Columns over actuele nieuws-items

geschreven voor http://www.zinweb.nl/
(de thema's voor deze columns zijn telkens door een dagbladjournalist aangereikt)

Piet van Veldhuizen

Terug naar de hoofdpagina

14 december 2006, over de vraag
of paus Benedictus XVI iets zou kunnen betekenen
in de gespannen verhoudingen tussen de wereldgodsdiensten

Of wij de paus als geestelijk leider van de christenen erkennen of niet, door de niet-christelijke wereld wordt hij wél als zodanig gezien. Daarom hebben we er allemaal belang bij dat de paus zijn woorden zorgvuldig kiest en dat hij een helder idee heeft over zijn eigen rol in de interreligieuze verhoudingen. Dat is op zich al boeiend: als protestant met een anarchistische inslag had ik nooit gedacht dat ik de paus ooit zou kunnen zien als een vertegenwoordiger van mijn geloof. Maar in feite is hij het wel, en zodra moslims op hem reageren, merk ik dat ik met hem ga meedenken, of plaatsvervangend voor hem ga denken: zó moet je antwoorden, dát moet je doen...


Wat moet hij dan doen?

Natuurlijk moet er in diplomatieke zin voortdurend gewerkt worden aan het voorkomen van escalatie en aan de-escalering van uit de hand gelopen situaties. Op dat gebied heeft het vaticaan genoeg ervaring, en is het meestal ook ijverig genoeg geweest. Zo wordt het gesprek open gehouden. Maar vervolgens moet dat gesprek ook echt plaatsvinden, en daar ontbreekt het aan, althans in de openbaarheid. Er zouden theologische conferenties moeten plaatsvinden waaraan naast de paus zelf representatieve leiders van de religies deelnemen. Daar zou het moeten gaan over onze gods- en mensbeelden en de mate waarin die vreedzaam samenleven bemoeilijken of juist mogelijk maken. En dat alles zou voor het oog van de wereld moeten gebeuren, met het gewicht van een vredesconferentie. Zodat moslims en christenen, en anderen, het zouden kunnen volgen als een worsteling in en om ons denken en geloven. Dan zouden onze plaatselijke toenaderingen en gesprekken geen incidentele poginkjes zijn, maar onderdeel van een wereldwijd gesprek van hoog tot laag.

Dan zou Benedictus XVI mijn paus zijn.



22 november 2006, in reactie op de vraag van RD-journalist Tjerk de Reus
of de traditionele Nederlandse kerken het voorbeeld van evangelische bewegingen
wereldwijd niet moeten volgen, waar gebedsgenezing een belangrijke succes-factor is

De groei van het christendom elders in de wereld hangt volgens Tjerk de Reus nauw samen met gaven van genezing. Ook het succes van pinksterkerken in Nederland zou met hun nadruk op concrete genezing te maken hebben, zo suggereert hij. Daaruit vloeit de vraag voort, in mijn eigen woorden, of de Nederlandse traditionele kerken er niet verstandig aan zouden doen om deze service in hun pakket op te nemen. Ik heb daar twee gedachten bij.

De eerste: als je eraan begint omdat je kerk dan beter in de markt komt te liggen, is de dienst der genezing vanaf het begin corrupt. Ze is dan immers niet uit op genezing van de zieke, maar op het veroveren van de religieuze markt. Gaven van genezing zijn geen oplossing voor kerkelijke problemen. In de traditionele kerken is er op sommige plekken uitdrukkelijk ruimte voor, terwijl er op andere plaatsen met scepsis naar gekeken wordt. Ik vind die diversiteit goed, omdat kritische blikken in de eigen gemeenschap helpen om ontsporing, manipulatie en machtsmisbruik in de genezingspraktijk te voorkomen. Ik heb liever stille genezers in een sceptische kerk, dan een kritiekloze beweging met de genezer als centrale figuur.

De tweede gedachte: volgens de socioloog en kerkhistoricus Rodney Stark groeiden de eerste gemeenten in het Romeinse rijk vooral zo snel omdat christenen hun zieken trouw bleven tot de dood. Ze vluchtten niet uit steden waar ziekten heersten, maar verzorgden hun zieken en ouderen met alle risico’s van dien. Dat maakte indruk, én het maakte hun op termijn weerbaarder. Niet het succes van de genezing, maar de toewijding aan de zieke of gekwelde medemens is dan het geheim. In kringen rondom gebedsgenezers voelen mensen die niet genezen zich dikwijls totaal afgeschreven. Het geheim van de kerk is, dat ze geen mensen afschrijft.



6 november 2006, in reactie op het vermoeden van Trouw-journalist
Koert van der Velde - dat theologen dit soort colums schrijven
omdat ze over hun eigenlijke taken tezeer in verlegenheid zijn.
Hij stelt dat theologen zich bij hun eigen werk moeten houden:
van bakkers verwacht je goed brood en geen maatschappelijke opinies.
Van theologen verwacht je dat ze het contact met God mogelijk maken,
niet dat ze zich met maatschappelijke vragen bemoeien.

De vraag van Koert van der Velde stoelt deze week op twee stellingen. De éne: zoals een bakker brood bakt, zo faciliteert een theoloog het contact met God. De andere: een bakker moet meer aandacht hebben voor het leveren van goed brood, dan voor de actualiteit. Die beide combineert hij, en de conclusie luidt vragenderwijs: als theologen commentaar geven bij de actualiteit, is dat dan omdat ze geen raad weten met hun eigenlijke werk?


Beste Koert, om te beginnen: ik word uitgenodigd om een vraag te beantwoorden, zoals jij wordt uitgenodigd om die te stellen. Nu suggereer je dat mijn bereidheid om te antwoorden te maken heeft met verlegenheid met mijn eigenlijke werk. Laat ik je geruststellen. Ik zit niet de hele week aan deze column te werken. Doe jij wél de hele week over die vraag? En is dat dan omdat je geen raad weet met je journalistieke werk?

Overigens: theologen moet je niet met bakkers vergelijken, maar met voedingsdeskundigen. Die horen hun blik niet te verspallen tot het produceren van rendabel brood. Die moeten donders goed op de actualiteit letten en daar vanuit hun deskundigheid op reageren. Predikanten mag je wél met bakkers vergelijken, die moeten in de eerste plaats hun ambachtelijke werk doen. Ik ben fulltime predikant, en deze column schrijf ik in mijn vrije tijd.

