Beginpagina

Artikelen

Columns

Meditaties & poëzie

Projecten & Agenda

Contact

Terug

Columns "Mijn Hemel"
(voor Alexanderpost, editie van de Maasstad Weekbladen voor de deelgemeente Prins Alexander)

Hemelpoortjes
28 februari 2001

Hongerdoek
21 maart 2001

Pelgrim
18 april 2001

Bijzonder
16 mei 2001

Jona
20 juni 2001

Oordeel
18 juli 2001

Gestoord
12 september 2001

Vergelijken
10 oktober 2001

Zegen
7 november 2001

Havengezicht
5 december 2001

Toeschouwers
9 januari 2001

Koffie
16 januari 2002

Eeuwig
20 februari 2002

Geheim
13 maart 2002

Achterlijk
27 maart 2002

Hooglied
24 april 2002

Pinksteren
22 mei 2002

Verdiend
26 juni 2002

Pitbulls for peace
14 augustus 2002

Sterren
25 september 2002

Open huis
23 oktober 2002

Aardige mensen
6 november 2002

Dodelijk
27 november 2002

Onderweg
8 januari 2003

Sneeuw
5 februari 2003

Stilteplek
19 februari 2003

Afluisteren
2 april 2003

Stille week
16 april 2003

Schoonvader
21 mei 2003

Stokhoofd
22 oktober 2003

Oriëntatie
5 november 2003

Spaarplan
26 november 2003

Roeping
7 januari 2004

Communicatie
4 februari 2004

Boodschappen
10 maart 2004

Zwaluwnesten
11 augustus 2004

Blut
8 september 2004

Grootsheid
25 augustus 2004

Vuur
niet geplaatst

Vertaling
20 oktober 2004

 

Hemelpoortjes

Op een dag zei ik thuis iets over de Hema, maar omdat ik predikant ben dachten mijn kinderen dat ik het over de hemel had. Of was het andersom - ging het over de hemel en dacht mijn dochter aan de Oosterhof? Ik weet het niet meer. In ieder geval kan ik sindsdien niet meer aan het éne denken zonder het andere ook uit te proberen. Als je dood bent ga je naar de Hema. Harry Mulisch, De ontdekking van de Hema. En andersom: Even naar de hemel voor een halve rookworst.

Een potsierlijke verwisseling, maar je kunt erover doorfilosoferen. Het leven is voor de meesten van ons, gelukkig, niet een jammerdal met een hemel achteraf. Het is meer een winkelparadijs, een consumentenhemel. Winkelen is zalig, als je er tenminste van houdt. We sparen niet voor later. Want net zomin als je weet of er een hiernamaals is, weet je of er een "later" komt. We geven uit wat we hebben en meer dan dat. De rijken en de middenklassers maken schulden omdat het erbij hoort, de armen maken schulden om niet uit het consumptieparadijs te worden verdreven. Tot ze vastlopen, en dan blijkt dat ook onder deze aardse hemel een onderwereld gaapt waarin het eenzaam tobben is.

In de Hema, net als in ieder warenhuis, is iedereen welkom. Je drijft op de massa mee naar binnen en al het moois en lekkers staat voor het grijpen. Maar dan, als je uitgewinkeld bent, moet je door die poortjes bij de uitgang. Nu word ik betrapt, nu gaat-ie piepen, denk ik dan vaak, terwijl ik toch nog nooit iets onbetaald heb meegenomen. Die dwaze opluchting als ik er weer doorheen ben: zou dat zijn omdat ik die twee zaken altijd door elkaar haal?

  terug                 Piet van Veldhuizen  

Hongerdoek

Het schijnt in de Middeleeuwen in sommige kerken een gebruik te zijn geweest, dat alle kerkelijke pracht gedurende heel de vastentijd was afgedekt met een doek. Maar omdat de behoefte aan verbeelding onstuitbaar is, werden op die doeken alras tekeningen gemaakt. Het lijden van Christus werd afgebeeld temidden van de dagelijkse sores van de tekenaars zelf. Zo is de "hongerdoek" ontstaan.

Tegenwoordig hangt er tijdens de vastentijd een nieuw soort hongerdoek in veel kerken. Ieder jaar wordt door de katholieke Vastenaktie een kunstenaar uit een derde-wereldland uitgenodigd om een groot doek te maken, waarop lijden en vreugde van zijn (of haar) eigen volk uitgebeeld is en waarin ook de symbolen van het geloof.zijn verweven. In honderden nederlandse kerken hangt net als in "mijn" protestantse Immanuelkerk dit jaar een doek van de Javaanse schilder Soerya Indratno. Zeven weken lang worden de kerkgangers extra bepaald bij Indonesië met alle hoop en vrees die in dat grote rijk leeft. Opvallend is dat er niets op afgebeeld staat over "christenen tegen moslims", maar wel een grote parel waarop de symbolen van zes godsdiensten staan, als een toegangspoort tot de geestelijke wereld. Middelpunt van het doek is een feestelijke schaal gele rijst waaromheen mensen elkaar als lotgenoten ontmoeten.

Vastentijd, hongerdoek: het klinkt alsof we op dit moment midden in een christelijke ramadan zitten. Intussen heeft de BSE-crisis vermoedelijk heel wat meer invloed op onze vleesconsumptie dan de christelijke kalender. Wel ken ik mensen die het in deze weken wat soberder doen, en kerken die wekelijks gezamenlijke broodmaaltijden houden in plaats van de warme maaltijd. Een onderbreking in het vanzelfsprekende welvaartsritme, dat hebben we van tijd tot tijd nodig. Niet om de pret te drukken of om jezelf te kwellen, maar om ons dichtgeslibde bestaantje open te zetten voor andere gedachtengangen. Wie vast, proeft meer.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Pelgrim

Op een doordeweekse avond in maart, tijdens het avondeten, kwam er een telefoontje van de koster van de Immanuelkerk. Er stond een pelgrim bij de kerk, op zoek naar onderdak. De hotels zaten vol, een andere kerk had hem doorgestuurd. Hij was op weg van Haarlem naar Santiago de Compostella.

Twintig minuten later beklom hij de stoep van mijn huis, een rugzaktoerist van een jaar of vijftig. Hij kon zich legitimeren met een pelgrimspas en een geleidebrief van de pastoor uit Haarlem.

Hij had nog maar twee dagen gelopen, van de honderd in totaal. Het was lang zijn droom geweest om deze reis te maken, gewoon als toerist, zonder religieuze bedoelingen. Maar in de laatste dagen voor zijn vertrek drong tot hem door, dat zo’n tocht hoe dan ook een spirituele onderneming is. Je raakt met anderen in gesprek maar vooral ook met jezelf. Je gaat een weg die tienduizenden hebben gelopen, maar je doet het meestal alleen. Pelgrimeren is een beeld van het leven zelf.

Zo kwam hij ertoe om op het laatste moment naar de parochie te stappen en zich te laten uitzenden. Naast een geleidebrief kreeg hij ook een steen mee, symbool van alle zorgen en gebeden van de Haarlemse geloofsgemeenschap. Die zou hij alle dagen met zich meedragen, om hem vlak vóór Santiago bij het ijzeren kruis neer te leggen. Zo werd hij een echte pelgrim, al moest hij aan dat idee nog wel wennen.

En toen, ter hoogte van Capelle, was er geen plaats voor hem in de herberg. Goed zo, dacht ik, want een pelgrim in een Campanile of Bastion-hotel, dat slaat toch nergens op. Pelgrims horen in huizen ontvangen te worden, zodat de gezinnen die hen onderdak verlenen ook een beetje deel krijgen aan hun tocht. Hoe het werkt weet ik niet, maar die ontmoeting bracht een soort geluksgevoel met zich mee, een gevoel dat het leven goed is. "Gast in huis, God in huis", zeggen onze oosterburen dan.

 

terug                 Piet van Veldhuizen 

Bijzonder

Afgelopen zondag was in onze hervormde Immanuelkerk een pandit te gast. Dat is een hindoe-priester, van de Surinaams-hindostaanse gemeenschap. Het bezoek vond plaats in het kader van Rotterdam Culturele Hoofdstad. Er waren in onze kerkenraad pittige gesprekken aan voorafgegaan. Iedereen was het erover eens dat het heel belangrijk is om met andermans traditie kennis te maken. Het is slecht voor de samenleving als de verschillende religieuze en etnische groepen zich voor elkaar afsluiten. Maar iemand van een ander geloof in je eigen kerkdienst welkom heten, dat is nog wel even iets anders.

Sommige mensen vinden het geen enkel probleem. We geloven allemaal in dezelfde God, zeggen ze dan. Anderen zeggen: dat kan waar zijn, maar de manieren waarop we geloven kun je niet zomaar door elkaar klutsen. Voetballers en volleyballers zijn allemaal met de bal bezig, en beide spellen zijn de moeite waard, maar als je ze door elkaar mixt wordt het een waardeloos zootje.

In onze kerkdienst hebben we zondag dus ook geen mengsel van twee godsdiensten gemaakt. De kerkdienst ging op onze eigen hervormde manier, met een preek bij een tekst uit de Bijbel. Daarna sprak de pandit - hij reciteerde heilige teksten van het Hindoeïsme en vergeleek de inhoud ervan met onze christelijke voorstellingen.

Ik hoor weleens zeggen dat er niet zoveel godsdiensten en kerken zouden moeten zijn, maar ik ben het daar niet mee eens. Geloof is veel te kostbaar om er eenheidsworst van te maken, en het tasten naar God is te teer om het in een dwangbuis te wringen. Laat iedereen zorgvuldig met z’n eigen traditie omgaan. Alleen moet niemand denken dat zijn eigen traditie de enige ware is. Want geloof dat zich niet meer laat tegenspreken, wordt griezelig en onuitstaanbaar. Pas in de rijke verscheidenheid van geloofsvormen komt jouw eigen geloof tot zijn recht, en ontdek je wat er bijzonder aan is. Het is als met bloemen in een goed bloemstuk: ze maken elkaar bijzonder.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Jona

Gelovigen zijn niet verbreiders van een leer, maar hoeders van verhalen. Die verhalen, eeuwenlang doorverteld, werpen telkens weer onverwacht licht ons leven. Als predikant weet ik nooit precies, hoe het verhaal dat ik doorvertel het leven van mijn toehoorders raakt. De kunst van het preken is om ruimte te maken voor de ontmoeting tussen het verhaal en de hoorder, en om die ruimte dan open te laten - dus om niet alles vol te stoppen met je eigen overtuiging. Preken is niet alleen breed uitpakken, maar ook jezelf inhouden.

