|

Onbevangen
“Zijn
weldaden weigert Hij niet
aan
wie onbevangen op weg gaan”
(Psalm
84:12)
Hierboven
ziet u een afbeelding van een labyrinth. Het is een lange
slingerende weg vanaf de opening onderaan, naar het middelpunt.
Je vindt zulke labyrinthen in sommige kathedralen in Frankrijk,
als een tegelpatroon in de vloer zodat je de slingerweg lopen
kunt. Op zaterdag 2 oktober j.l. hield een groep uit onze
gemeente zich ermee bezig. We hebben labyrinthen getekend, eerst
in het klein op papier, toen in het groot op het Katwijkse
strand, en daarna hebben we ze gelopen.
Het
lijkt dan net je eigen levensweg. Niet recht-toe recht-aan op je
doel af. Soms lijk je helemaal verkeerd te lopen, soms gaat het
alle kanten op, of schiet je het middelpunt vér voorbij.
Maar de weg komt wel degelijk in het middelpunt uit.
In
de Nieuwe Bijbelvertaling staat in Psalm 84 over God: “Zijn
weldaden weigert Hij niet / aan wie onbevangen op weg gaan“.
Onbevangen: in onze kanselbijbel staat “onberispelijk”.
Dat is nogal een verschil. Bij “onberispelijk” denk
ik aan koekjes eten zonder te kruimelen, en daar ben ik niet goed
in. Als ik onberispelijk moet leven om Gods weldaden te mogen
ervaren, ga ik mijn wegen niet onbevangen, maar krampachtig. In
de oude Hebreeuwse tekst van Psalm 84 staat een woord dat
betekent: uit één stuk. Je mag je weg gaan als een
héél mens - desnoods tienmaal verkeerd, maar
onbevangen, of zoals de Statenvertaling het vertaalt: “in
oprechtheid”. Dan kan het weleens zijn, dat je terugkijkt
naar al die dwaze slingerwegen van je leven, en dat het dan een
prachtig patroon blijkt te zijn.
Terug
naar boven
|
|
Lidmaatschap
We
hebben een nieuwe, verenigde kerk. En daarnaast hebben we
inmiddels ook twee nieuwe kerkverbanden van mensen die niet mee
wilden in die verenigde kerk. De synode heeft wel al het
mogelijke gedaan om die mensen binnenboord te houden. Als ik de
berichten volg, denk ik dikwijls: waar gáát dit
over.
Ik
ben geneigd om het landelijk kerkverband vooral als een
praktische kwestie te zien. In het bovenplaatselijk werk, bij het
Bijbelgenootschap en in de contacten met Midden- en Oosteuropa,
heb ik te maken met mensen uit allerlei kerkgenootschappen, en ik
heb dikwijls heel sterk de ervaring dat ik met die mensen tot één
geloofsgemeenschap behoor. Dat die bij verschillende bureaus en
synodes is ondergebracht, nou ja, dat is van praktische aard. De
kerk is daar waar mensen elkaar in Godsnaam ontmoeten, en die
kerk heeft niet een bepaalde naam. Alles wat een bepaalde naam
heeft (hervormd, Nederlands, oudkatholiek, hersteld, etcetera) is
minder belangrijk dan de naamloze gemeenschap van Gods kinderen.
In
de tijd van Napoleon werden de kerken verplicht om genootschappen
te worden, met inge-schreven leden. Vóór die tijd
was de kerk een ruimte waar het volk in en uit liep - de kerk
stond middenin het dorp en in principe hoorde je erbij. Sinds
Napoleon ben je lid of geen lid, en is de kerk een soort club,
met ledenregistratie en contributie. Maar nu voor alle
verenigingen en clubs het tij is gekeerd, en mensen her en der
hun lidmaatschappen opzeggen, moeten we ons eens afvragen of we
tegen de kerk niet ánders kunnen aankijken.
Het
woord ‘lid’, en ‘lidmaatschap’, komt van
ledematen, lichaamsdelen. Niet of je op een lijstje staat of in
een computer, maar of je mee functioneert in een lichaam, dat is
de vraag. Daarover gaat het ook in de Bijbel, waar de
gemeentestichter Paulus de mensen aanspreekt als ledematen,
lichaamsdelen van Christus. Hij zegt dat je tere leden hebt en
stoere leden, edele delen en eeltige delen, maar samen vormen ze
het lichaam van de Heer. Samen beweegt het en leeft het. Ben je
lid van de kerk? Wat voor lichaamsdeel ben je dan? Want er is
maar één blinde darm, en voor een zitvlak heb je er
aan twee genoeg. De hele rest moet iets anders doen, maar wees
niet bang, er zijn functies genoeg.