Als trouwens alle schoenmakers zich alleen nog maar bij hun leest hielden, beste Koert, dan zou jouw krant alleen nog maar gelezen worden door de medewerkers van knipseldiensten. Er is ook nog zoiets als verantwoordelijkheid voor de wereld waarin je je brood of je praatjes verkoopt. Neem nou armoede: daar krijgen bakkers en predikanten, en ook voedseldeskundigen en theologen, elk op hun eigen manier mee te maken. En soms willen ze er dan iets over zeggen. Soms moet je stelling nemen. Hebben journalisten dat nooit?



17 oktober 2006, over de beslissing van het Vaticaan
om de leer over het voorgeborchte los te laten.

De media hebben er mooie, maar ook bijzonder suggestieve koppen voor gekozen. De Standaard: ‘Vaticaan haalt zielen overleden kinderen uit voorgeborchte van hel’. De IKON: ‘Paus schaft voorgeborchte voor ongedoopte kinderen af’. De Volkskrant: ‘RK kerk gunt dode baby’’s hun zielerust’.

In alle gevallen doen de teksten het voorkomen alsof het roomskatholieke leergezag op dit gebied de dingen regelt. Alsof het Vaticaan, in eigen of andermans ogen, macht heeft over de procedures aan gene zijde. Dat maakt van die vergadering in Rome een grotesk tafereel: een stel oude mannen die gaan zitten regelen hoe het voortaan in het hiernamaals met gestorven kindertjes zal gaan. Terwijl we allemaal weten, dat die mannen in het Vaticaan van vandaag die pretentie niet hebben. Op dat punt hebben de krantenkoppen iets kwaadaardigs.

Op één punt schieten die mediakoppen raak: de leer van het voorgeborchte had ooit wel alles te maken met de macht van de kerk. Als mensen zouden mogen geloven dat ongedoopte kinderen zomaar in de hemel kwamen, zou de absolute noodzaak van het kerkelijk doopsacrament ondergraven worden. Dan was er een sluipweggetje naar God, langs de kerk heen. Zulk machtsverlies moest tot elke prijs worden voorkomen.

Maar juist omdat deze kerkleer zo kwalijk is, vind ik het terecht dat de afschaffing ervan niet zomaar tussen neus en lippen door gebeurt. Als zoveel moeders en vaders onder die leer hebben geleden, kan ze niet afgeschaft worden door er gewoon niet meer over te praten. De mannen in het Vaticaan moeten nog maar eens vertellen hoe de kerk er ooit bij is gekomen, welke bedoelingen erachter zaten en hoe het zo fout kon uitpakken – en natuurlijk ook, wat dan nú de overtuiging (of het vermoeden) van het kerkelijk leergezag is. Met minder hoeven katholieken in mijn ogen geen genoegen te nemen.




3 oktober 2006, over de stelling van Richard Dawkins
dat gematigde religiositeit slechts een veilige broedplaats is
voor gevaarlijk religieus fanatisme –
en dat dus alle religiositeit onaanvaardbaar riskant is

Volgens Richard Dawkins zouden we een seculiere levensbeschouwing moeten promoten omdat religie steevast tot fundamentalistische uitwassen leidt. Gematigd geloof zal altijd een kweekplaats of voedingsbodem zijn voor intolerant geloof, want beide liggen o zo dicht bijeen.

Het boek van Dawkins is er nog niet, dus ik heb geen idee wat zijn analyse van geloof is, en hoe precies zijn tegenvoorstel luidt. Zoals het nu klinkt, zie ik niet in wat het fundamentele verschil zou zijn tussen een seculiere en een religieuze levensbeschouwing. We kennen ook seculiere intolerantie, seculiere dictaturen en seculier geweld.

Onverdraagzaamheid en fundamentalistisch geweld hebben meer met identiteit te maken dan met religie. Mensen zijn geneigd hun eigen identiteit te verabsoluteren. Velen doen dat op een defensieve manier, uit angst om terrein te verliezen. Anderen maken graag gebruik van die angst, om macht te vergaren. En het is waar, religie speelt vaak de rol van bevestiger van die identiteit. Religie wordt dan tégen de anderen en het andere gebruikt.

Maar wis de religie uit, en haar plaats zal worden ingenomen door andere voertuigen van identiteit en zelfbevestiging: nationalisme, tribalisme, fanatiek secularisme. Steeds zal dat wat ánders is als een bedreiging van het eigene worden opgevat. Ook Dawkins zelf, bepaald niet vrij van zelfbevestigende hartstocht, ziet de ander als het kwaad en zichzelf als de oplossing. Hef de identiteit van de ander op, stel de zijne verplicht, en de wereld zal verlost zijn.

Zowel religieuze als seculiere bewegingen zullen in deze ontvlambare wereld heel kritisch naar zichzelf moeten kijken. Het is goed dat zij mensen het gevoel geven dat ze er mogen zijn en dat ze bij een beweging horen. Maar dat mag niet ten koste gaan van het bestaansrecht van anderen of andersdenkenden. Ons geloof zal ruimte moeten maken voor alle anderen, en niet pas als ze zich bekeren - tot de kerk, of tot Dawkins.



27 september 2006, over het IKON-onderzoek
waaruit zou blijken dat veel predikanten niet in God geloven

De eerste meldingen in de kranten waren dat één op de zes dominees niet wisten of God wel bestond – terwijl het ging om zes procent, dus één op de zestien. Slordigheidje? Ik denk dat sommige journalisten graag willen onthullen dat de geestelijkheid de kluit bedondert. Kerkleden reageerden geschokt: zóveel twijfel bij hun voorgangers, terwijl ze elke zondag staan te bidden tot God en te preken over God? Wie kunnen we dan nog op z’n woord geloven? Daarom kijk ik op van de vraag voor deze column: Hoe komt het dat zoveel predikanten wél in God geloven?


Mijn eerste associatie is: hoe komt het dat zoveel bakkers brood eten? Hoe komt het dat zoveel vissers iets met vis hebben? En inderdaad: je zou je een bakker kunnen voorstellen die geen brood lust en louter op rijstwafels leeft, of een zeezieke visser voor wie vis louter een abstractie is, wiens ziel door zijn beroep niet wordt aangeraakt. In beide gevallen denk ik: kies een ander vak. Dat denk ik ook bij predikanten die pertinent niet in God geloven. Nico ter Linden zei eens in een radio-interview: “Ik weet natuurlijk wel dat er daar achter de wolken niets is, maar mensen hebben die verhalen nodig, dus ik vertel ze.” Dan denk ik: Hou de mensen niet zoet met iets waar je zelf boven staat. Troost ze niet met iets waaraan je zelf geen troost ontleent. Ga een ander vak leren, word storyteller of maatschappelijk werker, maar maak van andermans geloof niet jouw toneelstukje.