In de afgelopen maanden lazen we in een heel aantal huiskamergroepen het bijbelverhaal over Jona - het verhaal met de beroemde "walvis". Het is een kort verhaal (precies viermaal deze column), maar heel inhoudsrijk en vooral ook humoristisch.

De hoofdpersoon Jona is een gelovige die in Godsnaam een vijandige stad moet gaan waarschuwen: beter je leven, of het loopt slecht met jullie af. Maar Jona gunt zijn vijanden helemaal niet dat ze hun leven beteren. Hij doet alles om te zorgen dat het blijft zoals het is: zij slecht, hijzelf goed - als je dat nog goed kunt noemen. Een prachtige spiegel voor gelovigen van altijd en overal!

Jona komt op zijn weg het kolossale zeemonster tegen, maar ook een piepklein wormpje. Samen met de brandende zon en de vliegende storm (het weer is ook nooit goed!) proberen ze hem tot andere gedachten te brengen. Iedereen in het verhaal komt tot inkeer - ruwe zeebonken, een kwaaie koning met heel zijn volk, zelfs God - maar niet onze gelovige Jona. Die zit mokkend op de ondergang van zijn vijanden te wachten, en hij neemt het God kwalijk dat Hij barmhartig is.

Een prachtig verhaal, dat gelovigen op een humoristische manier uitnodigt tot zelfkritiek en gezonde zelfspot. Er komen in onze huiskamergroepen heel wat anekdotes los, die laten zien dat het bijbelboek Jona geen antiek fantasieverhaal is, maar springlevende waarheid.

terug                 Piet van Veldhuizen 

Oordeel

Mevrouw B., ruim tachtig jaar oud, was niet gemakkelijk in de omgang. Toen ze mij eens wilde spreken, belde ze me niet op, maar typte ze op een oeroude schrijfmachine een boze brief naar de kerkenraad over het ontbrekende plichtsgevoel bij de predikanten van tegenwoordig. "Was dat een uitnodiging?" - vroeg ik toen ze me binnenliet. Ze lachte fijntjes, en sindsdien was er iets van kameraadschap tussen ons.

Wat me fascineerde was de waardigheid die ze uitstraalde, ook al uitte die zich voornamelijk als verongelijktheid. Over alles en iedereen, een paar trouwe hulpen uitgezonderd, was ze negatief. Ze voelde zich door de kerk verwaarloosd, maar intussen wees ze jarenlang al mijn ideeën om haar meer bij de gemeenschap te betrekken, af. Het laatste wat ze wilde, was overgeleverd te zijn aan andermans genade. Het leven was hard voor haar geweest, maar ik moest vooral niet proberen, in de buurt van haar pijn te komen. Een eenzame vechtjas was ze.

Toen haar gezondheid het definitief begaf, belandde ze in een verpleeghuis. Daar had ze het, zoals te verwachten was, niet naar haar zin. Vernietigend was haar oordeel over de verpleegsters en de therapeuten. Ze was een vreselijke patiënt.

Maar uiteindelijk moest ze in de spiegel kijken. Ze was het leven moe, maar ze durfde zich niet aan de onbekende wereld achter de dood toe te vertrouwen. Ze dacht dat daarginds over haar leven net zo streng geoordeeld zou worden, als zijzelf altijd over anderen had gedaan. Pas toen kon ik aan haar kwijt, dat Gods oordeel altijd genadiger is dan dat van de mensen. Later, toen ze al in coma lag, zegende ik haar ten afscheid. Ik besefte dat ik iemand aanraakte die zich altijd tegen liefdevolle toewijding had verzet, terwijl ze er tegelijk zo naar snakte.

Voordat ze stierf, heeft ze zich nog vastgebeten in de vinger van de zuster die haar mond wilde schoonmaken. Ze was een geweldig mens, God hebbe haar ziel.

terug                 Piet van Veldhuizen 

Gestoord

Het komt weleens voor dat er tijdens de kerkdienst iemand onwel wordt. Voor veel mensen is de kerk een plek waar ze emotioneel anders zijn dan anders, omdat het hun plaats voor bezinning en gebed is. En los daarvan - in een kerk met een paar honderd mensen, in meerderheid ouderen, is het gewoon zo af en toe raak. Een paar weken geleden werd er tijdens één kerkdienst tot tweemaal toe iemand serieus onwel. Nu zijn er onder de kerkgangers doorgaans meerdere artsen en een aantal verpleegkundigen. Als je die één voor één, gewenkt door de koster, de kerkzaal ziet verlaten, krijg je als voorganger toch een zekere haast om de dienst af te ronden. Het belang van je preek lijkt weg te vallen bij het idee dat daar achter de deur iemand gereanimeerd wordt. Je wilt nog maar één ding weten: hoe het afloopt.

Een paar dagen later vertelde ik aan een arts hoe blij ik was met al die dokters in de kerk. Ja, zei hij, dat is mooi, maar over een poosje kan dat helemaal niet meer. Als je dan als arts in je vrije tijd iemand te hulp schiet en het loopt verkeerd af, krijg je een claim aan je broek. In Amerika, zei hij, houdt elke arts zich gedeisd als er naast hem in de trein iemand onderuit gaat. Je kunt je het risico gewoon niet meer veroorloven. De juridische gekte maakt het je onmogelijk om je menselijke plicht te doen. Kijk, daar word ik nou onwel van.

Een oude man, alleenstaand, was eens tijdens de dienst zo ziek geworden dat hij direkt naar het ziekenhuis moest. Toen ik hem daar opzocht, beloofde hij dat hij nooit meer naar de kerk zou komen als hij zich niet honderd procent voelde. Ik protesteerde, want ik vond dat hij dan juist wél moest komen. Je kunt toch beter in goed gezelschap onderuit gaan, dan eenzaam doodgaan in je huis? Als we onze samenkomst daardoor niet willen laten storen - dan zijn we echt gestoord.

terug                 Piet van Veldhuizen 

Vergelijken

Toen ik in de tachtiger jaren als protestants predikant in Polen werkte, hoorde ik in de kerk dikwijls zeggen: protestanten zijn eerlijk en vlijtig, katholieken zijn lui en onbetrouwbaar. Dat klopte nog ook - als je tenminste de beste protestant uitkoos, en die vergeleek met de beroerdste katholiek. Sindsdien kom ik overal die hebbelijkheid tegen: om het beste van jezelf te vergelijken met het slechtste van een ander. Zo kom je altijd zelf als beste uit de bus. Als je op die manier christenen en moslims vergelijkt, neem je bijvoorbeeld Osama bin Laden als typische moslim, en moeder Teresa als typische christen. Dat is natuurlijk niet eerlijk. Als je Bin Laden met iemand wilt vergelijken, neem dan een christelijke schurk, bijvoorbeeld Pinochet - dan zie je dat beide godsdiensten, helaas, niet alleen ridders maar ook draken hebben voortgebracht.

In de kerkgemeenschap hier in Rotterdam hoor je weleens dat mensen bang zijn voor, zoals ze dat noemen, de "oprukkende islam". En dat terwijl de islam in Nederland juist zwaar te kampen heeft met het probleem van de ontkerkelijking (ontmoskeïsering). Dat is ook weer een kwestie van vergelijken: als je Marokkaanse hangjongeren als moslims aanduidt, moet je voortaan hollandse hangjongeren "christenen" noemen. En zeggen dat je in de metro door een christelijke junk bent lastiggevallen.

Je denkt er maar makkelijk over, zeiden ze een keer in een vergadering tegen me - zeker nog nooit bestolen door van die lui? Het volgende agendapunt was het rondbrengen van de paasgroeten, bloemetjes voor zeventigplussers. Er was een probleem: als je in onze christelijke ouderencentra het plantje zolang bij iemand voor de deur zet, is het soms binnen een half uur gejat. Door christenen, zei ik bijna triomfantelijk.

Wanneer ben je christen, wanneer ben je moslim? Ik houd niet van al die vergelijkingen, want die zijn altijd onrechtvaardig. Jezus zei ooit: met de maat waarmee je anderen meet, zul je ook zelf gemeten worden. Oei, dan kun je maar beter je mond houden en iets nuttigs gaan doen.

terug                 Piet van Veldhuizen 

Zegen

Een moeder die haar kind zegent als het op reis gaat - dat kom je alleen nog tegen in films, of in TV-beelden uit verre landen. We zijn het zegenen in onze samenleving al lang geleden verleerd. Alleen priesters en dominees zijn ermee doorgegaan - in kerkdiensten, in ziekenkamers, bij stervenden. Maar misschien wordt het tijd dat we het allemaal weer gaan leren.

Als je iemand zegent, horen daar een gebaar en woorden bij. Maar het belangrijkste is dat je innerlijk, met al je energie, die ander het goede gunt. Zegenen is het tegenovergestelde van macht uitoefenen. Het is ook het tegenovergestelde van zeggen hoe het moet. Je maakt plaats voor God, in plaats van dat je dingen over God beweert.

Als ik een zegen uitspreek, ervaar ik dat voor mezelf als een reinigend moment, een soort ‘gevechtspauze’. In plaats van alle oordelen, al het duwen en trekken, alle gelijk en ongelijk waaruit het dagelijks leven bestaat, wens je met alle vezels van je bestaan vrede voor die ander. Dat is voelbaar - als warmte in je handpalmen, een verandering van richting in je energie-huishouding. Van zegenen word je een ander mens. Eigenlijk zou iedereen dat regelmatig moeten meemaken. Zoals je je kind de hand oplegt als het gaat slapen - zo’n intens moment geeft jezelf ook vrede.

In onze samenleving wordt te weinig gezegend - we houden elkaar op afstand, we vechten ieder z’n eigen gevecht. We hebben onszelf opgevoed tot mondige samenleving: altijd voor je eigen rechten opkomen, permanent in de verdediging en vaak in de aanval. Daar worden veel mensen, ondanks alle zegeningen van onze tijd, niet gelukkig van. Terwijl we ongekende welvaart genieten, voelen in dit land meer mensen zich tekortgedaan en alleengelaten dan in menig ontwikkelingsland. Dat zal altijd zo blijven, als we met geld, spullen en rechten de leegte willen opvullen die ontstaat als we elkaar niet zegenen.

terug                 Piet van Veldhuizen 

Havengezicht

Wij hadden in ons ouderlijk huis zo’n schilderij aan de muur met zeeschepen, havenkranen, een graanzuiger, onrustig Maaswater waarop ook nog binnenvaartschepen voeren, en een al even onrustige lucht. De kleuren werden bepaald door roest, rook, stoom, schuim en staal. Niet alleen mijn ouders hadden zo’n schilderij, maar ook mijn grootouders. Ik wist niet beter, of het hoorde erbij.

