[In de zomer van 2009 werd door een aantal bezorgde PKN-leden een brief aan de Synode is gezonden inzake de dialoog met de islam. De brief werd op initiatief van Hebe Kohlbrugge opgesteld en is ondertekend door enkele tientallen leden van de kerk. Het schrijven is nadrukkelijk niet gericht aan de moslims, maar aan de kerk die zich op de dialoog met moslims bezint. De open brief van de moslims is te vinden op http://www.raadvankerken.nl/fman/324.doc]
|
De PKN en het gesprek met de Islam
De
synode van onze kerk ontving, evenals kerkleiders overal ter wereld, een open
brief van een groot aantal vooraanstaande moslims uit verschillende landen.
Deze Open Brief – A common word – is
door de Wereldraad van Kerken toegestuurd aan de lidkerken.
Het ligt in de rede dat onze kerk een inhoudelijke reactie zal doen toekomen
aan de Wereldraad. De synode had echter al in een eerder stadium aan het
Moderamen opdracht gegeven een nota voor te bereiden met het oog op de relatie
tot de Islam in de eigen Nederlandse context.
Het Gemeenschappelijk Woord van de zijde van leidinggevende moslims zal in dit
bezinningsproces ongetwijfeld eveneens een rol spelen. Kennis
genomen hebbend van de inhoud van Een
Gemeenschappelijk Woord, voelen wij ons geroepen om enkele gezichtspunten
onder de aandacht van de kerk te brengen. Wij verzoeken het moderamen onze
notitie te beschouwen als een bijdrage aan het gesprek in onze kerk. Wij hopen
dat onze kerk in de dialoog met de Islam en in het oecumenisch gesprek helder
en ter zake zal spreken. De
brief van deze 138 moslims wil bijdragen aan een betere verstandhouding tussen
moslims en christenen, en stelt dat de basis hiervoor reeds gegeven is in
datgene wat beide religies gemeenschappelijk hebben, onze common ground. Wij erkennen de dringende noodzaak om te komen tot een onderlinge verstandhouding die vrij is van haat en geweld. Wij onderschrijven van harte de wens om elkaar over de religieuze grenzen heen te bejegenen met respect en welwillendheid. Wij vinden het van het grootste belang, dat moslims en christenen overal ter wereld oprecht met elkaar in gesprek treden. Op
drie punten hebben wij echter ingrijpende vragen bij Een Gemeenschappelijk
Woord. In het belang van een vruchtbare en eerlijke dialoog spreken wij de
dringende wens uit, dat onze kerk deze vragen in haar reactie verdisconteert.
We zouden de eerste vraag een praktische vraag kunnen noemen, de tweede een
procedurele en de derde een principieel-inhoudelijke, maar ze zijn naar onze
overtuiging niet los van elkaar te zien. 1. De praktische vraag is, welke concrete stappen er in de islamitische wereld worden genomen om het recht op daadwerkelijke godsdienstvrijheid te garanderen voor christenen en andere niet-moslims die in islamitische landen leven. Met name is ook de vraag welke bescherming er in islamitische samenlevingen wordt geboden aan mensen die vanuit de islam overgaan tot een andere godsdienst. Moslims
in landen met een christelijke traditie kunnen hun geloof in het openbaar
belijden, en mensen die moslim worden terwijl ze eerder christen waren, worden
niet vervolgd. Voor een gelijkwaardig gesprek tussen beide wereldreligies is
het noodzakelijk, dat beide daadwerkelijk de ruimte scheppen en verdedigen
waarin mensen hun vrije geloofsbeslissing kunnen nemen. Zolang
in de landen van tal van ondertekenaars van Een Gemeenschappelijk Woord mensen worden vervolgd omdat ze publiekelijk getuigen van hun
christelijk geloof of omdat ze vanuit de islam tot de christelijke kerk
toetreden, is een oproep aan ons adres tot wederzijdse welwillendheid niet
volledig geloofwaardig. 2.
De procedurele vraag is, waar in het gesprek tussen christenen en moslims het
jodendom in beeld komt. Alleen al om godsdiensthistorische redenen zou het
merkwaardig zijn als christenen en moslims zouden zoeken naar een common
ground zonder terug te grijpen op de Israëlitische traditie. Daar immers
liggen de vroegste bronnen van onze beide geloofstradities, en datgene wat wij
volgens ‘Gemeenschappelijk Woord’ als gezamenlijk vertrekpunt hebben, kan
niet anders zijn dan de erfenis van het bijbelse Israël. De
relatie met Israël en het jodendom is een pijnlijke, complicerende factor,
vanwege de huidige politieke situatie in het Midden-Oosten (en vanwege de rol
die de christelijke wereld heeft gespeeld in het ontstaan van die situatie).
Maar juist omdat deze situatie onze volle aandacht en toewijding verdient,
mogen christenen en moslims niet in onderling gesprek van hun Israëlitische
en joodse wortels weglopen.
