CV

Artikelen

Columns

Meditatief

Evenementen

Curiosa

Contact

dr Piet van Veldhuizen

Dit artikel verscheen in Interpretatie jrg 16 (2008) nr 7, pp. 7-9

Eén, twee, drie, in Godsnaam

Watervrees en scheepvaart in de Schriften

Nederlanders leven met water en met de zee. We zijn eeuwenlang een zeevarende natie geweest, we schrikken er niet voor terug om onder de zeespiegel te wonen, en vrijwel ieder kind heeft een zwemdiploma. Dat alles vormt een handicap voor het verstaan van de bijbelse teksten over de zee, de diepe wateren en de scheepvaart, maar ook voor het verstaan van de bijbelse doopsymboliek.

Omgekeerd is het daarom voor de exegese van bijbelse scheepsberichten en waterverhalen een voordeel dat ik als kind een sterke vorm van watervrees heb gehad. Ik heb er tien jaar over gedaan om mijn A-diploma te halen, want pure doodsangst verhinderde dat ik me aan het water zou overgeven. Mijn klassieke nachtmerrie was, opgeslokt te worden door een walvis-achtig zeemonster. Als ik denk aan het bijbelse symbool van de doop in de rivier, waarbij de dopeling (ik had al bijna drenkeling geschreven) onder water wordt getrokken en weer wordt opgericht, kan ik me de paniek weer te binnen brengen, en ervaar ik het idee alleen al als doodgaan en aan het leven teruggegeven worden. De doop door onderdompeling in sommige Nederlandse kerkgemeenschappen lijkt een bijbels symbool, maar de primaire symboliek goeddeels verloren als de dopeling van kindsaf kan zwemmen en ook voor z’n plezier naar het zwembad gaat – wat in bijbelse tijden voor een Israëliet ondenkbaar zou zijn geweest.

De zee is in de Bijbel de doodsdiepte, een alles verzwelgend element, een macht die alle onderscheid en eigenheid wegwast, een oermonster dat altijd op de loer ligt om te verslinden wat het grijpen kan. Genesis 1 is, in een variatie op Babylonische scheppingsmythen, het verhaal waarin het vruchtbare land wordt losgepeld uit de oervloed, het verhaal van een droogmaking. De oerwateren worden overlangs en overdwars opengesneden, ze krijgen grenzen toegewezen die ze niet mogen overschrijden, zodat er voor mensen grond onder de voeten komt en ruimte om te leven. In Psalm 104,7-9 wordt de zee gezien als een monster dat graag weer het land op wil, maar de Eeuwige wijst het zijn plaats: tot daar en niet verder!

Vanuit zo’n wereldbeeld, dat door de verhalen over de zondvloed en de exodus nog wordt onderstreept, is het een daad van pure overmoed als een mens scheep gaat en zich op de golven van de zee waagt. Het is een beweging tegen de richting van de schepping in, tegen de heilvolle daden van de Eeuwige in die het water doet wijken om een weg voor zijn volk te banen.

In de Bijbel komen we zodoende nauwelijks scheepvaart tegen, en ook het latere orthodoxe jodendom is op dat gebied altijd zeer terughoudend geweest. Woody Allen gebruikt dat gegeven in één van de films waarin hijzelf als hoofdpersoon optreedt. Hij is op de vlucht voor achtervolgers, de weg loopt uit op een steiger waar juist een veerpont gaat vertrekken. Als de veerman hem aan boord wil laten, blijft hij op de kant staan en zegt: wij Joden varen niet – maar als een moment later de auto van zijn achtervolgers opdoemt, springt hij alsnog aan boord met de opmerking dat hij persoonlijk niet zo streng in de leer is. Achter die komische scène gaat een historisch drama schuil, want schroom voor het bevaren van de zee heeft veel Russische joden in de periode vóór de luchtvaart het leven gekost: het was niet alleen heel wat om het land te verlaten en een nieuw bestaan in Amerika te zoeken, maar het was ook een grote beslissing om je met een schip op de oerdiepte te begeven.