Maar toen ik vijf jaar geleden weer in Rotterdam kwam wonen, na vijftien jaar elders, kwam ik opeens overal weer zulke schilderijen tegen. Al huisbezoekend kom ik tot de slotsom dat er verspreid in Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen tienduizenden van deze doeken moeten hangen. Het zijn allemaal echte schilderijen, dus geen reproducties - nergens anders in ons land hebben zoveel gewone mensen een olieverfschilderij aan de muur. Ze zijn dan ook niet gekocht omdat mensen van kunst houden, maar omdat ze van de onrust van de haven houden, de wilde lucht en de stoere bedrijvigheid.

Wat me in die havenbeelden het meest aanspreekt, is dat ze de schoonheid laten zien van iets wat helemaal niet voor het mooi is. Rotterdammers houden blijkbaar van het leven zoals het is, inclusief de roest en de rook en bij tijden het gure weer. Wat in Amsterdam de smartlap is, dat is in Rotterdam het havenschilderij: een verweerd gezicht dat je meer doet dan een glad plaatje van een fotomodel.

Gladde plaatjes kom je natuurlijk ook tegen. Nummer twee op de schilderijen-toptien, althans in de huizen waar ik kom, zijn reproducties waarop de bruggen prijken: de nieuwe Willemsbrug en de Erasmusbrug, dikwijls veel mooier voorgesteld dan ze zijn. Op nummer drie - en dat heeft sterk met mijn kerkelijke omgeving te maken - staan de etsen en tekeningen van de afgebroken Koninginnekerk, die net als Hotel New York twee groene torenkappen had, maar dan hoger en trotser. Zo ziet u waarom zielzorgers geen spreekkamers hebben: om in iemands ziel te kijken, moet je zijn huiskamer zien.

 

terug                 Piet van Veldhuizen 

Toeschouwers

We zijn allemaal deelnemers aan de samenleving, maar dat beseffen we niet altijd. Dat zie je aan de kijkers-file op de snelweg tegenover een ongeluk, aan de andere kant van de vangrail. Dat is, met een woord van drieëntwintig letters, onze toeschouwersmentaliteit.

In december is me dat ook een paar keer opgevallen. Toen Sinterklaas op het schoolplein komt en er werd gezongen: van al die talloze ouders zong bijna niemand mee, ze stonden allemaal hun eigen aapjes te kijken. Waar moest dan de Sinterklaassfeer vandaan komen, als we er zelf niet aan deelnamen? Uit de luidsprekers, maar die deden me eerder aan een winkelcentrum denken. En uit de moeite van de leerkrachten die tegen de klippen op hun best deden.

In de Kerstnacht was het al niet anders. Ik was op bezoek in een kinderdienst, waar het gros van de ouders tijdens de "samenzang" luidruchtig met elkaar zat te praten en te wijzen naar hun kindertjes. Een overmaat aan publiek dat het daadwerkelijke vieren aan een handvol overtuigde deelnemers overliet. Nog los van het geloof: ook de folklore moet het hebben van deelnemers en gaat ten onder aan toeschouwers.

Het klinkt wel erg dominees-achtig, maar ik denk dat ons toekijkersgedrag voor een deel veroorzaakt wordt door de TV en de auto. We zien alles gebeuren op het scherm en achter glas, terwijl we zelf op onze gat blijven zitten. Dat er soms iets gaande is waar jijzelf deel van uitmaakt, dringt dan maar langzaam door.

Het zou een mooi voornemen voor dit nieuwe jaar zijn, om uit de toeschouwershouding te komen en deelnemer te worden aan de wereld die ons omringt. Dat is één grote Goede Tijden, Slechte Tijden, zonder publiek, zonder sterspelers - we zijn er alleen zelf en samen moeten we het zien te redden.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Koffie

Onlangs waren wij, een tiental leden van de hervormde Immanuelkerk, op bezoek in een tempel van Surinaamse hindoes aan de Putselaan. We waren getuige van gebeden en offers, er was zang en muziek met traditionele instrumenten. We voelden ons welkom, we kregen allerlei uitleg, de pandit hield voor ons zijn toespraak in het Nederlands. Hij vertelde een stuk van onze koloniale geschiedenis, gezien door hindostaanse ogen. Zonder een spoor van wrok of rancune, maar toch voel ik me er als witte Nederlander niet gemakkelijk bij. Of je het wilt of niet, je hebt een verleden dat in sommige opzichten helemaal niet fraai is.

Na afloop van de plechtigheid was er koffie, die alleen door de hollandse gasten gedronken werd. Bij navraag bleek, dat iemand speciaal vanwege ons bezoek een koffiezetapparaat naar de tempel had meegebracht. Blijkbaar staan we erom bekend, dat bij ons een plechtigheid niet af is met gebeden en een zegen: pas bij de koffie daalt de vrede in ons hart. En dat in een land dat nooit één rijpe koffieboon zal kunnen voortbrengen. Ziedaar hoe we vastgebakken zitten aan ons koloniale verleden.

Een paar jaar geleden was er die beruchte uitvaart-reclame met de leus "Is er koffie na de dood?". Sindsdien kan ik het niet laten om tijdens begrafenissen en crematies te letten op de allerlaatste zin van de plechtigheid. Die wordt doorgaans niet door mij als voorganger of door een familielid uitgesproken, maar door de uitvaartleider. Stel je voor, je staat aan een open graf, de kist is neergelaten, het Onze Vader gebeden, er zijn woorden van dankbaarheid gesproken. Tenslotte volgt de oproep van de uitvaartleider om definitief afscheid te nemen. En let maar op, in negen van de tien gevallen zul je in die laatste zin de woorden "kopje koffie" horen. Want daar gaan we voor!

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Eeuwig

In het taalgebruik van vandaag is de eeuwigheid niet populair. Je zult eerder horen over 'dat eeuwige gezanik' dan over 'het eeuwige geluk'. Eeuwig en altijd hetzelfde, daar krijgen we de kriebels van. Maar het tegengestelde, eindigheid, lijkt ook niet erg tot de verbeelding te spreken.
Onlangs organiseerden we in de Immanuelkerk een serie gesprekken over eindigheid. We wilden van elkaar weten hoe we omgaan met de betrekkelijkheid van ons bestaan, het feit dat we sterflijk zijn. Geen lichtvoetig thema dus, maar er kwamen vijftig mensen op af. De verwachtingen waren zeer uiteenlopend. De één wilde weten wat er na het sterven met de ziel gebeurt, de ander wilde opruiming houden op de zolder met oude voorstellingen over het hiernamaals. Sommigen hoopten iets over reïncarnatie te vernemen, en een enkeling vroeg zich af of het ook niet gewoon afgelopen mocht zijn als je sterft.
Dat er over het voortbestaan na de dood binnen de christelijke traditie zeer uiteenlopende opvattingen bestaan, mag bekend zijn. Ook de oude geschriften die samen de Bijbel vormen, geven er onderling verschillende beelden van. Maar de aandrang om toch vooral een stukje over de grens te kijken laat vooral zien, dat we moeite hebben met dat éne - dat God wel eeuwig is, maar dat wijzelf eindig zijn.
Je ziet dan dat geloof iets dubbelzinnigs is: soms helpt het je om met je sterfelijkheid te leven, soms ook is het een manier om je sterfelijkheid te ontkennen. Dat is msschien wel het meest fundamentele probleem van de mens: we willen niet eeuwig en altijd doorgaan, maar we weten ook niet van ophouden.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Geheim

Mensen zijn niet doorzichtig. Ieder van ons is een geheim. Daar moest ik aan denken toen ik de verkiezings-uitslagen hoorde van het stembureau in een kerk in mijn wijk. Vóór de verkiezingen zeiden we allemaal tegen elkaar dat we ditmaal zéker gingen stemmen, want de onvrede-partij van professor Pim mocht natuurlijk niet winnen. Maar terwijl rondom dat stembureau veel mensen wonen die ik binnen de kerken regelmatig spreek, had Pim daar toch erg veel stemmen, en de gevestigde partijen erg weinig.
Sindsdien zie ik in mijn fantasie zo’n oer-fatsoenlijk CDA-echtpaar, gepensioneerd, daags na de verkiezingen aan de ochtendkoffie. Allebei zijn ze opgelucht dat het CDA toch een beetje gewonnen heeft. Zo lijkt het net alsof ze allebei hun partijplicht hebben gedaan. De vrouw stemt al jaren stilletjes GroenLinks. De man roert vandaag langer in zijn kopje dan gewoonlijk, want hij vraagt zich af hoe boos ze zou zijn als ze wist dat hij zomaar, in een opwelling, Leefbaar Rotterdam heeft gestemd.
Ieder van ons is een geheim en samen zijn we een raadsel. Wat bezielt ons, dat we het roer zo geweldig hebben omgegooid, zonder te weten waarheen? Ik ga in gedachten de banken van onze kerkgebouwen langs, al die mensen die ik ken. Misschien heeft de helft van hen wel op Fortuyn gestemd, maar wat heeft hen dan bewogen? Ressentiment om het verlies van christelijk Nederland, onbehagen omdat we het overzicht kwijt zijn? Een heimelijke lange neus naar de mensen die daarvoor verantwoordelijk zijn? Een in de stemmachine gesmoorde schreeuw om veiligheid en orde? Maar wat denken ze dan dat Pim Fortuyn daaraan gaat doen?
Het is maar goed dat er ook een stembureau in een moskee was, en dat de Rotterdamse allochtonen massaal op de gevestigde hollandse partijen hebben gestemd. Dat concludeer ik tenminste na enig rekenwerk - maar dat is weer hún geheim.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Achterlijk

