dr Piet van Veldhuizen
De
Seven Stanzas at Easter van romanschrijver en dichter John Updike (1932) gaan
over de realiteit van het Paasgebeuren. Of eigenlijk gaan ze over ons geloven
in die realiteit, en hoe dat zich verhoudt tot onze trouw aan de feiten van
natuur en wetenschap. Het besproken gedicht is aan het einde van het artikel
toegevoegd.
Laat
het een echte engel zijn
John
Updike=s Seven Stanzas at Easter
In
1960 schreef John Updike, 28 jaar oud, zijn >Zeven
coupletten met Pasen=.[1]
Het was zijn bijdrage aan een Religious Art Festival dat georganiseerd
werd door zijn kerk, de lutherse gemeente van Marblehead in Boston. De Seven
Stanzas werden verkozen tot beste inzending en beloond met een bedrag van
honderd dollar, die hij echter meteen terugschonk aan de gemeenschap.
De
toenmalige predikant zou het gedicht nog jarenlang in iedere Paasviering
voorlezen. Hij zag het als een stralend getuigenis van geloof in de
lichamelijke opstanding van Jezus. Dat ook veel andere lezers het gedicht zo
opvatten, blijkt uit de lezersreacties op websites die de Seven Stanzas
publiceren.[2]
De meeste lezers zijn aangenaam verrast dat die auteur van onpreutse boeken tóch
een ferm belijdend christen blijkt te zijn. Sommigen zijn geïrriteerd door
zijn zekerheid dat het rond de opstanding allemaal echt zo was gegaan.
In
de jaren rond 1960 was de realiteit van de opstanding in Boston, naar ik
aanneem, onderwerp van heftige discussies. Paul Tillich, die met zijn
existentialistische theologie een brug wilde slaan tussen geloof, cultuur en
natuurwetenschap, doceerde sinds 1955 in de stad, aan Harvard. Symbolische en
ontmythologiserende lezingen van de heilsfeiten kwamen als een bevrijding voor
mensen die zowel hun geloof als hun nieuw-verworven natuurwetenschappelijk
wereldbeeld wilden behouden.
Op
het eerste gezicht lijken de Seven Stanzas van Updike in het
opstandingsdebat een uitgesproken conservatieve positie in te nemen. Het
bestaan van de kerk, zo stelt hij in de eerste strofe, staat of valt met de
vraag of de opstanding van Jezus een biologisch feit is, een feit waaraan
moleculen en aminozuren te pas komen. Dat klinkt als een extreem
fundamentalistische benadering, maar is het dat ook? Daarover gaat dit
artikel. Wie het gedicht nog niet gelezen heeft, doet er goed aan om dat nu
eerst te doen, en pas daarna mijn overwegingen te lezen.
De
Seven Stanzas hebben een prachtige, regelmatige opbouw. Steeds is er
een stellende strofe, die zegt wat opstandingsgeloof zou moeten inhouden,
gevolgd door een ontkennende, die zegt hoe het niet mag zijn. De stellende
strofe lijkt telkens te objectiveren door geen geloofstaal te spreken, maar
afstandelijke, welhaast klinische claims te formuleren. De ontkennende strofe
loopt telkens uit op een zin waarin >wij=
ter sprake komen, waarin de zaak dus onmiddellijk op het bordje van de lezer
wordt gelegd. Zulke paren van stellende en ontkennende strofen worden gevormd
door de strofen 1-2, 3-4 en 6-7. Strofe 5 breekt met het patroon doordat daar
in één strofe wordt afgewerkt wat telkens in twee strofen gebeurt. Bovendien
wordt in deze strofe eerst de ontkennende en dan pas de stellende formulering
geboden. Schematisch weergegeven ziet het er zó uit:
1.
Het is wél ...
2.
Het is niet ... / wijzelf
3.
Het is wél ...
4.
Het is niet ... / wijzelf
5.
Het is niet ... / het is wél ... / wijzelf
6.
Het is wél ...
7.
Het is niet ... / wijzelf
Als
we die opbouw eenmaal zien, wordt het spannend om te volgen wát er wordt
gesteld en wát er wordt ontkend, en hoe dat in de >wij=-zinnen dichtbij de lezer wordt gebracht. Het valt te
verwachten dat die drie elementen, elk voor zich en samen-op, in de zeven
strofen naar een climax toewerken.