Schepen zijn zeldzaam in de Bijbel. In dat verband is het belangrijk om te constateren dat de ark van Noach uitdrukkelijk géén schip is. Het is een drijvende kist, een teëva, een reiskoffer die op de golven dobbert en uiteindelijk aanspoelt. Er is geen boeg en geen kiel, geen brug en geen mast, geen roer en geen kapitein, en er wordt niet gevaren. Een teëva is de kist waarin een nomade of een landverhuizer het linnengoed en het fijne aardewerk vervoert. Het is even natuurlijk als verwarrend dat het woord ‘ark’, dat in het 17e-eeuwse Nederlands nog gewoon ‘kist’ betekende en niets met scheepvaart van doen had, mettertijd in onze taal de aanduiding voor een vaartuig is geworden. Van Noach, die als Gods kostbaarste en breekbaarste bezit in de kist was opgeborgen waarvan de Eeuwige zelf de deksel afsloot, werd in de volkse voorstelling een kapitein gemaakt, al vertelt het bijbelse verhaal omstandig dat hij in de kist geen enkel uitzicht op de buitenwereld had. ook Mozes wordt als zuigeling in zo’n teëva gelegd, een veel kleinere, maar kisten worden dan ook gemaakt op de maat van wat erin moet.

Als ik het goed zie, is Jona de enige Israëliet in de Hebreeuwse Bijbel die scheep gaat. Salomo laat bouwmaterialen voor de tempel over zee aanvoeren, maar huurt daarvoor de Feniciërs van koning Hiram in. Voor hun nazaten de inwoners van Tyrus, gebruikt Ezechiël uitvoerig de beeldspraak van het schip (Ez 27). En in Psalm 107 wordt over zeevarenden gesproken, maar dan onmiddellijk in verband met rampspoed en doodsnood: de Eeuwige laat ze door de elementen door elkaar rammelen, zodat ze opgelucht en dankbaar zijn als ze heelhuids aan de wal komen.

Ook bij Jona is het scheep gaan allesbehalve een neutrale beslissing en de boot is niet zomaar een transportmiddel. Het schip staat in de neergaande lijn van Jona’s voortdurende afdaling bij de Eeuwige vandaan: op de vlucht voor zijn roeping daalt hij af (het werkwoord jrd) naar Jafo, het schip in, het scheepsruim in, en uiteindelijk verdwijnt hij in de golven en in de vis, om paradoxalerwijze in de diepste diepte de Eeuwige terug te vinden. De bemanning van het schip wordt in tegenstelling tot Jona voorgesteld als een vroom gezelschap dat bidt, zelfonderzoek doet en offers brengt, maar dat is een bewust ironische voorstelling die zijn kracht ontleent aan het feit, dat scheepslieden in de ogen van de joodse lezer juist onbehouwen heidenen zijn. Zelfs zij gaan Jona voor een vroomheid, hij slaapt zijn ondergang tegemoet terwijl zij alle mogelijke goden aanroepen.

De beschrijvingen van hetboekje Jona en van Ezechiël 27 laten zien, dat de joden in de laatste eeuwen voor de jaartelling wél in aanraking kwamen met scheepvaart. Ze kenden op z’n minst de terminologie. In het Nieuwe Testament worden we dan toch nog vrij plotseling geconfronteerd met varende vissers. Hieronder zal ik iets zeggen over de theologische betekenis van de vaarten die ze in de Evangeliën maken, maar we moeten in ieder geval vaststellen dat er blijkbaar feitelijk joden waren die om den brode scheep gingen. Weer wat later getuigt ook de Misjna van het verschijnsel dat joden (soms) de zee bevaren: in diverse voorschriften wordt de situatie aan boord van een schip als een geval apart benoemd. Meermalen wordt daarbij verwezen naar één bepaalde zeereis die rabban Gamaliël II (de kleinzoon van de ‘bijbelse’ Gamaliël) met een groep belangrijke oudsten heeft gemaakt, waarschijnlijk naar Rome om een zaak bij de keizer te bepleiten. Dat geeft dan toch weer de indruk dat zo’n reis uiterst zelden voorkwam. Ook van de Alexandrijnse jood Philo is bekend dat hij in het jaar 38 van onze jaartelling per schip naar Rome is gereisd, maar ook hij reisde toen namens de joodse gemeenschap van zijn stad, die zwaar leed onder anti-joods geweld, naar de keizer om diens ingrijpen te bepleiten.

Of de vissers met hun scheepjes werkelijk uit varen gingen zoals wij ons dat plegen voor te stellen, is niet bekend. Ze hadden scheepjes om in dieper water te kunnen vissen, verder uit de kant dan met een werpnet vanaf de oever mogelijk was. Het is niet duidelijk of het oversteken van het meer, zoals we dat in de verhalen over Jezus tegenkomen, voor de vissers een gebruikelijke operatie was. In de Evangeliën hebben de oversteek-scènes dikwijls een bijzondere betekenis.