Wél kan ik me voorstellen dat je bij zo’n onderzoek invult dat je over God in het onzekere bent. Want predikanten die precies weten hoe het zit met God, die vind ik vaak net zo eng als predikanten die hun publiek graag in de waan laten terwijl ze zelf het Godsgeloof allang voorbij zijn. En geloven, is dat niet tasten naar God?



19 september 2006, over de vraag waarom
kiezers op zoek zijn naar een politieke messiasfiguur,
en of zulke figuren bij de huidige verkiezingen in zicht zijn

Het moet van twee kanten komen, wil iemand de allure van een ‘politieke messias’ krijgen. Er moet een charismatische figuur zijn van wie de volksmassa heil verwacht, en die figuur moet bereid zijn om op die behoefte aan heil in te spelen. Dat leidt tot een wisselwerking die zichzelf gaandeweg versterkt.

Gelukkig komt zo’n proces maar heel zelden op gang, want die charismatische chemie heeft nare eigenschappen. Politieke messiassen brengen niet hun volgelingen tot inkeer en bezinning, maar bevestigen de heersende gevoelens van onbehagen en werpen zich op om in naam van de volksmassa de schuldigen aan te pakken. De schuldigen zijn dan altijd anderen: politici, bureaucraten, buitenlanders, noem maar op. De analyse die de messiaanse leider presenteert, kan veel waars en treffends bevatten, maar er ontstaat een sfeer waarin alle anderen moeten veranderen, terwijl het ik van de volgelingen mag blijven wat het is. Zo wordt in messiaanse politiek het wij-gevoel van de meerderheid het absolute uitgangspunt. In mijn jaren in Polen heb ik het Poolse katholieke messianisme als zo’n zichzelf bevestigende charismatische beweging leren kennen. In de Nederlandse leefbarenbeweging rond Fortuyn zag je hetzelfde ontstaan. Moeten we blij zijn dat zulke leiders momenteel niet op de verkiezingslijsten staan? Ik zou eerder hopen op iemand die wél het charisma heeft, maar zich niet laat verleiden om het volk te geven wat het vraagt.

Het evangelie van Jezus Christus presenteert iemand die meermalen de kans krijgt om een politieke messias te worden. Zijn volk zucht onder vreemde bezetting, de voormannen zijn politiek uiterst verdeeld en vluchten vaak in formalisme – maar in plaats van zijn volgelingen te bevestigen in hun onbehagen, roept hij hen consequent tot innerlijke transformatie, tot zelfinzicht, tot bereidheid om ‘zichzelf te verliezen’ en zó een wereld te winnen. Door hierin zelf voorop te gaan is hij messias, en kan hij geen politicus zijn.



13 september 2006, over de vraag
waarom je zo weinig theologen hoort meedoen
aan het publieke debat over de rol van religie in de wereld

Waarom zwijgen de theologen in het debat over de rol van religie op het huidige wereldtoneel? Waarom verheft geen van onze vakgenoten haar of zijn stem in de Volkskrant, het NRC, of in Trouw? Twee antwoorden strijden in mijn hart om voorrang.

Antwoord één: theologen worden niet uitgenodigd om op die fora deel te nemen. Je komt ze wel tegen bij de ingezonden brieven, waar hun ingekorte reacties soms een plek mogen krijgen. Maar redacties komen niet naar ons toe om onze opinie te horen. Zelf ben ik als redactiemedewerker van een tijdschrift voortdurend op zoek naar scribenten met relevante kennis. Dat zullen krantenredacties ook wel doen voor hun bijlagen, maar bij theologen kloppen ze zelden aan.

Soms maak ik aanstalten om ongevraagde kopij in te sturen. Maar ik weet hoe weinig kans die maakt om geplaatst te worden. Daarom kan ik er geen kostbare uren spenderen. Als gemeentepredikant heb ik de handen te vol aan de echte nood die op me afkomt.

Daarmee ben ik bij antwoord twee: de theologen die midden in de samenleving zitten, de basispastores, hebben als primair publiek hun eigen gemeenteleden of parochianen. Ze prepareren wekelijks, of veel vaker, hun teksten voor de tientallen of honderden mensen met wie ze in voortdurend gesprek zijn. Het debat in de krant is vergeleken daarbij een betrekkelijk abstract gebeuren. Het grootste gedeelte van mijn gemeenteleden leest geen opiniepagina’s in kwaliteitskranten.

Als een krant me zou vragen om een opiniestuk of een reactie, zou ik er graag voor gaan zitten. Ik zou natuurlijk het recht van de redactie erkennen om mijn werk te weigeren als het niet aan de eisen voldoet. Maar ik kan me niet de luxe permitteren om een gedegen bijdrage aan de discussie voor te bereiden als er zelfs geen voornemen bestaat om die bijdrage ook te plaatsen. Want theologen moeten werken voor hun brood, ook doordeweeks.



25 april 2006, over de vraag
of internationale voetbalcompetities met alle bijbehorende nationale emoties
niet averechts werken als we willen werken aan Europees bewustzijn

De Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks legt in zijn boek Leven met verschil uit dat waarden als liefde, trouw en solidariteit altijd in kleine samenlevingsverbanden moeten worden aangeleerd en gekoesterd. Pas in tweede instantie kunnen ze ook in grotere, abstractere verbanden worden toegepast. Hij onderstreept daarmee het belang van het gezin, de familie en de geloofsgemeenschap als kweekplaatsen van trouw en solidariteit voor de grotere samenleving en voor de global village. Universele menslievendheid staat niet tegenóver de particuliere liefde voor je eigen familie of volk – het ligt eerder in het verlengde ervan. Mijn bewogenheid voor straatkinderen moet niet in de plaats komen van de liefde voor mijn eigen kinderen, maar moet door die eigen-liefde worden gevoed.

Zo kun je volgens mij het Europees bewustzijn of het Europese ideaal niet tegenover de liefde voor het eigen land zetten. In Rotterdam stimuleren we erg dat mensen hun eigen woonbuurt koesteren, want van Rotterdam houden doe je niet in abstracto, maar altijd in concreto. En mensen die van Rotterdam houden worden daar geen slechtere Nederlanders. Dus waarom zou het de Europese gedachte schaden als je hartstochtelijk van Holland houdt? Ik ben veel meer beducht voor de verkwanseling van al het lokale en eigene in het economische eenwordingsproces, waardoor er steeds minder dingen overblijven die je gehechtheid aan (en trots op) jouw typische plekje in Europa kunnen voeden.