De
eerste twee strofenparen concentreren zich op het lichaam van de Heer. Als Hij
is opgestaan, dan lijfelijk. Daarmee staat of valt de kerk. Er moet sprake
zijn van omkering van het ontbindingsproces. De eerste strofe formuleert die
eis op het microscopische niveau van lichaamscellen, moleculen, aminozuren. De
derde strofe zet die gedachte op een anatomisch niveau voort: hand- en
voetgewrichten en hartkleppen, doorboord en doodgegaan, zullen weer in werking
moeten treden. De ontkennende strofen die deze extreme claims afwisselen,
verwerpen minder letterlijke opvattingen van het Paasgebeuren. De tweede
strofe noemt enerzijds de levenscyclus van de natuur die elk voorjaar opnieuw
begint, en anderzijds de Geest die Jezus doet voortleven in zijn elf
leerlingen: dat zijn géén manieren waarop je je van de opstanding van de
Heer kunt afmaken. De vierde strofe onderstreept dat nog eens: we mogen de
opstanding niet afdoen als een metafoor, een parabel, een primitieve wijze van
spreken.
De
koele afstandelijkheid van de biologisch-anatomische claims in de stellende
strofen staat in contrast met de wij-vorm waarop de ontkennende strofen
uitlopen. De laatste zin van de tweede strofe verbindt met een enkel woord de
lijfelijkheid van de Heer met die van ons: wijzelf zijn in het spel. De vierde
strofe staat zelfs helemaal in de wij-vorm. Als we het opstandingsverhaal
symbolisch lezen, houden we God voor de gek en kiezen we een
ontsnappingsroute. Updike gebruikt hier het beeld van de deur, misschien
aanhakend bij Johannes 10,9. Wie om het feit van de opstanding heen wil, of in
Updike=s
woorden: wie de transcendentie uit de weg gaat, klimt steels door de ramen van
het geloofsgebouw in plaats van fier door de deur binnen te komen. Het lijkt
erop dat Updike zich al dichtend opwindt over de manier waarop zijn
tijdgenoten proberen om het geloofsverhaal op de maat van hun redelijke en
natuurwetenschappelijke opvattingen te snijden. Zoals zij, in zijn
bewoordingen, God tarten (mock God) met hun symbolische of existentiële
ontsnapping uit de realiteit van het Paasgebeuren, zo lijkt de dichter op zijn
beurt zijn tijdgenoten te willen tarten met zijn radicale
biologisch-anatomische claims aangaande de opstanding.
Updike
formuleert de claims van het opstandingsgeloof hier onrustbarend helder, maar
het vervolg is raadselachtiger. In de vijfde en zesde strofe komen twee >attributen=
uit het opstandingsverhaal ter sprake: de steen die voor de opening van het
graf is weggerold, en de engel die bij het graf aan Jezus=
leerlingen verschijnt. Het lijkt er aanvankelijk op dat in de vijfde strofe
met de steen hetzelfde procédé gevolgd wordt als met het lichaam van de
Heer. De lezer mag niet om de realiteit van de steen heen: maak er geen
bordkartonnen toneelattribuut van, geen symbolische steen in een verhaal. Maar
dan geeft Updike geen fysische, geologische of mechanische eigenschappen van
de grafsteen. Onverwacht lijkt hij zelf het rotsblok tot symbool te maken. Het
is de zware substantie die uiteindelijk, ooit, voor ieder van ons het daglicht
zal wegnemen. Op die manier staat de steen voor ons aller gewisse dood. Met
het beeld van het langzame malen (grinding) van de tijd wordt het
rotsblok een molensteen die ons allemaal mettertijd zal wegmalen. Misschien
zit er nog wel iets dubbelzinnigs in het werkwoord eclipse, dat als
astronomische term >verduisteren=
betekent, maar ook kan betekenen: overtreffen, in de schaduw stellen. Doet de
grafsteen uiteindelijk het licht voor ieder van ons uit, of zal dat blok harde
substantie, weggerold van het graf, uiteindelijk het wijde daglicht overstrálen?
Maar ook dat geldt dan alleen als je het rotsblok er laat zijn, als je het
niet om te beginnen allegorisch wegverklaart.
Zo
komen we, al enigszins in verwarring, bij de engel in de zesde strofe aan.
Maak er dan wel een échte engel van, pleit de dichter. Maar wat is voor hem
een echte engel? Quantummechanisch verantwoord, dus natuurwetenschappelijk
meetbaar, een engel met huid en haar en met een echt gewaad dat van een
aanwijsbaar weefgetouw komt. En graag ook opaak, dus laat het niet zo=n
halfdoorzichtige geestverschijning zijn.
Klopt
het dat Updike hier moedwillig over the top gaat? Voert hij hier zijn
realiteitsclaims opzettelijk ad absurdum, zodat we ons met
terugwerkende kracht moeten afvragen hoe serieus hij het meende met die claims
in de eerste strofen? Of drijft hij kwaadaardig de zaken op de spits, uit
woede over het symbolische paasgeneuzel van christenen die in de ban zijn van
een wetenschappelijk vooruitgangsgeloof, maar toch blijven spreken over
engelen en een open graf?