Pasen valt vroeg dit jaar. Dat heeft met zon en maan te maken. Als de zon de lentehoogte bereikt wachten we tot de maan een nieuwe cyclus begint, en dan vieren we Paasfeest. Oorspronkelijk het bevrijdingsfeest van de Joden waarop alles opnieuw begint, bovendien voor de christenen het feest van de opstanding van Christus uit de dood. Maar wie weet dat nog? Onderzoek heeft uitgewezen dat het overgrote deel van onze bevolking geen flauw idee heeft van de betekenis van Pasen. Een achterlijke cultuur - dat zei een stadgenoot onlangs over de islam, maar wat te zeggen van de domme vergetelheid van onze eigen cultuur?
Zo zat ik te kniezen, mijn frietjes wegkauwend in de maartse zon, gezeten op een hoge stoep op het stadhuisplein. Een Aziatische toerist liep met zijn fototoestel voor- en achteruit om het stadhuis mooi in beeld te krijgen. Daarna gaf hij zijn toestel aan een passerend echtpaar en poseerde in fiere houding, met de stadhuisgevel op de achtergrond. Met een zweem van leedvermaak hoorde ik een langdurige spraakverwarring aan over de beperktheid van het beeld: hij moest kiezen tussen zijn eigen voeten of de stadhuistoren. Maar ze kwamen eruit, en de Aziaat stak de Coolsingel over om zijn doelwit van dichtbij te bekijken.
Even later onderbrak dezelfde man mijn gepeins door plotseling voor mijn neus te staan. Of ik hier woonde, wilde hij weten - en toen ik daar ja op knikte kwamen de vragen. Dat gouden beeld bovenop de stadhuistoren, wat is dat? En al die wapens, stuk voor stuk, wat vertegenwoordigen die? De koppen boven de ramen, de beeltenissen boven de ingang, alles wilde hij weten. Telkens als ik zei dat ik het niet wist, lachte hij ongelovig: hoe kan dat nou, je woont hier toch? Ja, maar ik heb me er nooit in verdiept, zei ik hulpeloos. Ik kon het verhaal van mijn eigen stad niet vertellen. Over achterlijk gesproken..

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Hooglied

Wie een Bijbel in huis heeft, moet dat prachtige liefdesgedicht eens opzoeken dat Hooglied wordt genoemd. Het neemt nog geen acht pagina’s in beslag, van de 1200 bladzijden die mijn uitgave van de bijbel telt. Maar die paar pagina’s vormen een kostelijke wereld van beelden en geuren, van smaak en gevoel. Judith Herzberg heeft er in haar "27 liefdesliedjes" haar eigen versie van geschreven.

Dezer dagen bestudeer ik het Hooglied met een groep van twintig belangstellenden. Voor mensen die in de protestantse traditie dikwijls nogal preuts zijn opgevoed, is het wel even wennen aan het genot waarmee jongen en meisje elkaars lichaam beschrijven. Zonder ook maar een moment pornografisch te worden, is de taal in elke zin geladen met sensualiteit. Hoewel - soms roepen beelden bij ons niet meer op wat ze ooit bedoelden. Als de jongen zwijmelt: "je tanden zijn als een kudde geschoren schapen die uit het schaapsbad stijgen, alle hebben ze tweelingen" - dan denken wij: meid, je moet nodig een beugel.

In de synagoge hebben de Joden deze poëzie eeuwenlang gelezen als een beeld voor de liefde tussen God en de geloofsgemeenschap. Christelijke theologen deden dat ook, maar in de kerken is Hooglied vooral ongelezen gebleven, ook al stond het in de Bijbel. Jammer, want het boek had ons kunnen leren om niet zo krampachtig met seksualiteit om te gaan - om lichamelijk genot en de Liefde met een hoofdletter wat meer bij elkaar te houden.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Pinksteren

Pinksteren was tweeduizend jaar geleden in Israël het feest van de eerste gerste-oogst, het begin van een seizoen van overvloed. Zoals het in een dorp waar ik woonde rondgonsde wie er al nieuwe aardappels had, alleen vierden we daar geen feest omheen. Pinksteren werd voor de christenen het feest van het enthousiasme, van de Geest van God die mensen bezielt. Het christelijke pinksterverhaal vertelt dat er vijftig dagen na Jezus’ opstanding vlammen verschenen op de hoofden van de gelovigen, en dat iedereen elkaar verstond.

Nou vind ik persoonlijk "vuur" een hachelijk symbool. Het is, ook in de kerk, maar al te vaak een vernietigende kracht. Mensen verzengen elkaar met hun bezieling, ze leggen de huizen van tegenstanders in de as. Bezieling neemt maar al te vaak de vorm aan van verblinding. In plaats van elkaar te verstaan, overschreeuwen mensen dan de anderen, ze horen alleen nog hun eigen waarheid. Bij "vuur" denk ik ook aan pistoolschoten, en wat die aan onherstelbaars aanrichten weten we dezer dagen maar al te goed.

Maar er is een bijzonderheid in dat christelijke pinksterverhaal waar vaak niet op gelet wordt: die vlammen op de hoofden (een soort aura van geestkracht) maakten niets kapot en zorgden niet voor verhitte koppen. Ze doen denken aan een nog veel ouder verhaal, dat Mozes God ontmoette als een vlam in een doornstruik - en wat Mozes opviel was dat de struik niet verbrandde. Er is vuur dat heel laat, vuur dat geen razernij brengt maar aandacht en respect. Ik kan geen aura’s lezen, maar die twee soorten vuur kan ik wel uit elkaar houden: vuur dat het kostbare koestert, en vuur dat alles verteert. Ik hoop dat het ons samen lukt, om dat onderscheid in de komende tijd te blijven maken.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

 

Verdiend

We zeggen in de kerk weleens dat alles genade is. Je krijgt in het leven niet wat je toekomt of wat je verdient. Je lot is geen straf en ook geen beloning. God is eerder je coach die je kritisch begeleidt bij alles wat je doet en doormaakt, dan dat hij degene is die het parcours van je leven met al z'n horden en valkuilen uitstippelt. Je kunt het leven dus niet rechtvaardig of onrechtvaardig noemen, maar je beleeft het vaak wel zo. Mensen die geboft hebben vragen zich af hoe het mogelijk is dat er zoveel geluk voor hen weggelegd is. Maar ik spreek ook veel mensen die het slecht treffen, terwijl ik vind dat ze beter verdienen.

Nemen nou dat stel, eind zestigers, die hun leven lang vrijwilligerswerk hebben gedaan. Ze zaten overal in, stonden voor iedereen klaar. Van die mensen die hun wijk leefbaar houden, gewoon doordat ze reageren op de signalen die ze opvangen. Iedereen die bij het wijk steunpunt werkt, kent ze. Maar nu heeft hij een hartkwaal en zij heeft een beroerte gehad. Zij zit in een rolstoel, kan de deur niet in of uit, de trap niet op. Hij kan haar niet sjouwen, al zal hij het zielsgraag doen. Daarom zijn ze nu al maanden uit elkaar. Hij alleen thuis, zij in het verpleeghuis. Ik dacht: als mensen zich zo hebben uitgesloofd voor de wijk, vinden we met z'n allen wel een oplossing voor hen. Maar dan blijken alle regels dwars te liggen.. Traplift krijgen ze niet, zelfs geen oprit voor de deur. Voor een andere, aangepaste woning sta je jaren op de wachtlijst. Ook wie altijd veel voor anderen heeft gedaan, staat gewoon achteraan in de rij. Dat vond ik altijd normaal, maar als ik deze mensen zien, schaam ik me dat de als samenleving geen hand naar ze uitsteken. Ze hebben zoveel beter verdiend.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Pitbulls for peace

"Wie het leven wil liefhebben en goede dagen wil zien, moet zijn tong van het kwaad weerhouden, zijn lippen beletten bedrog te spreken, zich van het kwaad afwenden en het goede doen, de vrede zoeken en die najagen."

Het lijkt een lange zin, maar het is een stuk van een oudhebreeuws gedicht. Je zou eigenlijk de muziek en het ritme erbij moeten horen. Het is een psalm, toegeschreven aan koning David (1000 v.Chr). Nu staat koning David bepaald niet bekend als de schoolmeester met het opgeheven vingertje. Eerder als een hartstochtelijk mens, in de liefde en in de muziek, maar ook in de guerillabeweging en in de politiek. De bijbel vertelt hoe hij er met schade en schande achterkomt dat je van machtsmisbruik en genotzucht niet gelukkig wordt.

Het gedicht zegt: wie van het leven wil genieten, moet zichzelf en een ander niet bedonderen. Dat is heel wat anders dan "kindje mag niet jokken". Je kunt een leven lang niet jokken en toch jezelf straal voor de gek houden. Veel te lang hebben we mensen in de kerk ervan weerhouden om echt helder te zijn voor zichzelf en elkaar, omdat we bang waren van alles wat er dan gezegd zou worden. We hielden ons bezig met het kleingeld van het jokken, terwijl we het kapitaal van de grote oprechtheid lieten schieten.

En dan het eind van die dichtregel van David. Hou je van het leven, jaag dan naar vrede. Dat is andere koek dan jezelf een beetje afzijdig houden, kalmpjes aan, je nergens mee bemoeien. David heeft in zijn leven op alles gejaagd: op macht, mooie vrouwen, vijanden, roem. Dat is heel wat kleurrijker dan onze koopjesjacht, ons eeuwige zappen op zoek naar nog meer lekkers. Maar Davids slotsom is: Jaag vrede na. Dat is zoiets als "pitbulls for peace". Wil je van het leven genieten, rust dan niet voordat er vrede is. Jijzelf helder, de wereld helder.

  terug                 Piet van Veldhuizen 

Sterren

Vanaf een kleine camping zonder nachtverlichting heb ik, gelukkig, de sterren weer eens gezien. Niet zomaar een paar sterren hier en daar, maar een hemel vol. De wittige strook van de melkweg, en overal tussen de bekende grote sterren tienduizenden andere, naamloze. Het is een sentimenteel cliché om te zeggen dat ik me op zo’n moment heel nietig voel, maar toch is het zo.

In de stad heb je geen idee van die overweldigende wereld boven je hoofd, ook ‘s nachts niet. De stadsverlichting schermt ons van die onmetelijkheid af. Ook als we vinden dat het behoorlijk donker is, zien we door al het verspreide licht dat hier beneden schijnt maar een fractie van wat er daarboven is.

Je moet dus naar de camping geweest zijn om uit ervaring te weten dat er meer is. Je kunt het ook in boeken lezen, waar duizelingwekkende getallen staan: aantallen, afstanden, leeftijden. Maar tussen het weten uit boeken en het beleven van de werkelijkheid is een groot verschil.