En wat de voetbal betreft: al die mensen die bij Ajax-Feijenoord zo volstrekt tegen elkaar verdeeld zijn, lopen straks zusterlijk en broederlijk met hun dwaze oranje attributen rond te hossen. De lokale clubgeest staat het nationale gevoel geen moment in de weg, dus waarom zou het nationale gevoel de Europese gedachte in de weg staan? Je moet mensen hun liefdes niet afleren; je moet ze stimuleren om die liefde waar nodig tot anderen uit te breiden.



19 april 2006, over de vraag (n.a.v. de publicatie van het Judas-evangelie)
of de christelijke canon van bijbelboeken niet moet worden herzien

De bijbelse canon herzien?

Dat zou misschien moeten als de canon functioneerde als een exclusieve leesregel: elke letter binnen de canon is geldig, en elke letter erbuiten ongeldig. Maar zo heeft het nooit gewerkt. Binnen de canon is er al vanaf het begin sprake van kernteksten en uithoeken, en de dragers van de christelijke traditie hebben altijd ook graag buiten de canon om gelezen. De canon bijstellen, dat zou een a-historische daad van krampachtigheid zijn.

Een heel ander vraagstuk is, of we zouden moeten terugkomen op de afwijzende houding van vroege kerkleraars ten opzichte van geschriften zoals het Evangelie van Judas. Om te beginnen: laat iedereen zelf lezen en oordelen. Maar vervolgens: één van de revolutionaire aspecten van de christelijke leer was, dat ze gelijkheid van alle mensen voor God verkondigde. Dat sprak niet vanzelf. In de Griekse cultuurkring van die dagen golden boeren, arbeiders en handwerkslieden als een minder soort mensen, ongeschikt voor geestelijke verlichting. De vrije burger die geen arbeid verrichtte, stond veel hoger en dichter bij het goddelijke. Terwijl het christelijke Evangelie die indeling radicaal doorbrak, legden de gnostische geschriften zich er toch weer op vast: de aarde is het mindere waarvan we vrij moeten worden. Opstijgen in de spirituele wereld is voor de weinigen, de ingewijden. Wie van de aarde houdt, is niet te verlossen.

Het verzet van de kerkvaders tegen de gnostiek was naar mijn diepe overtuiging een verzet tegen een elitair evangelie, dat de grote onderklasse van gewone mensen uitsloot van verlossing. Terwijl het vroege christendom de revolutionaire Exodus-traditie oppakte, met een God die om slaven geeft, was de gnostiek cultureel gezien conservatief. Ze was misschien vervuld van een authentiek verlangen naar puurheid, maar onverenigbaar met de anti-exclusieve praktijk van Jezus en Paulus. Lees het Evangelie van Judas er zelf maar op na.



1 maart 2006, over de uitspraak van Ciska Dresselhuys
dat volgens een Engels onderzoek de zorgtaken nog altijd
erg ongelijk verdeeld zijn over mannen en vrouwen

Het zal wel waar zijn, als Opzij het zegt, dat de verdeling van werk en vrije tijd tussen mannen en vrouwen nog altijd ongelijkheid vertoont. Al kan ik me niet voorstellen hoe je zoiets uitrekent. Engels onderzoek laat zien dat mannen veel meer vrije tijd hebben, “en in Nederland is het niet veel anders”, zegt Dresselhuis. Heeft ze dat onderzocht, of denkt ze dat alleen maar? Als ik in Engeland ben heb ik vaak het idee dat daar, globaal gesproken, oude rolpatronen veel hardnekkiger standhouden dan in mijn Nederlandse omgeving.

Trouwens, hoe kan vrije tijd een graadmeter zijn voor gelijke verdeling van lasten en lusten? Mag er een relatie zijn tussen de zwaarte van het werk en de hoeveelheid hersteltijd die je nodig hebt? En als ik vrijwilligerswerk ga doen waarin ik vervulling vind, is dat dan nog steeds vrije tijd? En als ik boodschappen doe omdat ik toch even vrij heb, héb ik dan vrij volgens Dresselhuis?

Maar goed, ik geloof best dat die ongelijkheid nog altijd bestaat en ik vind dat daarop nog steeds actie moet worden ondernomen. Ik denk dat een speerpunt de opvoedingssituatie zou moeten zijn. Jongens moeten thuis leren wat huishouden is, anders gaat het er nooit gewoon bij horen. Dus vaders en moeders moeten hun kinderen, van beider kunne, leren wassen, koken, schoonmaken, kleding repareren, fietsbanden plakken – en ze moeten hun bijbrengen dat het volstrekt normaal is om die dingen te doen.

In de bijbel klinkt de opdracht om je kinderen te leren wat leven is door ze dagelijks te onderwijzen in de geboden van God. Daar waren ook heel wat uitgesproken huishoudelijke leefregels bij, over voeding en reinheid en burenplicht en zo. Het moet weer burger- en christenplicht worden om je kinderen te leren zorgen. Gods zorg voor de schepping realiseert zich (mede) in onze dagelijkse zorgtaken.



15 februari 2006, over de vraag of de assemblee van de
Wereldraad van Kerken in Porto Allegre
het vuur voor de oecumene weer een beetje zal kunnen aanwakkeren

Och ja, de Wereldraad-assemblee in Porto Alegre. Zou die helpen om in de lokale kerken het oecumenisch vuur weer aan te wakkeren? En zou dat beter gaan als de roomskatholieke kerk zich erbij aansloot? Ik ben geneigd om beide vragen met ‘nee’ te beantwoorden.

Ten eerste: met de lokale oecumene is het volgens mij helemaal niet zo beroerd gesteld. De oecumene is veranderd, dat wel. Oudere oecumeneliefhebbers hebben daar soms moeite mee. We klutsen tegenwoordig niet meer alles door elkaar, want naar zulke eenheidspap is niet zoveel vraag. We genieten meer mee van elkaars eigenheid, stemmen activiteiten op elkaar af, bezoeken elkaars feestelijkheden. Over eigen en andermans eigenaardigheden glimlachen we liever dan dat we roepen dat ze opgeheven moeten worden. We weten dat goede vrienden niet per se met elkaar naar bed hoeven om toch van elkaar te houden.

Ten tweede: de Wereldraad is nuttig omwille van het wereldwijde netwerk dat doorlopend ververst en versterkt moet worden. Maar verder moet er niet te dik over gedaan worden. Ineke Bakker schrijft vanuit Porto Allegre dat oecumene, ook daarginds op de assemblee, het moet hebben van persoonlijke vriendschappen. Ze beschrijft in die termen haar contacten met andere gedelegeerden, stuk voor stuk kerkbobo’s van het allerhoogste echelon. Zulke vriendschappen zijn uiterst nuttig, maar ze zijn niet overdraagbaar op achterbannen, evenmin als het bijbehorende vuur. Niet wij moeten geestdriftig worden, zijzelf moeten na afloop aan het werk. Om hun reisgeld terug te verdienen, en dat bedoel ik niet cynisch.