3.
De principieel-inhoudelijke vraag is, of datgene wat Een Gemeenschappelijk
Woord als onze voorgegeven common
ground specificeert, werkelijk een gemeenschappelijke basis voor moslims
en christenen (en joden) is. Kort gezegd noemt de open brief als
gemeenschappelijk vertrekpunt de belijdenis van God/Allah als de Éne (die
geen medegenoot heeft), en de plicht om God en de naaste lief te hebben. Het
is ons nu niet begonnen om theologische haarkloverijen, of om een steekspel
waarbij bijbelteksten en koranteksten tegenover elkaar in stelling worden
gebracht. Het gaat ons om de vraag, of we onder God/Allah als de Éne wel
hetzelfde verstaan. Juist
als God de Éne is, bepaalt ons godsbegrip alles: ons geloven en onze daden,
ons zelfbeeld en ons beeld van de medemens, onze ethiek en onze politiek. Het
spreekt voor ons niet vanzelf dat de God die ons in Tenach wordt geopenbaard
en die ons in Jezus Christus nabijgekomen is, dezelfde is die spreekt in de
soera’s van de Koran. Juist daarover zou een intens gesprek tussen joden,
moslims en christenen gevoerd moeten worden, zonder al te snel te
veronderstellen dat hier sprake is van een gedeelde basis. Het spreken over
een common ground werkt hier eerder vertroebelend dan verhelderend. We
benadrukken dat we met deze vaststelling geen verwijdering tussen christenen,
joden en moslims bepleiten, integendeel: onze roeping is, elkaar in vrede en
vriendschap te beluisteren en te bevragen, elk getuigend van datgene wat ons
in onze traditie is geschonken. Bij
de derde vraag noteren we nog enkele aandachtspunten die zijn ingegeven door
de tekst van Een Gemeenschappelijk Woord. a.
De status van de Bijbel en de Koran Willen
we als joden, christenen en moslims samen zoeken naar een common ground,
dan is wel vereist dat we op een gelijkwaardige wijze integer omgaan met
elkanders openbaringsbronnen. Zolang moslims staande houden dat joden en
christenen zich op gecorrumpeerde bronnen beroepen, terwijl zij van ons eisen
dat wij de onaantastbaarheid van de Koran erkennen, kan van een gelijkwaardig
gesprek geen sprake zijn. De christelijke traditie kent, deels in
verbondenheid met de joodse traditie, een lange geschiedenis van
bijbels-theologische reflectie en van kritische exegese, waarin (behoudens in
stromingen die op een moderne manier ’ behoudend’ zijn) gevoeligheid voor de menselijke en kwetsbare aspecten
van de bijbelse overlevering gepaard gaat met openheid voor de manier waarop
God in die overlevering tot spreken komt.
Liever
dan van hen te vragen om ook voor de Koran het historisch-theologisch
onderzoek en de tekstgeschiedenis te laten meespreken, willen wij aanbevelen
om het gesprek tussen moslims, christenen en joden over de verschillende
opvattingen van het omgaan met onze wederzijdse openbaringsbronnen
nadrukkelijk op de agenda te zetten. Alleen dan nemen we de moslims serieus
als gesprekspartners. b.
De God van Israël Wij
geloven niet in een God in het algemeen, maar in de
Ene zoals Hij openbaar geworden is in de weg die Hij met het volk Israël
is gegaan, en zoals Hij ons nabij gekomen is in de jood Jezus Christus. Die
bijzondere weg en die bijzondere gestalte kwalificeren alles wat wij over God
belijden. De ervaring met de Ene die niet de
machtigen maar de zwakken kiest, die zijn volgelingen niet in hun heldendom
bevestigt maar tot grensverleggende gerechtigheid roept, en die telkens de
kaders van elke vanzelfsprekende godsdienstigheid doorbreekt, weerspreekt
alle natuurlijke religiositeit. Deze ervaring heeft de bijbelse auteurs
gebracht tot een anti-heroïsch besef van kwetsbaar en dankbaar
menszijn, met humor en milde zelfspot. We
geven onmiddellijk toe dat deze eigenschappen in de geschiedenis van het
christendom (en het jodendom) telkens weer ten onder gaan als ons geloof
ondergeschikt wordt gemaakt aan collectieve macht en individuele
zelfhandhaving. Maar van groot belang is het om te zien dat deze eigenschappen
niet zomaar deugden zijn, maar ten nauwste samenhangen met het begrip van hoe de
Ene ‘God’ is. c.