Nu ik weer aan het werk ga, in mijn Rotterdamse kerk, is die sterrenhemel een inspirerend beeld. Weten dat er boven je hoofd en om je heen zoveel meer is dan je op het eerste gezicht ziet - omdat je dat op stille en afgelegen momenten soms overrompelend hebt ervaren - dat is immers waar het in het geloof ook over gaat. Beseffen dat het licht van onze cultuur, zo kostbaar en onmisbaar als het is, ook een wezenlijk deel van de werkelijkheid onzichtbaar maakt. Elkaar uitnodigen om soms eens uit de lichtkring te stappen die we zelf maken. Ervaren dat een pikdonkere nacht vol onverwacht licht blijkt te zijn als je je ogen maar de tijd geeft om eraan te wennen.

Mijn kampeerlamp ging na drie dagen kapot, en ik heb het maar zo gelaten. Ik heb minder boeken gelezen dan ik van plan was, maar ik heb meer licht gezien dan ik had vermoed.

Piet van Veldhuizen   

terug

Open Huis

Een kennis van mij, opgeleid als theoloog, is na een korte loopbaan in de kerk een café begonnen. Een pastor hoort aan de stamtafel thuis, vindt hij. En inderdaad, als je zijn kroeg bezoekt vind je hem dikwijls niet achter de bar, maar midden in de zaak. Als er niemand is om mee te praten, schrijft hij zijn idealen voor de samenleving op. Die schrijfsels vind je dan in de menukaart, als stof tot nadenken. En jullie in de kerk, zegt hij altijd, jullie zouden altijd de deur open moeten hebben en altijd daar te vinden moeten zijn. Gastvrijheid is de allerheiligste plicht, van de samenleving en van de kerk.

Een kerk die doordeweeks de stamkroeg van de wijk is - wat zou dat mooi zijn, ik zou er onmiddellijk voor tekenen. Maar lukken zal het niet, zeker niet in onze wijk, die nou niet bepaald door cafégangers bevolkt wordt.

Wat een beetje in de buurt van dat ideaal komt, en ook goed in onze wijk blijkt te passen, is het open huis. In "mijn" Immanuelkerk bestaat het wekelijkse openhuis op vrijdagmorgen dezer dagen vijftien jaar. Er is altijd volk, er wordt bijgepraat zoals dat aan de stamtafel gaat: over kinderen en kwalen, het weer en de politiek, kortom al die dingen waar je weinig aan kunt doen maar je zit er wel mee. De meeste bezoekers komen van de markt of moeten daar nog heen. En inderdaad, meestal is er ook een pastor ter plekke, die gewoon mee koffiedrinkt en keuvelt, maar die ook beschikbaar is voor een intenser gesprek als daar behoefte aan is. Het komt voor dat ik na twee uurtjes Open Huis een agenda vol afspraken heb. Op zo’n moment is het maar goed, dat we niet alle dagen open zijn.

Piet van Veldhuizen   

terug

Aardige mensen

Er lopen, overal om ons heen, veel aardige mensen rond. Dikwijls is iedereen teveel met z’n eigen zaken bezig om daarop te letten. Zelfs in het openbaar vervoer zit bijna iedereen in z’n eigen boek of krantje gedoken. Je merkt dan pas iets als iemand zich onbeschoft gedraagt of iets lelijks tegen je zegt. Daar wind je je over op en je vraagt je af hoe ver de verloedering van Nederland nog door kan gaan. Alle aardige mensen die je ongemerkt bent gepasseerd, tellen dan even niet mee.

Pas slenterde ik als toerist een paar dagen door een grote stad. Wat me het meest opviel was, dat iedereen zo aardig was. Nou ja, iedereen.. maar de meeste mensen toch wel. Waren die mensen nou zo ánders dan wij in Rotterdam, of was ik het die anders keek, omdat ik niet liep te stressen?

Ik moet denken aan die vrouw, ze stierf eerder dit jaar, die enkel lieve en aardige mensen om zich heen had. Op het laatst excuseerde ze zich als ze weer iemand een "lieve man"

noemde, want sommige kennissen zeiden: "Jij vindt ook iedereen aardig!" - Wat zou het geheim daarvan zijn? Had ze een roze bril op, of was ze zelf zo dat het voor anderen niet moeilijk was om in haar buurt vriendelijk te zijn?

Aardige mensen zijn geen nieuws. Op het journaal kom je niet door vriendelijk te zijn. De rottigheid heeft altijd voorrang in de krant, en als je thuiskomt na een dag werken, vertel je ook eerder over die éne zak die jou dwars zat dan over al die aardige mensen om je heen. Zo geven we zelf de hufterigheid veel meer plek dan ze verdient. Voor de sfeer in de stad zou het goed zijn als we meer op de aardige mensen gingen letten. Misschien ben je er zelf wel een..

Piet van Veldhuizen   

terug

Dodelijk

Tabaksreclame is verboden. Op pakjes sigaretten staat in grote letters "Roken is dodelijk", en andere akelige teksten. Daar zou ik blij mee moeten zijn, want het is goed als ongezonde dingen niet aan de mensen opgedrongen worden. Toch maak ik me er kwaad over, elke keer als ik die etiketten zie. Want door van de tabak de grote boosdoener te maken laten we erg veel ongezonde dingen ongemoeid. De dingen die voor de stress zorgen bijvoorbeeld, waardoor mensen veel gaan roken.

Op elke zak patat zou moeten staan: frituurvet is dodelijk, want hart- en vaatziekten zijn nog steeds één van de belangrijkste doodsoorzaken. Op elk bankafschrift zou moeten staan: lenen is riskant. Want hoeveel slepende ellende, stress en agressie komt er niet van dat mensen van hun geldhuishouding een puinhoop maken, dagelijks aangemoedigd door banken en handel? Op elke mobiele telefoon zou een groot etiket moeten roepen: SMS-en kost kapitalen. Noem maar op.

Een paar aar geleden bezocht ik regelmatig een eenzame grijsaard die in een kaal polderhuisje woonde. Hij had niet lang meer te leven, hij zat aan een keukentafel in een leeg vertrek, op de houtkachel pruttelde altijd een kan bittere koffie. Familie had hij niet. Hij rookte shag, en als ik bij hem was draaide ik er altijd eentje, hoewel ik verder nooit een sigaret rook. Het was alles wat hij had, en zij shag met hem delen was een gebaar van kameraadschap. Sinds ik met hem rookte, kon ik ook met hem bidden.

Misschien kan ik daarom wel niet tegen die verbanning van de tabak terwijl al het andere mag blijven. Roken is slecht, vet eten is slecht, de opgefokte consumptie met heel die schuldenspiraal is slecht. Maar dodelijk? Onverschilligheid is dodelijk, en cynisme. Daarom vind ik het vooral erg als mensen roken zonder dat etiket op hun pakje af te plakken.

Piet van Veldhuizen   

terug

Onderweg

We hadden onlangs in het buurthuis een serie bijeenkomsten over "Onderweg Zijn" - over onze reiservaringen, en over het leven zelf als een reis. We vergeleken onze eigen reizen met middeleeuwse pelgrimages. We hoorden over christenen uit de eerste eeuwen die de woestijn introkken omdat ze in de drukke wereld te ver van hun geloof af raakten, en daar hielden we ons eigen verlangen naar stilte en bezinning naast. We lazen psalm 121, het pelgrimslied waarvan de eerste regels hierboven staan, en we hoorden dat er door alle eeuwen heen gelovigen waren die zichzelf als reizigers zagen: homo viator, de mens onderweg.

In tijden van welvaart had het christendom steeds weer de neiging, om zich breeduit te nestelen in de wereld: "gearriveerd" noemen we dat, alsof je er al bent. Bisschoppen werden machtig en rijk, kerken werden bolwerken van gevestigde orde. Christelijke gemeenten waren niet meer het haveloze stel volgelingen van een zwervende Meester, maar welgestelde genootschappen die met hun brede zitvlak de beste plekken in de samenleving bezet hielden.

Dan is het steeds weer nodig om terug te keren tot het reiziger-zijn, de pelgrimage. Tegen alle verzamelwoede in moeten we leren loslaten, achterlaten, verder gaan. Een pelgrim beleeft intens alles wat hij ziet en hoort, in plaats van spullen neemt hij ervaring mee, hij groeit en rijpt naar zijn bestemming toe. Het beste, de vervulling, ligt vóór hem.

December is een maand van huiselijkheid, waarin we behaaglijk genieten van de schuilplaats die we hebben: ons huis, onze familie en vriendenkring - en waarin velen des te pijnlijker voelen dat ze die schuilplaats missen. Daarom is het goed dat nieuwjaar er onmiddellijk op volgt: we pakken onze ransels weer voor de volgende etappe, en onderweg is iedereen gelijk, allemaal aangewezen op elkaars kameraadschap, en op Gods zegen.

Piet van Veldhuizen   

terug

Sneeuw

Op zaterdag 1 februari daalde een witte deken neer over Rotterdam. Het was opeens een andere stad. Ik liep over de Nieuwe Binnenweg, waar het verkeer meestal agressief en ongeduldig is. Nu werd er voorzichtig gereden.  Slenterend stak ik schuin het Eendrachtsplein over: op andere dagen zou dat gelijk staan aan een zelfmoordpoging. Op de Oude Binnenweg gooiden Marokkaanse jongens sneeuwballen. Zo waren ze opeens geen hangjongeren meer, en bovendien volmaakt ingeburgerd. Er hing een gemoedelijkheid in de stad zoals ik die lang niet meer had meegemaakt.

Sneeuw, een deken van onschuld. Allerlei vuil en grauwheid verdwijnt eronder. Het maakt een soort stille vrolijkheid in je los. Je ziet behalve kinderen ook volwassenen op eens weer speels worden. "Al zijn je zonden scharlakenrood, wit zullen ze worden als sneeuw" - staat ergens in de Bijbel. Zo werkt Gods genade, dacht ik zwervend door de stad: als een witte deken over onze grauwheid. De eerstvolgende gedachte is natuurlijk, dat alle rottigheid eronder gewoon blijft zitten. Maar dat is niet waar. Toen zondag al die sneeuw wegdooide, was voor het eerst het rode vuil van het oudejaarsvuurwerk weg van onze straat. En zoals je merkt dat door die sneeuw het gemoed van de mensen kalmer, vrediger en vriendelijker wordt, zo is het ook met vergeving. We raken opgefokt van alles wat we moeten, waarvan we onszelf en elkaar beschuldigen en waartoe we elkaar opjagen. Een groot deel van de boodschap die we elkaar op zondag in de kerk meegeven, is dat we vrijgesproken worden van al dat moeten en van al die schuld. Want bevrijden mensen kunnen goede dingen doen en goede buren zijn. 