Het
valt op dat in de zesde strofe het woordje if, áls, terugkeert waarmee
het hele gedicht ook begon. Als Hij überhaupt is opgestaan, dan wel helemaal,
met alles erop en eraan B en als je er een engel bij wilt, laat het dan een
substantiële engel zijn. De dichter lijkt zich zelf niet helemaal vast te
leggen op zijn eigen claims, want die gelden áls je het over een opgestane
Heer wilt hebben. Kern van de zaak is dat hij zijn lezers het recht ontzegt op
(in zijn ogen) halfslachtige geloofswaarheden. Wie Pasen wil, mag niet om de
aanstoot van het Paasverhaal heenkunnen.
Dat
blijkt in de afsluitende strofe inderdaad de pointe te zijn. We mogen het niet
voor ons eigen gerief of uit esthetische overwegingen minder monstrous
maken, minder wanstaltig. Die term verwoordt de ergernis van het Paasevangelie,
het feit dat de realiteit ervan zondigt tegen onze beschaafde redelijkheid.
Met de aminozuren en teengewrichten in de eerste strofen wilde de dichter die
aanstootgevende kant van het Paasgebeuren oproepen. Maar het woord monstrous
grijpt ook vooruit naar het allerlaatste woord van de Seven Stanzas,
dat erop rijmt: remonstrance, een met feiten omklede terechtwijzing.
Het monstrum waarom het gaat is wat die stam letterlijk betekent: het
aanwijsbare, het concrete, precies datgene waar de existentialistische exegese
niet aan wil. Het zou weleens kunnen zijn, zegt Updike in de laatste zinnen,
dat we er ooit beschaamd achter komen dat Pasen wáár is op een manier die
tegen onze fatsoenlijke redelijkheid indruist. Hij suggereert een soort
laatste oordeel dat met verpletterend bewijs duidelijk maakt dat het
Paasgebeuren niet aan de natuurwetten onderworpen was, maar dat omgekeerd de
natuurwetten zich naar het Paasgebeuren hebben moeten voegen.
Is
dat opstandingsfundamentalisme? Daarvoor is het mij te speels. De dichter laat
zich op beslissende momenten nét niet vastpinnen op concrete claims. Het is
per saldo ook een existentieel pleidooi: het gaat over de strijd om voorrang
in ons binnenste, tussen Godsgeloof enerzijds en vooruitgangsdenken en
esthetiek anderzijds. In 1960 zijn Entmythologisierung en
existentialistische theologie, afgezien van hun authentieke betekenis, voor
talloze moderne christenen gerieflijke ontsnappingsroutes waarmee in feite het
geloof getemd wordt, onderworpen aan de wetten van natuur en techniek. God
wordt dan tot de wereld van beeldspraken en analogieën veroordeeld. Er wordt
niet meer op gerekend dat de transcendentie reëel op onze werkelijkheid kan
inwerken. Onze wereld en onze wetenschap zijn dan zelfgenoegzaam geworden,
onbereikbaar voor iets of Iemand van buitenaf. Volgens Updike, zie de eerste
strofe, komt daarmee de Kerk ten val, en zullen we, zie de laatste strofe,
ooit lelijk op onze neus kijken. Vandaar die waarschuwende formulering waarmee
de Stanzas beginnen: vergis je niet!
Piet
van Veldhuizen
John
Updike
Make
no mistake: if He rose at all
it was as His body;
if the cells' dissolution did not reverse, the molecules
reknit, the amino acids rekindle,
the Church will fall.
It
was not as the flowers,
each soft Spring recurrent;
eyes of the eleven apostles;
it was as His Flesh: ours.
The
same hinged thumbs and toes,
the same valved heart
that C pierced C
died, withered, paused, and then
regathered out of enduring Might
new strength to enclose.
Let
us not mock God with metaphor,
analogy, sidestepping transcendence;
making of the event a parable, a sign painted in the
faded credulity of earlier ages:
let us walk through the door.
The
stone is rolled back, not papier‑mache,
not a stone in a story,
but the vast rock of materiality that in the slow
grinding of time will eclipse for each of us
the wide light of day.
And
if we will have an angel at the tomb,
make it a real angel,
weighty with Max Planck's quanta, vivid with hair,
opaque in the dawn light, robed in real linen
spun on a definite loom.
Let
us not seek to make it less monstrous,
for our own convenience, our own sense of beauty,
lest, awakened in one unthinkable hour, we are
embarrassed by the miracle,
and crushed by remonstrance.