Het meer van Galilea wordt in de evangeliën consequent als ‘zee’ aangeduid. In Hollandse ogen is dat al gauw teveel eer voor die betrekkelijk kleine waterplas, maar van belang is dat het in de verhalen steeds gaat over de confrontatie met de mythische wateren, de alles verzwelgende doodsdiepte.

Jezus draagt zijn leerlingen enkele malen op om de zee over te steken. Dat is niet een voor de hand liggende manier om aan de overkant te komen: om het meer heenlopen is simpeler, veiliger en in één verhaal blijkt het ook sneller te gaan (Marcus 6:33), want de menigte die is omgelopen staat er alweer te wachten op Jezus en de leerlingen die overgevaren zijn.

De oproep om de zee dwars over te steken moet dan ook gezien worden als een uitnodiging om niet om de dood heen te lopen, maar de doodsmacht in Godsnaam te trotseren. Die macht blijkt een aantal keren de uitdaging te hebben begrepen en reageert met storm en ontij, zodat Jezus de gelegenheid heeft om zichzelf als Heer over de doodsdiepte te manifesteren, als degene die zijn voet op de wateren zet en wiens pad door de diepten gaat (Ps 77:20). Het is diezelfde oerdiepte die in Markus 4 de Gadarese varkens opslokt. Daar wordt de hele heidense bende opgerold: de horde demonen, door Jezus uitgedreven uit een gevangen mens, trekken de (onreine) varkens binnen en de varkens storten zich in de zee, alle kwade machten verzwelgen elkaar in één machtige draaikolk, terwijl op de oever de bevrijde mens voor het eerst een moment van serene rust kent.

Doordat de zee de doodsdiepten symboliseert, kan het ambacht van de vissers symbool staan voor het redden van mensen: ze worden als vissen aan het licht gebracht, uit de chaos en de duistere afgrond gered – al hebben de werkelijke vissen daar ongetwijfeld een ander gevoel bij.

Het bevaren van de zee, gezien vanuit Genesis 1 een daad van overmoed, wordt in het voetspoor van Jezus een getuigenis van geloof, van leven temidden van de dood. Zo functioneert ook in Handelingen 27-28 de zeereis van Paulus inclusief de schipbreuk: temidden van de storm wordt de communie gevierd, en zelfs als het schip vergaat komt Paulus met alle schepelingen zwemmend en drijvend aan land. Het is een teken van de overwinning op de doodsdiepten, een manifestatie van de christelijke boodschap waarvan Paulus, de vrijmoedige gevangene die steeds meer de reisleider van het militaire convooi wordt, tot in Rome getuige zal zijn.

Na de schipbreuk heeft het gezelschap nog een schip nodig om vanaf het eiland Malta Italië te bereiken. Dat wordt het enige schip in de bijbel waarvan we de naam kennen, want volgens Lucas heeft het als boegbeeld de Dioscuren, oftewel: het heet Castor en Pollux. Dat zijn in de Griekse wereld de schutspatronen van de scheepvaart, de vermetele helden die op jacht zijn naar de onsterflijkheid, naar het Gulden Vlies, en die daarvoor alle doodsgevaar trotseren. Het schip dat hun naam draagt, wordt door de gevangen Paulus ‘geënterd’, in beslag genomen voor zijn missie. De poorten van het dodenrijk hebben zijn onderneming niet kunnen opslokken.

Voor een volk met mythisch gemotiveerde watervrees is scheepgaan een daad van doodsverachting, van overmoed of resignatie. In de vroege christelijke traditie is het een manifestatie van geloof dat de doodsmachten het leven niet zullen verzwelgen, zowaar de Heer leeft aan gene zijde van de dood. Varen is dan een symbool van overgave, van het loslaten van elke vaste grond in het geloof, dat God mensen door de chaos heen draagt. En het summum van varen is overboord gejonast worden: één, twee, drie, in Godsnaam, om door de diepte heen bij de Eeuwige thuis te komen. Dat is tenslotte het enige teken dat Jezus aan de menigte zegt te willen geven: het teken van Jona de profeet (Mat. 12:39; 16:4).

 

Piet van Veldhuizen