Terug
naar boven
|
|
Nachtwacht
Ik
wil het graag een keer opnemen voor al die mensen die als een
berg tegen de feestdagen van Kerst en Oud-en-nieuw opzien. Soms
hoor je het eind november al zeggen: “was het maar alvast 2
januari”.
Meestal
wordt dat gezegd door mensen die in het afgelopen jaar iemand
hebben verloren. Niet dat ze een hekel hebben aan de feestdagen,
maar juist omdat het vroeger altijd zo knus en goed was, gaapt nu
voor hen het zwarte gat van het verlies. Terwijl heel de rest van
Nederland feest viert.
Dikwijls
komt de familie te hulp. Oma hoeft met Kerst heus niet alleen te
zitten, de kleinkinderen vinden het ook prachtig als ze komt. En
ze mag best zo af en toe verdrietig zijn. Kom nou maar lekker
logeren, dan heb je tenminste een beetje afleiding.
Maar
wat als oma dat helemaal niet wil: afgeleid worden? Als ze
eigenlijk veel liever alleen blijft? Want haar verdriet is écht,
en als ze probeert om vrolijk mee te doen, dan is dat namaak. En
wat past er nou meer bij Kerstfeest - echt verdriet of gespeelde
vreugde?
Voor
de familie is dat moeilijk. Het idee dat oma, of opa, daar alleen
in dat huisje zit. Je gunt ze zo dat beetje vrolijkheid, je trekt
ze er zo graag bij. Maar zeg nou zelf: zou jij dagen en nachten
op sleeptouw genomen willen worden, al was het nog zo
goedbedoeld, als je hart heel ergens anders zit?
Ik
moet denken aan de engelen uit het Kerstverhaal. Als die in een
daverend Kerstfeest waren beland, hadden ze er maar bleekjes bij
afgestoken, en hun muziek zou in de drukte verloren gaan. Ze
komen in het donker, bij mensen die waken in de nacht. Zoals de
herders van Betlehem waken bij hun schapen, zo waken sommigen van
ons bij de gedachtenis aan hun gestorvenen. Dat moet kunnen, want
juist tijdens zo’n wake is er de kans dat je in de nacht de
hemel ziet opengaan.
Terug
naar boven
|
|
Verschil
moet er zijn
In
de vakantie las ik een indrukwekkend boek van de opperrabbijn van
Groot-Brittannië, Jonathan Sacks. Het gaat over de
oplaaiende strijd in de wereld, het extremisme, het terrorisme.
De schrijver stelt vast dat godsdienst weer belangrijk aan het
worden is, maar dikwijls op een verontrustende manier. Geloof is
een kracht tot behoud, maar in naam van hun geloof doen mensen
soms de meest verschrikkelijke dingen. Moslims, christenen,
joden, hindoes - ze geloven allemaal in een God van vrede, recht
en liefde, maar op veel plaatsen voelen ze zich door elkaar
bedreigd en behandelen ze elkaar als vijanden. De vraag van het
boek is, wat ons als geloofsgemeenschappen in zo’n wereld
te doen staat.
Sacks
is een orthodoxe Jood. De Bijbel is voor hem het uitgangspunt van
zijn gedachten over de wereld. Hij vertelt dat het hemzelf moeite
heeft gekost, om in zijn hart werkelijk plaats te maken voor
belijders van andere godsdiensten. Maar, zegt hij: als we dat
niet doen, als we niet wérkelijk en van harte plaats voor
elkaar maken, richten we in Gods naam onze planeet te gronde.
Hoe
moet dat dan met de waarheid? Als mijn geloof het ware geloof is,
dan kan toch niet tegelijkertijd dat andere geloof óók
waar zijn? Als ik het geloof van die ander erken, ondermijn ik
dan niet mijn eigen geloof?
Sacks
zegt: God is Eén, en in de hemel is er één
waarheid. Maar op aarde wordt die éne waarheid
duizendvoudig weerspiegeld, in vele tradities en geschiedenissen.
Wie op aarde één waarheid tot de enige verklaart,
die haalt de hemel naar beneden en pleegt afgoderij. Wat één
is bij God, is onder de mensen een bonte verscheidenheid. Wie
daar van harte plaats voor maakt, zal de verschillen als rijkdom
ervaren, als Godsgeschenk. Een anders-gelovige op mijn weg is een
uitdaging om al zoekend op weg te blijven naar de volle
openbaring van God, als ik Hem ontmoet over de grens van de dood
heen.
Intussen,
zegt Sacks, moet iedereen de geloofstraditie waarin zij of hij is
opgegroeid, heel serieus nemen als een manier om met God te
leven. Want dat is de manier waarop God jou geroepen heeft tot
een leven van vrede en gerechtigheid. Je moet ook met die
anderen, die ánders geloven, in serieus gesprek gaan. Niet
om gelijk te krijgen, maar om samen als kinderen van God de aarde
te bewonen, in plaats van die te vernietigen.
