dr Piet van Veldhuizen
Paasmeditatie voor het tijdschrift VolZin, gepubliceerd in 2011 nr 8.
Pasen is het feest van het licht aan het einde van de tunnel. Het joodse Pesachfeest waarop het christelijke Pasen is geënt, viert de doortocht door de dood. Er wordt verteld over het slavenvolk Israël dat door lijden en doodsangst heen de vrijheid vond, diep in de nacht en tussen muren van verzwelgend water door. En niets voor niets wordt dat verteld na de eerste volle maan in de lente, als de duisternis, de doodsheid en de krapte van de winter is doorstaan. Alles is vol van nieuw leven en nieuwe warmte. Toen er nog geen elektrisch licht was, nog geen koelkasten en broeikassen, en alle kippen ’s winters van de leg gingen, wogen de laatste loodjes van de winter zwaar: de voorraden werden muf, het was wachten op verse groente en de eerste eieren. De voorjaarsmoeheid sloeg toe, en zelfs nu nog eist het einde van de winter zijn tol onder hoogbejaarden en zieken.
Pasen is het feest van de doortocht door de dood – dat was het dus ook al zonder het verhaal van Jezus. Wat over Jezus wordt verteld, haakt in op dat gegeven. In het evangelie volgens Lucas wordt de weg die Jezus gaat door lijden en dood heen, ergens letterlijk zijn exodus genoemd. Geruime tijd voordat hij in handen van zijn tegenstanders valt, beleeft Jezus een moment van verlichting dat we meestal aanduiden als de transfiguratie of de ‘verheerlijking op de berg’. Volgens Lucas spreken dan twee mannen in blinkende gewaden met hem over ‘zijn exodus in Jeruzalem’ (Lucas 9:31).
De opstanding van Jezus betekent dan ook niet dat Jezus is teruggekeerd uit de dood. De exodus is een uittocht, niet een terugkomst. Als hij door de nacht van de dood heen is, bevindt hij zich net als het vroegere slavenvolk Israël op de andere oever. Aan gene zijde, zeg maar.
De getuigenissen over Jezus’ opstanding in het Nieuwe Testament zijn onderling erg verschillend. Ze getuigen ervan dat de bedremmelde leerlingen ingrijpende ervaringen hebben doorgemaakt, maar ze maken ook duidelijk dat die ervaringen niet zomaar gereconstrueerd kunnen worden. Zoals ook nu nog, als mensen samen iets meemaken dat hun leven op zijn kop zet, hun verhalen daarover maar zelden eensluidend zijn.
Wat alle verhalen wel aanduiden, is dat het om verschijningsmomenten gaat. Jezus de Opgestane is niet permanent aanwezig, hij verschijnt en is weer weg. Ook wat wij de hemelvaart noemen, wordt beschreven als één van de verschijningen van de Opgestane. Het is niet zijn vertrek van een aards adres naar een hemels adres, want van een aards adres was al geen sprake meer. Die verschijningen betekenen niet alleen dat Jezus leeft, maar ook dat hij aan gene zijde van de dood is, in een andere staat van werkelijkheid. Je kunt aan het eind van zo’n verschijning niet achter hem aanlopen om te kijken waar hij blijft: hij is niet meer te volgen, onnavolgbaar anders.
In dat verband is het ook treffend dat, volgens enkele verhalen in de evangeliën van Lucas en Johannes, de leerlingen de verschijning van hun meester uiteindelijk wel herkennen aan zijn manier van doen, maar niet aan zijn uiterlijk, zijn tred of zelfs zijn stem. De Emmaüsgangers (Lucas 24) lopen al een tijd met hem te praten, hebben hem binnen genodigd en eten klaargemaakt, en dan herkennen ze hem pas als hij het brood met hen breekt. Het moet een bewuste keuze van de schrijver zijn geweest om het precies zo te vertellen, en het is gek dat niemand ooit vraagt: waarom herkennen ze hem niet eerder, aan zijn kleren, zijn postuur, zijn manier van spreken, zijn ogen?
Iets soortgelijks wordt verteld in Johannes 21: de leerlingen zijn op het meer van Tiberias, en Jezus verschijnt aan hen als iemand die vanaf de oever naar hen roept. Vanaf dat moment weten ze dat hij het is, en toch weten ze het niet zeker. Zelfs als ze even later met hem rond het vuur zitten, durft volgens het verhaal niemand hem te vragen: ‘Wie bent u?’. Blijkbaar gaat de verteller ervan uit dat de verschijning nog altijd ruimte laat voor die vraag. Het is niet klip en klaar de lijfelijke aanwezigheid van iemand die ze door en door hadden gekend.
De evangelieverhalen zijn pas decennia na dato opgeschreven. Ze zijn niet geschikt als materiaal voor een historische reconstructie. Wat ze meedelen is, dat Jezus zich na zijn dood heeft gemanifesteerd als iemand die niet wég is, maar leeft – maar ook dat zijn leven door de dood heen van een andere aard en kwaliteit is dan het leven voor de dood.
Dat is ook precies wat Paulus probeert zijn lezers aan het verstand te brengen in 1 Korintiërs 15 – in een brief die hij heeft geschreven voordat de evangeliën werden geboekstaafd. De opstanding van Jezus Christus is voor Paulus een fundamenteel gegeven dat het perspectief opent op onze eigen doorgang door de dood. Maar als je hem vraagt hoe het precies zal zijn, reageert hij geïrriteerd, of misschien wel quasi-geïrriteerd:
Nu zou iemand kunnen vragen: ‘Maar hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’ Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders. (…) Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt.
