde, was niet meer schuldig, maar had voortaan alle gelijk van de wereld. Ook in dat opzicht is José Saramago geen typische atheïst. Met de Colombiaanse schrijver Gabriël García Marquez heeft hij niet alleen het magisch realisme én de communistische sympathieën gemeen, maar ook het besef dat een mensenleven onontkoombaar verwikkeld is in het veeldradige web van een niet-maakbare wereld. De ervaring van ware liefde en schoonheid, die Jezus in Het Evangelie van Jezus Christus opdoet aan de persoon van Maria van Magdala, geeft aan het mensenleven zijn glans en waarde, maar ze verlost een mens niet van zijn lot, noch van zijn schuld.

Piet van Veldhuizen