Van mij mag het komend weekeinde opnieuw sneeuwen.

Piet van Veldhuizen   

terug

Stilteplek

Vroeger waren kerken altijd open. In sommige streken is dat nog altijd zo. Je kunt er binnenlopen, even gaan zitten, een kaars aansteken. Bidden, nadenken over iets wat je bezighoudt, of gewoon alle gedachten laten rusten en stil zijn.

Niet elke plek is daar geschikt voor. Ik weet niet precies wat het is, maar sommige kerken nodigen uit tot meditatie. Vooral oude kerken, waar veel mensen vóór jou hebben gebeden en stil zijn geweest. Heel af en toe heeft een nieuw kerkgebouw ook die gewijde sfeer, maar dat is echt zeldzaam.

Het is goed wonen in het Lage Land, maar wat ik er mis, is zo’n plek voor stilte. Hoewel - er is er één: de Mariakapel van de Sint-Caeciliakerk, vlak naast wijkcentrum Het Peil. Je kunt er ‘s morgens gewoon binnenlopen. Het licht is er gedempt, gekleurd door glas in lood. De ruimte is besloten maar niet benauwd. Wie er gaat zitten wordt met rust gelaten.

In januari is er begonnen met een maandelijks oecumenisch avondgebed in die kapel, op de laatste donderdag van de maand, van zeven uur tot half acht. Gewone kerkmensen van verschillende kerken organiseren dat gebed, dat bestaat uit weinig woorden en veel stilte.

De eerste keer, in januari, waren er dertig mensen, een kapel vol. De meesten waren op weg naar een vergadering, een koorrepetitie, een activiteit in hun drukke vrijwilligersbestaan. Ze kunnen dat halfuur van stilte goed gebruiken. Goed dat we zo’n plek hebben.

Piet van Veldhuizen   

terug

Afluisteren

Toen ik in de tachtiger jaren in Polen studeerde, wisten we dat zich in mijn kamer een afluistermicrofoon bevond, achter een ventilatieroostertje. We zetten er een radio onder, en medestudenten die binnenkwamen zetten zelf de muziek hard voordat we een gesprek begonnen. Het afluisteren van telefoons was een tijdlang zelfs officieel. In plaats van de kiestoon zei een stem op een bandje: uw gesprek wordt gecontroleerd.

Terug in Nederland kreeg ik onze eigen BVD aan mijn broek. Ze wilden me gebruiken, om inlichtingen te verzamelen. Als ik weigerde, zeiden ze, zou dat kunnen worden uitgelegd als gebrek aan vaderlandsliefde. Als ik meewerkte zouden ze in geval van oorlog mijn Poolse vrienden beschermen. Echt waar, dat beweerden ze.

Het bleek dat ze alles van me wisten. Met name mijn dossier bij de sociale dienst kenden ze beter dan ikzelf. Ze boden me zwarte bijverdiensten aan. Ik had sterk het idee dat ze mijn telefoon afluisterden, maar dat zal ik nooit zeker weten. Toen ik weer terugging naar Polen, kwam er een eind aan deze bizarre relatie.

Ik moest er weer aan denken rond de kwestie-Margarita. Ik zit niet zo met de vraag of er is afgeluisterd. Het werkelijke drama is, dat er niet echt geluisterd wordt. De hele zaak wordt huizenhoog opgeklopt, mensen en media kiezen partij, iedereen lijkt precies te weten wat Margarita's beweegredenen zijn en hoe koningin Beatrix in elkaar zit. Maar luisteren, dat doe je niet met microfoontjes en met krantenkoppen.

Een groot deel van mijn werk bestaat uit luisteren. Dat is een kwestie van belangeloze betrokkenheid. Luisteren is zóó aanwezig zijn dat de ander tot z'n recht komt. Je kunt niet tegelijk éécht luisteren en je eigen plannetjes smeden. Er wordt in Nederland, ook door ons als TV-kijkers en krantenlezers, machtig veel afgeluisterd en gegluurd. Er wordt bar weinig naar elkaar geluisterd.

Piet van Veldhuizen   

terug

Stille week

De week die aan Pasen voorafgaat wordt in de kerk "stille week" genoemd. We hebben in deze week, als het even kan, geen vergaderingen of cursussen. De lijdensweg van Jezus, bezongen in de Mattheüspassion en in talloze kerkliederen, staat centraal.

De stille week begon met Palmpasen, afgelopen zondag. Dan gaat het over de feestelijke intocht van Jezus als koning van vrede in Jeruzalem. Zes dagen later wordt hij gekruisigd, nadat dezelfde menigte die hem had ingehaald, hem als ordeverstoorder aan de Romeinse bezettingsmacht uitleverde. Jezus voldeed niet aan de verwachtingen. Hij confronteerde de mensen met zichzelf - en daar hielden onderdrukkers en onderdrukten geen van beiden van.

We zijn er dezer dagen via de TV getuige van hoe overwinnaars in Irak steden binnentrekken. Ze zien zichzelf als brengers van vrede en zo worden ze soms ook binnengehaald. Maar vervolgens zie je hoe na het spookhuis van Saddam de hel van het volk losbreekt. Ook de slachtoffers van Saddams regime kunnen bar wreed zijn, ook de armen kunnen blind zijn van hebzucht. Wie alleen z’n eigen verongelijkte recht wil halen, maakt van de vrijheid een jungle, een gewelddadige woestenij. Niet alleen in Bagdad trouwens, in Rotterdam is het net zo.

Bij diverse politieke omwentelingen hebben we in de laatste decennia kunnen zien, hoe de slachtoffers van gisteren de daders van morgen zijn. Bevrijding zonder zelfkennis is altijd het begin van nieuw onrecht en geweld. Het standbeeld wordt omgetrokken, maar de sokkel blijft staan, en het wachten is op een nieuw beeld en nieuwe ellende. En de man achter het standbeeld is nog altijd buiten schot.

Het kruis van Goede Vrijdag is het omgekeerde van een standbeeld. In plaats van zich buiten schot te houden, heeft Jezus zich kwetsbaar opgesteld tot in het uiterste. We vieren met Pasen dat dit de toekomst heeft. Zouden we het ook in de samenleving waar kunnen maken?

Piet van Veldhuizen   

terug

Schoonvader

In de Immanuelkerk lezen we uit de Bijbel volgens een rooster dat door de Nederlandse Raad van Kerken is opgesteld. Dat is niet verplicht, maar het heeft grote voordelen. Je kunt bijvoorbeeld vooraf, op internet, met collega’s in het hele land debatteren over de teksten die op zondag in de kerk gelezen worden. Protestantse predikanten en katholieke pastoraal werkers, gevangenis- en ziekenhuispastores, Nederlandse predikanten in het buitenland - tientallen mengen er zich wekelijks in de discussie en honderden anderen lezen mee. Het gaat er telkens om, wat de tekst zelf betekent, en hoe je bij die tekst een verhaal kunt houden waar mensen iets aan hebben. Een tekst waarmee je zelf niet eerst flink overhoop hebt gelegen, kun je niet spannend en zinvol aan anderen meegeven.

Afgelopen zondag lazen we een verhaal over de profeet Mozes, leider van Israël tijdens de volksverhuizing van de Nijldelta naar Palestina. Hij alleen gaf leiding aan een menigte van duizenden mensen. Ze stonden elke dag in lange rijen voor hem, met allerlei kwesties en geschillen. Totdat de schoonvader van Mozes op bezoek komt, een priester van een ander volk. Hij ziet het eens aan en zegt: "Dat gaat zo niet". Hij vertelt Mozes hoe hij zijn verantwoordelijkheid moet delen met een heel netwerk van mensen. Zodat hijzelf kan doen waar hij goed in is zonder eraan kapot te gaan, en zodat elke dag veel meer mensen tevreden naar huis gaan.

Soms kun je van je schoonvader iets leren. Iemand van buitenaf brengt je soms tot inzicht waarvan je later denkt: dat we daar zelf niet op zijn gekomen! Kwam er in Den Haag maar eens zo’n schoonpapa langs. Maar ja: voor een goed bestuur moet je volgens Mozes’ schoonvader wél mensen hebben met respect voor God, solide, betrouwbaar en met een hekel aan winstbejag. Als je dat in een advertentie zet, zou er dan iemand solliciteren?.

Piet van Veldhuizen   

terug

Stokhoofd

Toen mijn dochter drie jaar oud was, deelde ze de mensen in naar de vorm van hun gezicht. Je had stokhoofden en balhoofden: langwerpige en ronde gezichten. Ze wist altijd heel zeker tot welke van de twee soorten iemand behoorde. De buurman heeft een balhoofd, de buurvrouw een stokhoofd. Daar discussieer je niet over, dat zijn de feiten.

Op een avond vertelde ze mij dat ze God had gezien. Hij was boven achter het venster verschenen terwijl ze op haar kamer aan het spelen was. Op mijn vraag hoe hij eruit zag, was het antwoord heel pertinent: hij heeft witte kleren maar je mag erop knoeien, hij is vriendelijk, en hij heeft een stokhoofd.

Een paar dagen heb ik me er het hoofd over gebroken. Ik heb niets tegen visioenen of verschijningen, integendeel. En die witte kleren waar je toch op mag knoeien - een betere samenvatting van mijn geloof in God kun je niet bedenken. Maar dat stokhoofd wilde er bij mij niet in. Waarom niet? Was het omdat ikzelf lang en breed als balhoofd getaxeerd was, dus van de andere soort? Vond ik dat een Godsverschijning op dat punt een beetje in het midden moest blijven?

De week daarop kwam de winterschilder met een offerte. Hij was even alle ramen langsgeweest, zei hij, om de kozijnen te bekijken. Zo ging dat op het dorp waar we toen woonden. Hij was de gemoedelijkheid zelve. Hij liep in een witte overall met hier en daar een verfspat. Hij had zeer beslist een stokhoofd.

