dr Piet van Veldhuizen
Schoftentuig!
Over ‘goddelozen’ als bijbels trefwoord
‘Laat de goddelozen te schande staan en verstommen in het dodenrijk’, zo lezen we in Psalm 31:18 in de Nieuwe Bijbelvertaling. En in de NBG-vertaling 1951 wordt de prachtige intieme psalm 139 zelden in haar geheel voorgelezen, omdat de dichter in vers 19 plotseling uitroept: ‘O God, breng de goddeloze om!’
Over wie gaat dat? Wat is een goddeloze? Argeloze lezers kunnen gemakkelijk denken dat in deze teksten de ongelovigen worden doodgewenst. De psalmdichters zouden dan het beeld bevestigen dat het bijbelse geloof gevaarlijk intolerant is jegens andersdenkenden. Maar in het Hebreeuws wordt in allebei de geciteerde psalmverzen woord rasja‘ gebruikt. Dat verwijst helemaal niet naar een ‘ongelovige’ of naar een ‘god-loze’ persoon. Het verwijst naar een boosdoener, iemand die kwaadaardig handelt – een hufter, om in de termen van dit blad te spreken.
Het zelfstandig naamwoord rasja‘ komt in de Hebreeuwse Bijbel meer dan 250 maal voor, vaak in het meervoud resja‘iem. We vinden het vooral in dichterlijke teksten: Psalmen, Job en Spreuken zijn samen goed voor driekwart van het aantal keren dat het woord in de Bijbel voorkomt. Vaak wordt het gebruikt in tegenstelling met het begrip ‘rechtvaardige’ (tsaddiek). De rechtvaardige is degene die de het goede leven van de gemeenschap bevordert en de goede orde bewaart. De rasja‘ is daartegenover degene die maling heeft aan de gemeenschap en de goede orde stukbreekt. Het is meestal iemand die geen respect heeft voor andermans belang en andermans leven. Hoe noem je zo iemand, als je het begrip ‘hufter’ niet geschikt vindt voor een bijbelvertaling?
In de 17e-eeuwse Statenvertaling werd het woord rasja‘ consequent vertaald met ‘goddelooze’, en de NBG-vertaling 1951 nam die keuze over. Toen uit een aantal proefteksten bleek, dat het ook in de Nieuwe Bijbelvertaling (2004) weer ‘goddeloze’ zouden worden, voerde in het najaar van 2001 een aantal predikanten een actie onder het motto ‘Weg met de goddelozen’. Ze vergaarden steun onder vakgenoten voor een verzoek aan het Nederlands Bijbelgenootschap om voor het woord rasja‘ een andere vertaling te kiezen. Ze schreven onder meer:
Deze vertaling voedt het oude misverstand, dat het over ongelovigen of niet-gelovigen zou gaan, over atheïsten of over mensen die ‘nergens aan doen’. (…) Zinnen in psalmen die aanduiden dat de opzettelijke boosdoener niet wordt geduld, lijken nu opnieuw intolerantie jegens niet-gelovigen of andersgelovigen uit te dragen. (…) Maar in de Bijbel worden niet de god-lozen, maar de boosdoeners weggewenst.
Het kost telkens weer veel tijd en moeite om in pastoraat en catechese duidelijk te maken, dat de term "goddeloze" iets heel anders betekent dan ze suggereert. Kerkleden spreken over ervaringen met niet-gelovigen die heel goed leven, tot beschamens toe, en hebben terecht moeite met psalmwoorden waarin die mensen toch vervloekt lijken te worden.
Bij het verzoekschrift werd ook een groot aantal alternatieve vertalingen van het Hebreeuwse begrip rasja‘ aangedragen. Daarbij werd vooral gezocht naar heftige woorden die de felle klank van het Hebreeuwse woord weergeven, en die ook passen bij de hartgrondige afkeer of heilige verontwaardiging die doorklinkt in veel van de bijbelse zinnen waarin het woord voorkomt. ‘Booswichten’ had volgens veel collega’s een te sterk O.B.Bommel-gehalte. ‘Schoftentuig’ was te rechtstreeks met Wim de Bie verbonden. Dus werd het ‘rotzakken’, ‘schoften’, en ook ‘hufters’. Bert Kuipers stelde voor om gebruik te maken van de rijke woordenschat van kapitein Haddock, het personage in de Kuifje-stripalbums dat zich geregeld in heilige of stomdronken verontwaardiging uitput in bloemrijke reeksen van verwensingen. De opstellers van de brief meenden dat de term ‘boosdoeners’ met name in de Psalmen in veel gevallen goed zou voldoen.