De roomskatholieke kerk hoeft er van mij niet bij. Het heeft al genoeg kerk-onwaardige diplomatie, inclusief verraad aan moedige mensen, gekost om tijdens de koude oorlog de oosters-orthodoxe kerken binnenboord te houden. Zolang er ook met Rome maar driftig genetwerkt wordt, vind ik het prima. Anders zou de Wereldraad een soort wereldwijd kerkbestuur worden, en dat zou vreselijk zijn.



1 februari 2006, over het Iraanse plan
om een conferentie te beleggen waar moet
worden aangetoond dat de holocaust een westerse mythe is

Onderzoek naar historische gebeurtenissen kan nooit kwaad. Wat dat betreft valt het alleen maar toe te juichen als Iran een wetenschappelijke conferentie wil beleggen over de vraag of het westerse beeld van de holocaust wel klopt. De vraag is alleen, welke ruimte zo’n conferentie zal krijgen om tot serieuze beeldvorming te komen op grond van serieus bronnenmateriaal. Want Iran heeft er alle belang bij om de holocaust vooral te zien als een mythe die westerse en Israëlische politieke belangen dient.

Nu stuit het ons terecht tegen de borst als de holocaust als feit in twijfel wordt getrokken, maar misschien moeten we wel proberen stil te staan bij de holocaust als argument. Als je met partijdige Arabische oren luistert, hoor je hoe Europa de gruwelen die destijds op Europees grondgebied plaatsvonden, gebruikt worden als rechtvaardiging om nu in het Midden-Oosten onvoorwaardelijk de joodse staat te steunen. Europa wentelt daarmee de last van zijn geschiedenis gedeeltelijk af op de ‘periferie’. De vraag is of dat recht doet aan de gedachtenis van de miljoenen slachtoffers.

Een onderzoek naar de rol van de holocaust als westers argument in kwesties rond het Midden-Oosten zou dus weleens nuttig kunnen zijn. En hoe kwaadaardig ons het hele idee van die conferentie ook toeschijnt: historici en politici uit Europese landen, inclusief met name Duitsland, zouden zich eigenlijk in groten getale moeten aanmelden, zodat het onmogelijk meer een interne Iraanse aangelegenheid kan blijven. Dan kunnen ook zaken als omgaan met historische schuld en waardige vormen van zelfkritiek een rol gaan spelen. Iran zou daar voor de omgang met de eigen geschiedenis ook baat bij hebben.



24 januari 2006, in reactie op de opvatting van Maxime Verhagen
dat we moeten voorkomen dat de sjariah hier ooit wordt ingevoerd,
zelfs als daarvoor een democratische meerderheid zou bestaan

Hoe kom je op voor de democratie? Stel, tweederde van de bevolking stemt via fatsoenlijke procedures voor afschaffing van de democratie. Dan is het ondemocratisch om de democratie tóch te handhaven. Het is vooralsnog puur theoretisch, maar je kunt niet kiezen voor democratie en tegelijkertijd uitsluiten dat er ooit sjaria-wetgeving komt in Nederland, zoals Maxim Verhagen wil. Democratie betekent dat je voor de toekomst helemaal niets kunt uitsluiten. Wie iets volstrekt uitsluit, gaat bij voorbaat voorbij aan de eventuele wil van de kiezer. Dat mag, maar dan moet je duidelijk maken dat er waarden zijn die voor jou zwaarder wegen dan het democratisch beginsel.

Vervolgens: hoe kom je op voor burgerlijke vrijheden? Sommige politieke partijen willen onze vrijheden beschermen door ze aan banden te leggen. Dan kan niet anders dan volstrekte willekeur opleveren. Homofobie in een preek wordt strafbaar. Islamofobie of, bijvoorbeeld, mannenhaat in een literair boek blijft toegestaan. Foute boeken moeten kunnen, maar het aanprijzen ervan niet – dat soort dingen. De enige beperking van grondwettelijke vrijheden moet blijven dat ze zelf geen grondrechten aantasten, en het moet aan de rechter blijven om daarover te oordelen.

Wat Verhagen en anderen vooral willen tegengaan, is ‘haatzaaien’. Het CDA heeft een agrarische achterban. Vandaar misschien dat in die kringen tegenover gezaaide haat vooral gedacht wordt aan verdelgingsmiddelen. De besmettelijkheid van het kwaad wordt bestreden met het afzetten van gebieden en preventief ruimen, ditmaal op cultureel of religieus terrein.

Zoals ik bij de vogelgriep zou willen kiezen voor inenten (en voor een duurdere, gerespecteerde kip), zo kies ik ook maatschappelijk voor de besmettelijkheid van het goede. Dat is de enige niet-destructieve kracht die je tegenover de besmettelijkheid van het kwade kunt zetten. Respect zaaien, vertrouwen zaaien. Je maakt er mensen niet kleiner mee, maar groter. Je perkt ze niet in, maar daagt ze uit.



10 januari 2006, over de uitspraak van Rinus van Warven
dat Nederland met zijn afwijzing van de Europese Grondwet
zich binnen Europa opstelt “als een dominee uit een moraalmuseum uit langvervlogen tijden”

Het getuigt van een ouderwets vooruitgangsdenken als je een land of werelddeel een ‘museum’ noemt om aan te geven dat het zich achterlijk gedraagt. We zouden dan moeten oppassen om niet museaal te worden. We moeten vooral geen dingen doen die, zoals de uitdrukking luidt, ‘niet meer van deze tijd’ zijn. Het past in de denktrant die van andersdenkenden beweert dat ze aan onze standpunten ‘nog niet toe’ zijn. Je gaat er dan van uit dat er één ontwikkeling is waarin we allemaal worden opgestuwd, en dat het goed is om daarmee mee te gaan. Jij bent zo verstandig en verlicht om met de stroom mee te zwemmen. Anderen blijven achter, of, in dit geval: ons land blijft achter.

Intussen gaan we graag met vakantie naar achtergebleven landen en streken, waar ze gelukkig nog niet toe zijn aan onze verlichte bijdetijdsheid. We hopen dat Bali nog lang een museum blijft en we vinden dat de laatste natuurvolken vooral hun kolossale achterstand moeten behouden, want we weten drommels goed dat onze vooruitgang óók verlies betekent. Typisch trouwens, dat in de troebelen rond de Europese grondwet de voorstanders alleen de winst voorrekenden en niet het verlies: dat laatste lieten ze aan de tegenstanders over. We moeten vooral zonder omkijken vooruit, want help, anders zijn we niet meer van deze tijd. Alsof het een waarde op zich is om van deze tijd te zijn. En van wie is deze tijd dan?