Bij ‘opwekking uit de dood’ denkt Paulus dus niet aan terugkomen in onze huidige bestaanswijze, maar aan doorgaan naar een andere kwaliteit van zijn. Daar kan hij verder niets concreets over zeggen: het is anders, zoals een hemellichaam anders is dan een aards lichaam. Het valt vooralsnog buiten ons bevattingsvermogen. Dat is ook wat de verschijningsverhalen in de evangeliën over Jezus de Opgestane vertellen.
Als pastor kom ik veelvuldig in aanraking met mensen die een verschijning hebben meegemaakt van iemand die gestorven is, of die een ondubbelzinnig levensteken van een overleden geliefde hebben ervaren. In de intellectuele hoofdstroom van onze cultuur worden zulke getuigenissen als bakerpraat of als zinsbegoocheling weggewuifd. Dat is één van de redenen waarom de meeste mensen zulke ervaringen angstvallig voor zich houden. Ook in de kerken is er voor eigentijdse verschijningsberichten vaak geen ruimte. In de rechtzinnige en evangelische sectoren van de kerk worden verschijningen, visioenen en betekenisvolle dromen in de Bijbel letterlijk genomen, maar als ze zich buiten de Bijbel voordoen, worden ze gemakkelijk als demonische illusies afgewezen – zeker als ze niet precies passen in een strak geformuleerde geloofsleer.
Ik pleit er niet voor om onkritisch ja en amen te zeggen op ieder verhaal dat verteld wordt. Maar ik beluister in mijn pastorale praktijk dikwijls de getuigenissen van mensen uit milieus waarin voor die getuigenissen geen plaats is, en van mensen die zulke verhalen zelf niet zouden hebben geloofd als een ander ze had verteld. Het gaat daarbij beslist niet om zeldzame incidenten en om eigenaardige mensen. Zolang hun verhalen in kerk en wereld geen plek kunnen krijgen, zullen ze nooit geïntegreerd raken in een gemeenschappelijk wereldbeeld. Het vigerende wereldbeeld buiten de kerk is, dat de dood geen overgang is, maar gewoon het einde van iemands bestaan. Het vigerende wereldbeeld van de kerkelijke rechtzinnigheid is, dat de dood een overgang is, maar dat er daarna van de doden geen enkel levensteken meer kan zijn. Het evangelie van Pasen spreekt echter in diverse vormen over verschijningen van Jezus. Ook Paulus, die verder geen verhalen over Jezus vertelt, getuigt ervan dat Jezus aan hem verschenen is. Tussen deze en gene zijde, tussen aarde en hemel is er verkeer. Over het hoe of wat wordt niet gespeculeerd, maar voor ervaringen is er ruimte.
Intussen gaat het met Pasen niet louter om het gegeven dat Jezus door de dood heen ‘er nog is’. Met zijn verschijningen bevestigt hij dat de weg door de diepte die hij is gegaan, hem tot zijn bestemming in Gods licht heeft gebracht. Zijn weg vóór de dood bestond erin dat hij bleef zegenen terwijl hij werd vervloekt, bleef vergeven terwijl hij werd veroordeeld, bleef liefhebben terwijl mensen hun haat, angst en nijd op hem loslieten. Zo is hij ten onder gegaan, het toonbeeld van Gods bewogenheid die zich onderdompelt in de diepte van ons menselijke kwaad. Zijn opstanding aan gene zijde van de dood betekent dat Gods liefde al onze haat en al ons kwaad heeft uitgehouden, en dat er dus een weg door dat alles heen loopt die uitkomt in het hart van God. En zijn verschijning aan degenen die hem in zijn lijdensweg in de steek hadden gelaten en hadden verloochend, is een overrompelend teken van trouw en liefde die al hun onmacht voor lief neemt.
In het evangelie volgens Lucas zie ik nog iets opmerkelijks. Het lijkt erop dat de twee blinkend witte mannen die tijdens dat moment van verheerlijking op de berg met Jezus hadden gesproken over ‘zijn exodus in Jeruzalem’, opnieuw opduiken op het Paasfeest. Want terwijl andere verhalen het hebben over engelen bij het lege graf, vertelt Lucas dat de vrouwen op de vroege Paasmorgen ‘twee mannen in blinkende gewaden’ zien die hun vragen waarom ze de levende bij de doden zoeken (Lucas 24:4-5). En als de leerlingen na de tenhemelopneming van Jezus naar de lucht blijven staren, verschijnen volgens Lucas aan hen eveneens ‘twee mannen in witte gewaden’ die hun vragen waarom ze naar de hemel staan te staren (Handelingen 1:10-11). Voor het overige vertelt Lucas in zijn evangelie her en der over engelen, maar hier zijn het uitdrukkelijk twee mannen in het wit. Dat suggereert dat het dezelfden zijn als destijds op de berg: Mozes en Elia, ‘wet en profeten’, die nu komen bevestigen dat dit inderdaad Jezus’ exodus is. Maar ze komen volgens Lucas met een opmerkelijk advies. De vrouwen roepen ze op om niet in het graf te blijven turen; de mannen roepen ze op om niet naar de hemel te blijven staren. Het gaat niet om speculaties over de dood en over gene zijde. Ook dat ben ik in eigentijdse verschijningsverhalen tegengekomen: dat iemand van vroeger verschijnt om te zeggen dat je nu gewoon vooruit moet en je eigen leven moet leven. Want dat is waartoe God je roept.
Piet van Veldhuizen