De Willibrordvertaling spreekt over ‘de bozen’, maar in moderne oren associeert dat meer met een bozigheid dan met kwaadaardigheid. Ook de Naardense Bijbel gebruikt soms het woord ‘bozen’, en soms ook ‘booswichten’. Ida Gerhardt en Maria van der Zeyde hebben in hun Psalmen-vertaling gekozen voor ‘schenders’, en accentueren daarmee dat het gaat om mensen die moedwillig iets of iemand kapot maken. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft uiteindelijk in een aantal gevallen de term ‘goddelozen’ gebruikt, in andere gevallen ‘zondaars’, en soms ook de omschrijving ‘zij die kwaad doen’.
Je kunt je afvragen hoe de Statenvertalers en hun navolgers er ooit toe gekomen zijn om rasja‘ te vertalen met de religieus beladen term ‘goddelozen’. Waarschijnlijk is hun keuze terug te voeren op de vertaalkeuze van de Septuaginta, de bijbel van de Griekstalige joden in de eeuwen rondom het begin van onze jaartelling. Daar wordt rasja‘ gewoonlijk weergegeven met het Griekse woord asebès, dat zoiets als ‘onvroom’ betekent: iemand voor wie niets heilig is, een respectloos iemand die nergens ontzag voor heeft. Het is het tegengestelde van eusebès, vroom, wellevend, plichtsgetrouw. Beide begrippen hebben in sterkere mate een godsdienstige klank dan de Hebreeuwse begrippen tsaddiek en rasja‘. De Latijnse kerkbijbel, de Vulgata, vertaalt rasja‘ nu eens met impius (de onvrome, ‘goddeloze’) en dan weer met peccator (zondaar). Zo is de weg geplaveid voor een sterk godsdienstige inkleuring van een begrip dat in het oorspronkelijke Hebreeuws veel meer een ethische klank heeft. Dat is geen gunstige ontwikkeling. Zo wordt het steeds gemakkelijker om de term te gebruiken voor mensen zonder religieus geloof, of mensen met een ander geloof. Dat is niet alleen gevaarlijk, vooral in tijden met religieus geweld, maar het betekent ook dat het begrip rasja‘ aan kritische kracht inboet, want het is dan automatisch niet meer toe te passen op mensen van je eigen geloof: want hoe zou een gelovige goddeloos kunnen zijn?
Hier raken we aan een belangrijk bijbels-theologisch gegeven. De aan elkaar tegengestelde begrippen tsaddiek en rasja‘, rechtvaardige en boosdoener, hebben alles met het bijbels-israëlitische geloof te maken, maar tegelijkertijd gaan ze niet over het belijden van een geloofsleer of het behoren tot een confessie. Het geloof drukt zich uit in een manier van leven, in daden van recht en trouw en barmhartigheid. Wie zich daaraan toewijdt, oriënteert zich daarmee aan het hoge ideaal van de tsaddiek, de mens die in een harmonische verhouding met God en de mensengemeenschap leeft. Wie dat allemaal aan zijn laars lapt, vervalt in het tegenovergestelde, in de richting van het anti-ideaal van de rasja‘, de boosdoener, de hufter. Dat is dus niet zomaar iemand die weleens iets verkeerd doet, omdat nu eenmaal niemand volmaakt is. Het is niet een zomaar een zondaar omdat hij fouten maakt – de rasja‘ zondigt omdat hij lak heeft aan de goede orde. Hij is het tegengestelde van toegewijd aan recht en vrede. In godsdienstige termen: hij maalt er niet om, op de golflengte van de Eeuwige af te stemmen. Maar dat blijkt uit zijn levenswijze: aan de vruchten kent men de boom (Mat. 12:34).