Nederland een museum? Ik vind zo’n uitspraak vooral beledigend voor de musea, die het toch al zo zwaar hebben. Een museum is een huis van de muzen, een tempel van waarheid, goedheid en schoonheid. Je doet er inspiratie op, komt er tot bezinning, kijkt in de spiegel, je wordt er geraakt en aangesproken. Je komt er daar achter hoe belachelijk ijdel het is om ‘van deze tijd’ te willen zijn.



19 december 2005, over de vraag
wie je in onze tijd 'heiligen' zou kunnen noemen

Wie zijn ‘heiligen van deze tijd’? Theoloog Paul Post noemt als voorbeelden mensen voor wie na hun dood massaal en uitbundig werd gerouwd: André Hazes, Theo van Gogh, Louis Sévèke, David di Tomasso. Een merkwaardig rijtje is dat. Het suggereert dat heiligheid niet een eigenschap van de persoon in kwestie is. Want die vier hebben, los van de publieke aandacht, alleen gemeenschappelijk dat ze dood zijn. Twee van hen waren bij leven idolen, de twee andere waren tegendraadse types, maar op een onderling onvergelijkbare manier. Hun heiligheid zou dus niet iets van henzelf zijn, maar bestaan in het feit dat hun dood reacties heeft opgeroepen die je misschien als religieus zou kunnen typeren. Hoewel je met dweepzucht, massahysterie en het verlangen naar collectieve emotie ook een eind komt als je zulke publieke rouwtaferelen wilt duiden.

Maar heiligheid in de religieuze zin is geen functie van de publieke aandacht. ‘Echte’ heiligen zijn in hun eigen dagen geen lievelingen van de massa geweest, geen sterren of idolen, en hun dood sprak meestal pas veel later tot de verbeelding, als ze vanwege hun leven en getuigenis legendarisch waren geworden. Heiligen zijn mensen aan wier leven en geloof ieder ander mens zich kan spiegelen en vormen, omdat zij Gods betrokkenheid bij de wereld en het verlangen van de wereld naar God hebben belichaamd.

Toegegeven, bij sommige namen op de heiligenkalender heb ik ook grote vragen. En je kunt best overwegen of Sévèke, en misschien ook Van Gogh, en heel misschien zelfs Hazes, iets van die authentieke heiligheid hadden. Maar dan kijk je niet naar de reacties van de menigte, dan kijk je naar henzelf. Niet naar de sensatie rond hun dood, maar naar hun leven.



12 december 2005, over de
'verklaring van Accra'

De integriteit van ons geloof staat op het spel, als we ons niet keren tégen de wereldwijde marktwerking in de economie. Dat staat in de verklaring van Accra, opgesteld door of namens kerken uit de calvinistische traditie. Als de opstellers met ‘ons’ zichzelf bedoelen, vind ik het prima. Want een rapport opstellen en de wereld insturen zonder er zelf de consequenties uit te trekken, dat zou inderdaad van verkniptheid getuigen.

Maar wat hebben de opstellers eigenlijk bedoeld met ‘de integriteit van ons geloof’? Als je integriteit opvat in termen van grondrechten, betekent het dat je van andermans geloof moet afblijven. Dat doet me eraan denken dat een ijverig lid van een lokale werkgroep duurzaamheid het christelijk geloof van de koster in twijfel trok omdat die geen wereldwinkelkoffie serveerde. Ziedaar de hardnekkige neiging van het gereformeerd protestantisme om andermans geloof onder een juk van dogmatische of politieke correctheid door te jagen.

Maar misschien bedoelen ze met integriteit gewoon: de ongeschonden staat van mijn geloof. Alleen bereik je die niet met sociaal-economische stellingnames. Verzet tegen onrecht is geboden, maar ik houd er mijn geloof niet ongeschonden mee. Strijden voor de goede zaak vrijwaart me niet van het slagveld maar brengt me er juist middenin. We blijven medeplichtig aan de wereld, ook als we deugdzame standpunten innemen. En dan: de integriteit van mijn geloof was allang om zeep door mijn medeplichtigheid aan de kerk met al z’n gehannes en gedoe. Maar ik heb niet de illusie dat ik de integriteit van mijn geloof kan bewaren door me aan de kerk te onttrekken, of aan het rapport van Accra.

Als ons in de eeuwigheid de volkomenheid geschonken wordt, en het laatste barstje in ons geloof wordt weggeveegd, lost het geloof op. Dan is het kennen geworden. De integriteit van het geloof is de kwadratuur van de cirkel.



3 december 2005, over de vraag
of de slogan 'Armoede is onrecht' zinnig is

Soms is armoede onrecht. Dan moet daar in het politieke debat de vinger bij gelegd worden. Maar in de omgang met mensen in armoedesituaties is niemand gediend met de slogan ‘armoede is onrecht’.

Armoede is in grote mate een kwestie van vergelijken: wie arm is heeft het moeilijker dan anderen in haar of zijn directe omgeving, en kan zich veel dingen niet veroorloven die voor anderen heel gewoon zijn. Zelfmedelijden ligt voortdurend op de loer, en dat is één van de meest leegzuigende krachten in het bestaan. Daarom zijn arme mensen er niet bij gebaat als ze in hun slachtofferschap worden bevestigd: alle hulp die ze nodig hebben zal hulp moeten zijn om zelf het leven ter hand te nemen, om te winnen aan fierheid en zelfrespect. Waar ook de oorzaak van iemands armoede ligt, de verantwoordelijkheid voor het omgaan met deze nood zal in het belang van de arme bij haar om hem zelf moeten worden neergelegd. Anders maken we de arme tot voorwerp en beroven we hem nogmaals van zijn waardigheid.

Het beroep op de eigen mogelijkheden van de arme kan alleen worden gedaan door een solidaire samenleving, die klaarstaat om de moeite die gedaan wordt te honoreren en om waar nodig assistentie te verlenen. En een solidaire samenleving bestaat niet uit een stelsel van regelingen, maar in de eerste plaats uit solidaire mensen.

Over armoede kun je niet anders dan met twee stemmen spreken. De krachten die de ongelijkheid aanzwengelen en de solidariteit tegengaan, moeten blijven horen dat armoede onrecht is. Maar degene die door eigen toedoen of buiten eigen schuld in armoede is geraakt, moet horen dat ook dat een situatie is waarin je samen met je naasten kunt opstaan tot een fier en waardig leven.