Een paar jaar later, toen hij zijn kind liet dopen, heb ik hem verteld hoe in zijn persoon God zelf aan ons raam was verschenen. Het woord “stokhoofd” heb ik niet genoemd, want vóór je het weet heb je iemand beledigd. Ik heb het gehouden op zijn vriendelijkheid, en vooral op zijn witte kleren, waar je wél op mag knoeien.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Oriëntatie

Mijn broer heeft een nieuwe auto van de zaak. Die auto is uitgerust met een navigatie-systeem. Op een schermpje kun je lezen in welke straat je rijdt, zodat je niet naar straatnaambordjes hoeft te zoeken. Je rijdt een andere straat in en floep, de nieuwe straatnaam verschijnt op het scherm. Voor sommigen van ons klinkt dat ongelooflijk, terwijl anderen het inmiddels heel normaal vinden.

Ik kan het nooit nalaten om me af te vragen hoe zoiets werkt. Die auto heeft een antenne die, echt waar, voortdurend in contact staat met een aantal satellieten die in een baan om de aarde cirkelen. Door telkens de signalen van drie satellieten met elkaar te combineren weet het systeem in de auto altijd precies, tot op een paar meter, waar de auto zich bevindt.

Zie je het voor je? Hoog boven de aarde wemelt het van de kunstmanen, die hun baantjes rond onze planeet trekken om als ijzeren engelen de wacht over ons te houden. Op de grond wegen ze een paar ton per stuk, maar ze zweven daar gewichtloos. En al die lease-auto’s, wereldwijd al honderdduizenden, sturen onophoudelijk hun gebeden omhoog: waar ben ik, waar ben ik? Het grote technische wonder is dat al die gebeden prompt verhoord worden: u bent op de Bosbes en draait nu de Aalbes in. Alleen komt er nooit op het schermpje: ik zou maar teruggaan als ik u was, want u bent echt verkeerd bezig.

Wat mijn broer op zijn schermpje leest, daarvoor ga ik naar de kerk: om me af te vragen waar ik ben, welke route ik afleg, en hoe laat het is. Het woord “oriëntatie” komt oorspronkelijk uit de kerkbouw. Het is afgeleid van oriënt: het Oosten. Kerken werden ooit altijd zo gebouwd dat je al biddend naar het Oosten keek, waar de zon opgaat. Een kerkganger gaat dus altijd van west naar oost, van avond naar morgen.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Spaarplan

Allerlei banken en andere firma’s maken zich zorgen om mijn geld en om mijn toekomst. Ze bieden me geweldige spaarplannen aan. Op hun folders zie je gelukkige ouderen, die goed voor zichzelf hebben gezorgd. Niet gehandicapt, niet ziek, niet depressief, ben je mal. Ze hebben hun geld in goede handen gegeven en ziedaar, voortaan schijnt de zon in hun leven. Aan de foto’s te zien brengen ze hun dagen door met bergwandelen, spelen met de kleinkinderen, en genieten van een groot eigen huis. Is dat bij u anders, dan moet u nodig van bank veranderen. En voortaan al uw geld in uw eigen toekomst stoppen.

Al die prachtige folders horen bij een cultuur van “eten en gegeten worden”. Ze zien er beschaafd uit, maar ze volgen de wetten van de jungle, waar het recht van de sterkste heerst. Wie iets heeft, moet profiteren. Wat je nodig hebt is voor jezelf, en wat je over hebt is ook voor jezelf. Wie niets heeft - pech gehad.

Volgens mijn geloof leven we van een heel ander soort spaarplan. Niet dat van “eten en gegeten worden”, maar dat van “sparen en gespaard worden”. Geen ellebogenwerk, maar ruimte maken voor elkaar. Omdat er ook voor jou door God en de mensen ruimte is gemaakt. Wij zijn Gods spaarplan, en ieder mens is kostbaar. Als wij nu ook nog elkaar sparen - dan is dat pure winst.

Dikwijls sparen we elkaar niet, maar maken we elkaar af, met woorden en met daden. Ik denk dat veel mensen een ander naar beneden halen uit angst om zelf de kleinste te zijn. Per saldo zakken we daarmee allemaal samen in het moeras. Wie een ander spaart, groeit ook zelf. Zo werkt het spaarplan. Je moet erin geloven, maar dan zul je zien dat het werkt.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Roeping

 

Als ik zeg dat ik een mooi beroep heb, verbeteren mensen me soms: Dominee zijn is geen beroep, zeggen ze dan, dat is een roeping. Ze bedoelen dan dat je geen dominee bent omdat je nu eenmaal een baan moet hebben, maar omdat je weet dat je dit moet doen, als een soort opdracht uit de hemel. Dat is mooi, maar ik houd altijd vol dat je dat van bijna elk beroep kunt zeggen, als iemand het met overtuiging en naar eer en geweten doet. Tandarts zijn, dat is geen roeping als je het alleen doet om steenrijk te worden. Maar als ik bedenk dat ikzelf nog voor geen goud dag in, dag uit in andermans monden zou willen peuteren, ben ik dankbaar dat iemand anders zich daartoe geroepen voelt. Hetzelfde geldt voor bijna ieder werk: in de thuiszorg, bij de plantsoenen, in de snackbar, bij de bank.

Trouwens, ook het woord ‘beroep’ komt van ‘roepen’. Daar zouden we vaker bij moeten stilstaan. Het gaat erom dat er om je geroepen wordt. Er is heel veel werk waarom geroepen en geschreeuwd wordt, en dat door vrijwilligers wordt gedaan - eigenlijk zou je dan een beroep moeten noemen, want je doet waartoe je geroepen wordt. En als iemand alleen geld zit te verdienen met iets waar niemand om geroepen heeft, zou je dat eigenlijk geen beroep moeten noemen.

Ik vind het een ramp dat we helemaal afgeleerd zijn om naar ons leven te kijken als een roeping. Aan jongeren vragen we wat ze leuk vinden om te doen, en jongeren zeggen vaak dat ze vooral veel geld willen verdienen. Maar de vraag is, of er om je geroepen wordt, en of je daar met je beste krachten op in wilt gaan - dat is ook voor jezelf een manier om het geluk te vinden. We hebben het vaak over vraag en aanbod. Het zou ook eens moeten gaan over geroepen-worden en antwoord geven.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Communicatie

 

Het is een toverwoord in onze dagen: communicatie. Als je een lastige boodschap hebt, moet je goed opletten hoe je het brengt. Overheid en bedrijfsleven laten zich in lastige situaties bijstaan door communicatie-adviseurs. Toch kan het dan nog erg mis gaan, bijvoorbeeld met die vreselijke brief voor de klanten van de thuiszorg. Op zo’n moment zeggen ze: sorry, we bedoelden het goed maar we hebben het niet zo handig gecommuniceerd. Dat is natuurlijk onzin. Als de inhoud van je boodschap niet deugt, maakt het niet meer uit hoe je het brengt.

Ik weet nog waar ik het werkwoord ‘communiceren’ voor het eerst tegenkwam. Dat was in het kerkboekje waarin ik als kind tijdens lange protestantse kerkdiensten zat te bladeren. In het gedeelte over het avondmaal staat op een gegeven moment: “Terwijl men communiceert, zal men stichtelijk zingen”. Communiceren betekende daar, dat de gelovigen elkaar het brood en de wijn van het avondmaal aangeven - zo kennen we ook het woord communie. Het betekent dat je een verstandhouding met elkaar aangaat, waardoor er een gemeenschap ontstaat.

Destijds vroeg ik aan mijn vader wat dat is, communiceren. Omdat hij niet kon weten waar ik dat woord gelezen had, vertelde hij me over de communicerende vaten. Als twee buizen met water onderling verbonden worden, komt het water in beide op gelijke hoogte te staan. Dus probeerde ik me die wijndrinkende avondmaalsgangers voor te stellen als communicerende vaten. Door wat ze samen delen, worden ze allemaal gelijk.

Helaas wordt het woord communicatie tegenwoordig heel veel gebruikt door slimme jongens. Als ze je loon verlagen, noemen ze dat ‘ombuiging’, dat communiceert makkelijker. Maar van veilige hoogte iets meedelen en zelf buiten schot blijven, dat mag je helemaal geen communicatie noemen. Denk aan de communicerende vaten: echte communicatie betekent dat de lasten gedeeld worden. Zoals ook de communie betekent, dat zelfs God niet met mooie woorden op veilige hoogte blijft als Hij een boodschap voor ons heeft.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Boodschappen

 

Een vreemde uitdrukking eigenlijk: boodschappen doen. Een boodschap, dat is iets wat je gaat brengen. Een boodschapper heeft een mededeling. Maar boodschappen-doen is meer halen dan brengen. Je gaat met een lege tas en je komt thuis met een volle. Alleen met je portemonnee is het andersom.

Onlangs hebben we vanuit de kerken gevraagd, of we ons op de zaterdag voor Pasen tot het winkelende publiek zouden mogen richten op het podium in Alexandrium III. Niet om zieltjes te winnen, maar om op een relaxte manier iets met het thema ‘Pasen’ te doen. Dat mocht niet, want de winkeliersvereniging staat alleen neutrale boodschappen toe. Blijkbaar zijn de kerken op voorhand al niet neutraal. Reclameboodschappen die bedoeld zijn om je tot veel te dure aankopen aan te zetten, heten wél neutraal. De winkeliers ook: die concurreren elkaar volkomen neutraal over het randje.

Maar nu terug naar het boodschappen doen. Volgens mij betekent die uitdrukking, dat je naar de winkel of de markt gaat voor het sociale verkeer. Je wisselt nieuws uit, je leeft met elkaar mee, je haalt wat je nodig hebt maar je hebt ook je inbreng. Dat is hoe winkelen er vanouds heeft uitgezien: niet dat je alleen geld wegbrengt en spullen binnenhaalt, maar dat je contact hebt en op de hoogte blijft. Je bent geen consument, maar deelnemer. Daarom is het rampzalig dat in onze wijken buurtwinkels en kleine winkelcentra verdwijnen. Economisch kan ik dat volgen, maar sociaal is het erg slecht voor de mensen. Buurtwinkels zijn de laatste plekken waar je voelt dat een buurt een leefgemeenschap is. Daar worden bij de kassa nog echte boodschappen gedaan: er wordt gekocht en betaald, maar ook bijgepraat en gevraagd naar je gezondheid. Het is een plek in je sociale netwerk, een vluchtheuvel in een zee van anonimiteit. Wie daar geen boodschap aan heeft, die is wat mij betreft niet neutraal: die stelt zich vijandig op tegen het leven.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Zwaluwnesten

 

In de vakantie was ik in Polen. Een land met tienduizenden kleine boeren. Sinds mei van dit jaar gelden er de Europese landbouwregels. Dat geeft veel onzekerheid, want wie weet de weg in al die regels? Er doen de wildste geruchten de ronde. Omdat ik jaren in Polen gewoond heb en zodoende de taal spreek, heb ik er het nodige van opgevangen.