Terug
naar boven
|
|
Kyrië
en gloria
Tien
melaatse mannen kwamen Jezus tegemoet.
Ze
bleven op een afstand staan,
verhieven
hun stem en riepen:
“Jezus,
meester, heb medelijden met ons!”
....
En
één van hen keerde terug,
met
luide stem God verheerlijkend.
(Lukas
17 vs 11-19)
Tien
mannen - in de joodse gemeenschap is dat het aantal wat tenminste
aanwezig moet zijn om de eredienst te kunnen vieren. Het quorum
zogezegd, maar de Joden noemen het de minjan, of de minje.
De
echte eredienst wordt, in dit verhaal maar vaak ook in onze
werkelijkheid, uit de nood geboren. Tien melaatsen, een clubje
dat van ellende tegen elkaar leunt. Ze roepen het kyrië -
Heer ontferm u. Jezus ziet die noodgemeente voor vol aan. Hij
ziet geen melaatsen, maar gave mensen, en lees het maar na in het
boek van Lukas, hij stuurt ze voor controle naar de priesters om
te ontdekken dat ze ook echt gave mensen zijn. Ze mogen zichzelf
met Gods ogen zien: geen stelletje stakkerds, maar kinderen van
de Allerhoogste.
In
de kerk volgt op het kyrië steevast het gloria. Wie om
ontferming heeft geroepen, verkondigt ook de lof van God. Of
niet? In het verhaal komt er maar één terug voor
het gloria. De andere negen, stel ik me zo voor, gaan door met
het eeuwige kyrië. Eerst was het: Heer ontferm u, want we
zijn melaats. Nu ze beter zijn is het: Heer ontferm u, want het
brood is zo duur. Heer ontferm u, want de buurman doet zo rot.
Altijd kyrië, redenen te over. Nooit eens gloria, want
daarvoor moet je ánders gaak kijken. De lofzang komt je
niet aanwaaien, daarvoor moet je omkeren.
In
het verhaal wordt, nota bene na de heelwording van die tien
mannen, de minje verbroken. Die negen mannen, de minjan min Jan -
dat is geen gemeente meer. Een aanmoediging voor ons, om niet
alleen in de nood een gemeente te worden, maar ook in de lofzang
gemeente te blijven.
Terug
naar boven
|
|
Zwaartekracht
“Het
begeren van het vlees gaat in tegen de Geest
en
dat van de Geest tegen het vlees,
want
deze staan tegenover elkander”
Galaten
5 vs 17
Vlees
- dat koop je bij de slager. Als Paulus de apostel in zijn
brieven keer op keer die tegenstelling maakt tussen “vlees”
en “Geest”, waar heeft hij het dan over? Hoe kun je
dat in gewoon, hedendaags Nederlands duidelijk maken?
Je
hoort nog weleens die smoezelige uitdrukking “vleselijke
begeerten” - dan gaat het over sexualiteit, erotiek,
zinnelijkheid. Heel veel mensen denken dat het in de Bijbel
dáárover gaat: dat sexuele hartstocht slecht is en
dat daar vroomheid voor in de plaats moet komen. “Vlees”
zou dan een viezige manier zijn om over onze lichamelijkheid te
praten, waar niks goeds van kan komen, en “Geest” zou
een verheven manier om over het geloof te praten. Zodoende is er
eeuwenlang beweerd dat de liefde van ons lichaam en de liefde van
God tegenover elkaar staan.
In
de tijd van Paulus bestond het woord “zwaartekracht”
nog niet. Anders had Paulus misschien dat woord gebruikt in
plaats van “vlees”. Je hebt dingen die je naar
beneden trekken, en dingen die je omhoog trekken. Wat je naar
beneden trekt (en waar het leven dus log en laag en zwaar van
wordt) noemt Paulus “vlees”. Wat je optilt (waardoor
je naar het licht toe groeit) noemt hij “Geest”. In
Galaten 5 worden van allebei die mogelijkheden een heleboel
voorbeelden opgesomd (vs 19-22).
Tegen
de zwaartekracht in groeien: dat doen we al door als kind te
leren, rechtop te lopen. Dat doen we ook door ons niet door de
tredmolen van het leven murw te laten maken, maar ruimte te
scheppen voor nieuwe gedachten, tijd te nemen voor nieuwe kracht.
Daarvoor is de vakantie bestemd, daarvoor zijn onze kerkdiensten
bedoeld, en daarvoor zijn ook allerlei activiteiten die we vanaf
september weer in de gemeente organiseren - u treft er in dit
blad alvast een aantal aan.
Ik
wens u, thuis of op reis, een goede en Geestrijke vakantietijd.
Terug
naar boven
|