27 november 2005, over de vraag of de
(door bezuinigingen bij de lidkerken in haar bestaan bedreigde)
Raad van Kerken gemist kan worden

Goede raad is duur, zegt men. Maar is een dure Raad ook goed? Wat mij betreft staat voorop dat een Raad van Kerken onmisbaar is. Voor overleg, coördinatie van gezamenlijke acties, om een spreekbuis van de kerken te zijn, en als platform voor het ontwikkelen van zoiets basaals als een oecumenisch leesrooster.

Maar terwijl het woord ‘raad’ een bijeenkomst van vertegenwoordigers van kerken suggereert, is de Raad van Kerken een instituut geworden, een zelfstandige grootheid met alles erop en eraan. Een echte raad zou fluctuerend van omvang en intensiteit moeten zijn, nauwelijks bestaand als er niets te bespreken valt en volop aanwezig als de nood aan de man is. Maar ze heeft een compleet apparaat en personeel dat wil aanblijven en een financiële huishouding, dus ze is haar eigen dure leven gaan leiden. Dat geldt trouwens ook al, en in veel sterkere mate, van het centrale apparaat van mijn eigen kerk, de PKN. Als het er eenmaal is, schept het zijn eigen noodzaak, en al gauw ontstaat de indruk dat ‘Utrecht’ de kerk is en de lokale kerken slechts de plaatselijke afdelingen. En nu is ‘ons’ centrale apparaat opdrachtgever van de Raad van Kerken, het ene instituut van het andere. Ik vrees dat ze, zelfs als de een te weinig geld heeft voor de ander, elkaars institutionele zelfhandhaving zullen versterken.

De kerkleiding zou weer sterker een samenspreking van lokale kerken moeten worden en de Raad van Kerken een echte raad, die alleen actief is als er een vraag beantwoord moet worden. Hoe dat moet? Ik weet het niet, maar wel anders dan het nu is.



19 november 2005, over de vraag of er bij de
jaarlijkse herdenking van verkeersslachtoffers, in een kerkgebouw,
geen theoloog zou moeten spreken

Wat zou ik als theoloog te berde brengen bij de jaarlijkse herdenking van verkeersslachtoffers op de derde zondag van november? Ik zou de vraag stellen of het wel van piëteit getuigt om doden op deze manier gegroepeerd te gedenken. Want ‘verkeersdoden’ hebben in principe niets gemeenschappelijks, zelfs niet hun doodsoorzaak. Daarvoor is het begrip te ruim en ook te willekeurig. Dronken tegen een boom rijden, al fietsende geschept worden, in dichte mist verongelukken: alleen de indeling van onze statistieken bepaalt dat dit allemaal één soort doden oplevert. Trouwens, als je niet onder de tram maar onder een heftruck komt, ben je geen verkeersdode maar slachtoffer van een bedrijfsongeval. En als je die hartstilstand niet achter het stuur maar onder de douche krijgt, moeten je nabestaanden wachten op een nog niet bestaande herdenking van slachtoffers van ongelukken in huis – terwijl dit toch statistisch de grootste categorie schijnt te zijn.

De enige setting waarin verkeersdoden zinnig samen kunnen figureren, is niet die van een herdenking, maar die van het streven naar verkeersveiligheid. Maar ook dan moet duidelijk zijn dat niet alle doden op het conto van falend verkeersbeleid mogen worden geschreven, zoals ook de meeste brildragende doden niet door het falen van de oogheelkunde zijn overleden. Ik heb dan ook het gevoel dat zo’n herdenking de doden claimt voor programmatische doeleinden en ze ten onrechte op één noemer brengt.

Ik kan me wel voorstellen dat nabestaanden een rouwplek zoeken, en dat ze die hopen te vinden in de kerken waar de Vereniging Verkeersslachtoffers de herdenkingen organiseert. In mijn kerk is op diezelfde zondag een gedachtenisdienst voor de doden uit onze eigen gemeenschap, zonder dat ze naar doodsoorzaken worden gesplitst. Ik zou het als nabestaande toch liever zoeken bij een gemeenschap dan bij een statistische categorie.



14 november 2005, over de onlusten in de Franse steden

Wat is er fout gegaan in de Franse voorsteden? Grote groepen migrantenkinderen voelen zich miskend en achtergesteld, terwijl ze leven van sociale voorzieningen die er in het thuisland van hun ouders niet waren. Wat daar misgegaan is, is bezig mis te gaan in alle westerse samenlevingen. Basisdeugden als gastvrijheid, solidariteit en zorgzaamheid zijn al decennia geleden uitbesteed aan instanties en daardoor abstract geworden. Een land mocht gastvrij heten als het vreemdelingen verblijfsvergunningen en basisvoorzieningen verschafte. Maar gastvrijheid kan niet straffeloos worden losgemaakt van de persoonlijke ontvangst van vreemdelingen door autochtone burgers. Een samenleving mocht zich solidair noemen als een sociaal verzekeringsstelsel de lasten verdeelde. Maar solidariteit kan niet straffeloos worden losgemaakt van echte uitgestoken handen en persoonlijke offers. Een zorgzame samenleving was uiteindelijk vooral een samenleving met voor elk probleem een instantie of een loket, zodat de buurman een onbekende bleef en mensen de handen van elkaars lot konden aftrekken.

Daarom vind ik dat we niet te gemakkelijk politiek moeten bedrijven met bijbelse basisbegrippen. Dan worden immers steevast deugden en waarden uit het persoonlijk samenleven opgeblazen tot abstracte richtlijnen voor het beleid van instanties – waaraan de goegemeente vervolgens een excuus ontleent om zelf weg te kijken van de nood, de vreemdeling, het ongeluk.

Dat de Franse opstandelingen niet doorhebben dat ze de auto’s verwoesten van mensen die vrijwel hun lotgenoten zijn, maakt pijnlijk zichtbaar hoe minimaal het werkelijke, warmbloedige contact is dat mensen in de stad met elkaar verbindt. Een ‘bijbelse’ beweging zou hier geen grote oplossingen moeten aandragen, maar in het klein beginnen met kennismaken, met elkaar meelopen, van plaats wisselen, elkaars feestjes bezoeken. Vooral niet in het groot. Jezus was ook niet tegelijk in Nazaret en in Jeruzalem.