Het is niet toevallig dat het woord rasja‘ vrijwel steeds in poëtische teksten wordt gebruikt. Er is geen wetgeving ten aanzien van de booswicht, want het is niet een begrip dat in een juridische context kan functioneren. Dat gegeven wordt ook in onze tijd soms benoemd op de opiniepagina’s van de kranten: hufterigheid is niet strafbaar, en juist daarom is de alomtegenwoordigheid ervan zo beklemmend voor mensen die verlangen naar gerechtigheid. Denk aan schandelijke zelfverrijking door keurige dames en heren ten koste van de samenleving. Of denk aan politieke wiggendrijverij, aan moedwillig kwetsende taal. Soms belichaamt iemand de hufterigheid, dat is dan de booswicht bij uitstek – maar in een meer diffuse vorm kleeft het een hele samenleving aan. Het is belangrijk dat het benoemd wordt, zonder dat daarmee ieder lid van de samenleving geëtiketteerd wordt als rasja‘ of tsaddiek. Zo kan in een psalm vurig gewenst worden dat de kapotmakers zelf kapot gaan, dat de booswichten ten val komen, zonder dat daarbij een namenlijst geleverd wordt van concrete mensen die wel dood mogen.
In het verweer tegen hufterigheid heb je hartgrondige taal nodig. De Nederlandse term ‘hufterigheid’ doet het recentelijk zo goed omdat je in het uitspreken ervan emotie kunt investeren: het woord heeft de kwaliteit van een krachtterm. Het drukt je verontwaardiging niet zozeer op een beschrijvende manier uit, maar op een ‘performatieve’ manier: puur door het te zeggen doe je iets, je ventileert afkeer. Het woord is als een bindmiddel dat je diffuse boosheid laat klonteren. Precies naar woorden met zo’n effect zochten we in 2001 toen we alternatieven verzamelden voor het woord ‘goddelozen’.
Die kwaliteit, die maakt dat het woord als een krachtterm hartgrondigheid kan belichamen, heeft het woord ‘goddelozen’ nu juist weer wél. Als je zegt dat het ergens een ‘goddeloze bende’ is, kun je in dat bijvoeglijk naamwoord flink wat negatieve energie kwijt, net als in de meest gangbare vloektermen. Als het misverstand dat dit woord als vertaling van rasja‘ in de hand werkt, niet zo ernstig was, zou het qua gevoelswaarde prima voldoen.
Maar het misverstand is ernstig genoeg. Te vaak kom ik in de kerk ouders tegen die denken dat hun niet-meer-kerkelijke kinderen eigenlijk onder het label ‘goddeloos’ vallen, puur omdat ze afstand hebben genomen van de kerkelijke geloofswereld waarin ze zijn opgegroeid. Die ouders pleiten dan tegenover de predikant voor hun kinderen, die immers wél het hart op de goede plaats hebben, hun verantwoordelijkheid nemen in de samenleving etcetera. Elke keer als een psalm zingt over de komende ondergang van de goddelozen, snijdt hun dat door de ziel. Als ik dan zeg dat het in die psalm helemaal niet gaat om ongelovigen of kerkloze burgers, denken ze dat ik me mild opstel omdat ik nu eenmaal niet zo streng in de leer ben. Alleen al daarom acht ik ‘goddeloze’ een schadelijke vertaling van rasja‘.
Schoftentuig heb je overal: in en buiten de kerk, bij politiek links en rechts, onder de schatrijken en onder de straatarmen. Hufterigheid kan zich even goed in een religieuze als in een a-religieuze mantel hullen. Als de dichter van psalm 139 in vers 19 zou bedoelen: ‘God, laat de ongelovigen kreperen!’ – zou hij een religieuze hufter zijn. Maar gelukkig bedoelt hij dat niet. Hij snakt naar een gemeenschap waarin respect en toewijding, zorg en gerechtigheid de boventoon voeren. En om na achttien verzen van innige bescheidenheid de kwade sappen een uitweg te bieden, barst hij in vers 19 opeens uit: im tiqtol Eloah rasja‘ – sla dood, o God, het schoftentuig! Zonder namenlijst erbij. Maar het moest er echt even uit.
Peter van Helden, Piet van Veldhuizen en circa 80 medeondertekenaars. De petitie is te vinden op http://groups.yahoo.com/group/leesrooster/message/3385 (toegankelijk na aanmelding voor deze discussiegroep).
Bijvoorbeeld, in het Kuifje-album De krab met de gulden scharen (1941): Woestelingen, lafaards, zandvlooien, sukkels, duinbewoners, schorpioenen, kamelen, heidenen, wildemannen, turkse mutsen, zandhazen, gehoornde slangen, spitsboeven, halve maan-rovers, gebakken sprinkhanen, basji-boezoeks, zoeloes, coloradokevers, lafbekken, woestijnvossen, zeeschuimers, afvalligen, slavenhandelaars, Mau-mauers, vogelverschrikkers, menseneters, kokosnoten, aapmensen, sluikhandelaars, anakoloeten, invertebraten.