Eén van de geruchten is, dat de boeren alle zwaluwnesten uit de stallen moeten verwijderen. Op veel Poolse boerderijen vliegen de zwaluwen nog altijd in en uit, maar dat schijnt niet de mogen in Europa. Om dierziekten tegen te gaan moeten de stallen dicht en de zwaluwen weg. Misschien is het maar een gerucht - maar Poolse boeren en natuurvrienden vragen zich af wat een boerderij is zonder zwaluwen. Een klinisch bedrijf, een fabriek.

Een week later was ik in Tsjechië, op een ecologische boerderij. Onder de dakranden nestelden zwaluwen, de jongen staken hun kopjes al buiten de nesten. De boer had een halve meter lager een plank opgehangen, waarop de zwaluwenpoep zich had opgehoopt tot torens die bijna tot de nesten reikten. Zo hield hij zijn stoep schoon zonder de vogels te hoeven verjagen. Want zwaluwen rond je huis, dat is een teken van boerengeluk. Het is ook een teken van het leven dat je zelf niet in de hand hebt, leven dat om je heen zijn eigen weg gaat. Want leven kun je niet maken, het is een geschenk.

Ik moest denken aan een lied in de Bijbel, een psalm. “Zelfs de mus vindt een huis, en de zwaluw een nest, bij uw altaren, o Heer van de hemelse machten.” Je ziet het voor je, een heiligdom waar eerbiedige stilte heerst, maar de zwaluwen kwetterend in en uitvliegen. Geen priester pakt de hogedrukspuit om de nesten weg te spuiten, want ze zijn een teken van goddelijke gastvrijheid. In een Europa waar vandaag de zwaluwen worden geweerd, is morgen voor mensen geen plek meer. Daar verdwijnt het licht, want zonder zwaluwen wordt het geen zomer.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Blut

 

Ze hebben lang moeten zoeken naar een naam voor het festival dat aanstaande zaterdag op ons nieuwe Prins Alexanderplein wordt gehouden. Er is gekozen voor de naam Blutfestival. Want daar gaat het over: als je blut bent, hoe dan verder?

Geldgebrek doet rare dingen met je. Als je rood staat, voel je de hele dag hoe alles en iedereen aan je zit te trekken om het geld dat je niet hebt. Rekeningen, aanmaningen, kinderen die van alles willen, betaalautomaten die niet meewerken. Soms raak je in paniek, of je zet een knop op in je hoofd en probeert er onverschillig onder te blijven. Het is een nachtmerrie. Voor veel mensen is het een tunnel zonder licht aan het eind. Het dreigt alle rust, alle vrede uit je leven weg te houden.

Wat schiet je dan op met een Blutfestival? Het laatste wat je wilt, is om zielig te lopen wezen. Het zelfmedelijden vliegt je al vaak genoeg naar de keel, en je hoeft niet te weten wat anderen ervan vinden. De één zegt dat het je eigen schuld is en de ander heeft medelijden met je - allebei even kleinerend, dat hoeft er niet ook nog bovenop.

Toch is het een goed idee, dat festival. Ik hoop dat veel mensen die op het randje zitten erheen gaan, en veel anderen ook. De organisatoren willen dat mensen met weinig geld hun eigen kracht terugvinden. Dat je geen slachtoffer blijft, want dan blijft het leven een chaos waarin je verzuipt. Er zijn op het festival allerlei ideeën en initiatieven die je helpen om sterker te staan. Je wordt er niet rijk van, maar het is al een heel verschil als je weer in jezelf gelooft, als je je trots terugvindt.

Wat mij betreft heeft het Blutfestival alles met geloof te maken. Mensen geloven dikwijls vooral in geld, maar God gelooft in mensen. En als er iemand in je gelooft, dan verzet je bergen.

 

Piet van Veldhuizen   

terug

Grootsheid

 

De vakantie is over. We zullen het weer moeten doen met het lawaai van Rotterdam: het doffe gedreun van de snelwegen bij het Terbregseplein, om de haverklap sirenes van ziekenwagens, en altijd wel ergens de snerpende geluiden van een verbouwing in volle gang. Voorlopig geen weidse, stille landschappen meer. Voortaan kijken we voor de windrichting weer naar de windvaan op de bouwkraan bij de Prinsenwiek. Zo zat ik te mijmeren, terwijl ik met een kennis een biertje dronk op het balkon. En toen opeens zag ik ze: vijf ooievaars, met gestrekte vleugels cirkelend, heel hoog in de lucht. Majesteitelijk, gracieus, sereen - ik ben er altijd weer diep van onder de indruk. Boven mijn lawaaiïge stad geven ze me een inkijkje in een wereld van stille grootsheid. Het is er misschien een raar woord voor, maar zo’n schouwspel van cirkelende ooievaars is voor mij altijd weer een moment van genade. Ik voel me ermee gezegend, het geeft me vrede.

Je moet er wel oog voor hebben, maar zo is het ook in mijn werk. Iemand vroeg me onlangs nog: hoe houd je dat uit, om elke dag naar al die ellende van mensen te luisteren? Want het is waar, als ik mensen bezoek is dat negen van de tien keer niet omdat er iets te vieren valt. Het gaat dikwijls over ziekte, over moeizame relaties, over geleden onrecht, over de dood. Maar het is net als met die ooievaars - temidden van de ruis en het lawaai van alles wat er aan de hand is, zijn er ook steeds weer inkijkjes in de grootsheid van de mensen met wie je spreekt. Die momenten kun je niet afdwingen, maar ze zullen er wel altijd zijn. Want wat er ook met mensen gebeurt, het zijn schepselen met een kostbaar geheim. In de kerk noemen we dat kinderen van God.

 

Piet van Veldhuizen  

terug

Vuur

 

Zonder vuur is er geen leven, maar vuur zaait ook dood en verderf. Zonder vuur is er geen licht en geen warmte, maar vuur blakert ook muren zwart en berooft mensen van een dak boven hun hoofd. Het kan je behoud zijn of je ondergang, je vriend of je vijand. Zo is het ook met vuur in de figuurlijke zin: als het vuur in mensen dooft, worden ze koud en onverschillig. Maar soms moet je bang zijn van het heilig vuur dat mensen bezielt. Geloof is een vuur dat in mensen brandt: soms hartverwarmend, soms vernietigend.

We hebben er de laatste weken maar al te veel van gezien: in ons landje waar toch dikwijls de afstandelijkheid en onverschilligheid hoogtij viert, laait opeens het vuur op van haat, woede, afkeer. Een kleine groep mensen met een doodeng geloof laat de vlam in de pan slaan, en binnen de kortste keren zijn er overal vernietigende vlammen: brand in scholen, moskeeën, kerken, maar blijkbaar ook het vernietigende vuur van angst en afkeer in de harten van heel veel mensen.

Het is niet genoeg om dat vuur te blussen, zodat Nederland weer terugzakt in die zogenaamd vredige onverschilligheid van: laat iedereen het lekker zelf uitzoeken. Als we alle vuur willen uitbannen, zullen we een kille samenleving overhouden waar alleen nog koude pap gegeten wordt. Liever moeten we tegenover het vernietigende vuur van het fanatisme het behoudende vuur van de hoop brandende houden, hartverwarmend in onze leefomgeving.

In de bijbel staat een verhaal dat mensen vaak vreemd vinden klinken: toen de geest van God de leerlingen van Jezus bezielde, zag je vuurvlammen op hun hoofd en hoorde je geluid als van een storm. Maar de storm blies de vlammetjes niet uit en de vlammen legden het huis niet in de as. Naar zulk vuur moeten we op zoek, dat geen schade berokkent maar licht en warmte geeft. Zolang het koud blijft in onze buurt, is het wachten op weer zo iemand die onverantwoord met vuur gaat spelen.

 

Piet van Veldhuizen  

terug

Vertaling

 

Dezer dagen verschijnen twee nieuwe vertalingen van de Bijbel. De éne, de Naardense Bijbel, is in dertig jaar tijd door één persoon gemaakt. Een monnikenwerk waar ik wel een beetje jaloers op ben: die man kent nu de hele bijbel door en door, van binnenuit. De andere, die gewoon de Nieuwe Bijbelvertaling heet, is in tien jaar tijd door een heel team van vertalers gemaakt en door honderden mensen gecontroleerd en proefgelezen. Als bestuurslid van het bijbelgenootschap heb ik dat hele gebeuren van dichtbij meegemaakt.

Mensen vragen mij nu dikwijls: welke van die twee vertalingen is de beste? Daar heb ik geen antwoord op. Ze zijn verschillend, zoals er ook verschillende vertalingen van de sonnetten van Shakespeare zijn, of van de Odyssee van Homerus. De éne wil dat je de oude talen er als het ware nog doorheen kunt horen, de andere wil het oude boek laten klinken in zo natuurlijk mogelijk Nederlands. Je kunt bij vertalen ieder woord letterlijk overbrengen, maar dan gaat de klank, de sfeer, de muziek van de taal verloren. Je kunt de sfeer van een tekst overbrengen, maar dan gaat er altijd woordspel verloren.

Vertalen is een boeiende klus, en iedereen heeft er ervaring mee. Als je kinderen opvoedt, moet je de waarden die je van vroeger hebt meegenomen, vertalen in gedragsregels voor nu. Gewoon letterlijk overnemen, dat kan niet, dan weet je zeker dat je ze kwijt bent. Vertalen, dat is: het wezen van die oude waarden in de jas van een nieuwe tijd steken. Dat is altijd spannend, die kunst moet je bij elkaar afkijken, en je bent er nooit klaar mee.

Het vertalen van de bijbel gaat ook altijd door, want onze taal staat nooit stil. Welke bijbel is de beste? De Naardense of de Nieuwe? Als ik met Sinterklaas en Kerst genoeg boekenbonnen krijg, koop ik ze allebei. En die oude vertalingen houd ik ook binnen handbereik.

 

Piet van Veldhuizen  pi.veldhuizen@caiway.nl

terug

terug naar de thuispagina