5 november 2005, over de betekenis van het feit
dat de Nieuwe Bijbelvertaling de NS-publieksprijs heeft gekregen

Niets doet het goed als niemand er zijn best voor doet. Boeken verkopen niet als er geen reclame voor wordt gemaakt. Je kunt nog zoveel te zeggen hebben, maar als je niet je stem verheft zal er niemand naar je luisteren. De Nieuwe Bijbelvertaling is in het kader van de NS Publieksprijs uitgeroepen tot Boek van het jaar 2005. Lutsen Kooistra stelt voorop: ‘dankzij intensieve propaganda’. Wat wil hij daarmee zeggen? Ik heb nog nooit in de krant gelezen: ‘dankzij intensieve propaganda loopt de verkoop van Grunbergs nieuwste roman goed’. Je zou eens moeten nagaan hoeveel advertenties, besprekingen, nominaties en enthousiaste mond_op_mondreclame van liefhebbers de opkomst van een gewone bestseller begeleiden. Maar nu gaat het om de bijbel. De suggestie die van Kooistra’s vraagstelling uitgaat, is dat de bijbel geforceerd aan de top gekomen is, namelijk door intensieve propaganda. Maar wat is er vreemd aan dat een boek waarvan binnen een jaar ruim een half miljoen stuks verkocht worden, door de kopers tot boek van het jaar wordt gekozen? Er zijn geen stemmen gekocht en er is niemand tot stemmen gedwongen.

Ik vind het geweldig dat de bijbel eindelijk weer ongegeneerd gekocht en gelezen wordt. Als één ding in de marketing_campagne van het afgelopen jaar duidelijk is geworden, dan is het dat deze bijbeluitgave niet in het kader van een christelijk_ideologisch offensief is gelanceerd. Hij is als boek tussen alle boeken neergelegd. Binnen de campagne zijn zeer uiteenlopende lezers aan het woord gekomen en door de uitgever is in de publiciteit nooit op een bepaald soort gelovigheid aangestuurd. De bijbeltekst mag voor zichzelf spreken. Maar om het boek in de aandacht te krijgen en te houden is ‘intensieve propaganda’ nodig, net als voor al het andere waar mensen warm voor lopen.

De burgemeester van mijn stad Rotterdam heeft de kerken eens voor de voeten geworpen dat ze veel te veel goed werk in stilte doen, en dat daardoor hun inspanningen, maar ook de dingen waarover ze zich zorgen maken, ten onrechte onzichtbaar blijven. Het kerkelijk christendom heeft er nog altijd moeite mee om enthousiast aan de weg te timmeren, zodat het publiek zelf kan oordelen. Gelukkig is de uitgever van de NBV die moeite voorbij.



30 oktober 2005, over de inzamelingsshow
na de aardbeving in Pakistan

Wie in nood is, schreeuwt om hulp, en wie het hoort, moet reageren. Dat is een fundamenteel gegeven in de bijbelse verhalen. God kan zich nog zo voorgenomen hebben om de mensen in hun eigen sop te laten gaarkoken – als ze het van angst of doodsnood uitkrijsen, kan Hij niet anders dan te hulp komen. Dat is wat ook van mensen wordt verwacht. Het gaat niet zozeer om een moreel appèl, het is veel meer fysiek: de kreet van iemand in nood gaat door merg en been. Toesnellen is dan de reflex. Gewoon doorlopen vergt een besluit om jezelf toe te sluiten.

In de global village gebruiken wel nog steeds de taal die stamt uit die situatie van fysieke nabijheid. We hebben het over noodkreten die ons bereiken, maar de dwingende kracht daarvan ervaar je maar zelden. Soms pakt een foto of een tekst je onmiddellijk bij de kladden. Dan is de vraag niet óf je er wat aan moet doen – dan is er alleen de wanhopige vraag naar het hoe, en de onmacht dat je redden moet, maar niet ter plekke bent.

Maar doorgaans doen de abstracte noodkreten uit de wereld vooral een moreel beroep op ons. We moeten dan afwegingen maken, een besluiten nemen, een bedrag bepalen. De overmaat aan rampen maakt ons op dat gebied murw.

De grote inzamelingsacties brengen daarom een spel-element in. De beoogde gever wordt bevrijd van zijn gevoel van eeuwig tekortschieten. Hij of zij doet mee in een soort wedstrijd om de giften tot recordhoogte op te stuwen. Vanaf dat moment zijn de mensen geen deelnemers meer op het wereldtoneel, maar een betrokken publiek bij een evenement terzijde van dat toneel. De afstand tot de echte, fysieke noodkreet is nóg groter geworden. Maar het levert meer geld op voor wat er ter plekke moet gebeuren dan welk moreel appèl ook. Zo gênant als het is, laat de show toch maar doorgaan...



15 oktober 2005, over de vogelgriep

De nabije wederkomst van de vogelgriep maakt weer eens op een schrijnende manier zichtbaar welke wetten en reflexen de ‘global village’ regeren. Natuurlijk is het belangrijk dat de verspreiding van het virus wordt tegengegaan, en dat het nodige wordt gedaan om mensen, dieren en bedrijven te beschermen tegen de mogelijke gevolgen van besmetting.

Maar ik vrees dat de run op antivirale middelen in diverse landen niet in de eerste plaats te maken heeft met praktisch inzicht en verantwoordelijkheidsgevoel. Het is een overlevingsreflex die in geen verhouding staat met het risico, en ook in geen verhouding met de sterfte aan allerlei welvaartskwalen waartegen we ons helemaal niet massaal indekken. Als we vinden dat het verkeer in ons land jaarlijks duizend doden mag kosten zodat de vaart erin kan blijven, waarom zou onze bizarre omgang met pluimvee dan helemaal tol mogen eisen?

In plaats daarvan wordt het pluimvee dubbel slachtoffer. Want bij het minste risico worden miljoenen dieren vernietigd. Dat is trouwens niet bedoeld om te voorkomen dat er menselijke doden vallen. Het gaat om maatregelen om op landelijke schaal de bedrijfstak te redden. De waarde van dierlijk leven, en de waardigheid van mensen die met dieren omgaan, vallen volstrekt in het niet bij het belang van onze internationale concurrentiepositie.

Wat we nodig hebben, zijn verantwoordelijke burgers. In Azië moeten ze stoppen met hanengevechten en met het eten van rauw eendenbloed. In Europa moeten we nagaan of we wel zo idioot veel kippen en eieren moeten consumeren. Als de belabberde levensomstandigheden van het pluimvee daar geen reden genoeg toe zijn, moeten de godgeklaagde ruimingsmaatregelen ons toch tot ander gedrag kunnen aanzetten. In mijn hoofd zingt die schrijnende laatste zin rond van Fancy Poultry van Suzanne Vega. Het zijn de dubbelzinnige woorden van een poelier op de markt: Wings are nearly free.



Terug naar de hoofdpagina