De weg van Jezus Christus In
het verlengde van dit Godsbegrip ligt de christelijke belijdenis, dat God zich
heeft geopenbaard in de weg die Jezus gegaan is door leven, lijden en dood
heen. Juist in de keuze van Jezus om zich met Gods liefde en waarheid
kwetsbaar uit te leveren aan de mensen en krachten om hem heen, herkennen wij
de radicale keuze van de Ene om de God van
feilbare en kwetsbare mensen te zijn. Juist
in het kruislijden van Jezus, teken van zegenende weerloosheid, is Jezus voor
ons de openbaring van Gods diepste wezen. Dat het voor islamitisch besef
onbestaanbaar is dat de Almachtige zich weerloos maakt en dat de
Ene de vloek op zich neemt, geeft aan hoe diametraal verschillend wij
de grootheid van God zien. Waar het wordt uitgesloten dat Gods messias lijdt
en sterft om het diepste lot van de mensheid te delen, verdampt de common
ground van een gemeenschappelijk godsbesef. Dat
maakt het des te nodiger dat we intens met elkaar over God in gesprek zijn,
maar laat dan helder zijn dat we niet ‘eigenlijk in hetzelfde geloven’,
want dat is niet het geval. d.
De éne God In
de bijbelse traditie is de belijdenis van de éne God geen uitspraak over het
al of niet bestaan van andere goden, en ook geen uitspraak over het
alleen-zijn van God. Het is een uitspraak over de onverdeelde toewijding van
God aan de mensen met wie Hij een weg gaat, en over de onverdeelde toewijding
van die mensen aan de Ene. Wij zijn niet
overgeleverd aan de grillen van een kosmische godenstrijd waarin we diverse
krachten te vriend moeten houden; en we hoeven niet te vrezen dat we uit de
aandacht van de Ene vallen. De eenheid van
God functioneert in het bijbelse denken altijd in relatie tot zijn verbond met
mensen: voor degenen met wie Hij zich verbindt, is Hij er helemaal, in
onverdeelde aandacht en trouw, en zonder dubbele agenda. Wij
hebben de indruk, dat de islamitische belijdenis van Gods eenheid in tal van
Koran-teksten een polemische strekking heeft die gericht is tegen de
christelijke leer van Gods drie-eenheid. Ook in A Common Ground
wordt de belijdenis aangehaald dat Allah geen ‘medegenoot’ heeft.
In combinatie met de overtuiging dat Allah geen lijden kent en oneindig
verheven is boven ons lot, schept deze opvatting van Gods een-zijn een
volstrekt ander godsbesef en godsgeloof. Liever
dan het een-zijn van God op voorhand als gemeenschappelijk vertrekpunt te
aanvaarden, willen wij aanbevelen om het gesprek tussen moslims, christenen en
joden over de verschillende opvattingen van Gods eenheid nadrukkelijk op de
agenda te zetten. Waar de islamitische uitspraken over Gods eenheid een tegen
het christendom gerichte polemische pointe hebben, is het voor een eerlijk
gesprek van belang dat dit van meet af aan helder is. e.
De kwetsbare mens Het
joodse en christelijke Godsbesef geeft mensen de moed om kwetsbaar te zijn, om
de fragiliteit van hun lichaam en leven te aanvaarden, en om zonder zelfhaat hun
feilbaarheid te erkennen. Het bijbelse getuigenis over de
Ene en het evangelie van Jezus Christus geven tegenwicht aan heroïek en
mannelijke eer (machismo). Volharding in weerloze liefde wordt in de
Bijbel hoger aangeslagen dan kracht en macht. Het is de weg die Jezus ging en
waarvan de validiteit door de dood heen is bevestigd in de opstanding. In
de christelijke wereld delven deze waarden telkens weer het onderspit tegen de
‘wereldse’ waarden van eer, macht en rijkdom; maar vanuit de Bijbel en de
traditie klinkt dan telkens weer het getuigenis dat ons tot omkeer roept. Wij
benadrukken hier nog eens dat deze waarden rechtstreeks voortvloeien uit het
bijbelse Godsbegrip, en dus alles te maken hebben met de manier waarop wij in de
éne God geloven. In
het gesprek met moslims zouden wij met klem de vraag willen stellen, hoe de
roeping om in alle kwetsbaarheid drager van Gods liefde te zijn, in het
islamitische geloof is verankerd. Onze indruk is dat de islam, ook vanuit haar
bronnen, in sterke mate de waarden van kracht, macht en mannelijke eer koestert.
Vanuit het Godsbegrip lijkt in de islam onkwetsbaarheid een hogere waarde dan
kwetsbaarheid, en (mannelijke) kracht een hogere waarde dan weerloze liefde. Dat
heeft ook voor de ethiek en de politiek grote gevolgen. f.
Vrede Wij
zoeken allen naar vrede. Dat is één van de belangrijke motieven om het gesprek
tussen de religies te voeren. Te vaak is religieuze identiteit een bron van
geweld en haat, terwijl joden, christenen en moslims er van overtuigd zijn dat
hun geloof een vredeskracht zou moeten en kunnen zijn. Maar
ook vrede is een begrip dat nauw samenhangt met onze visie op God, mens en
wereld, en dus met ons Godsbegrip. Wij bevelen aan om in het interreligieuze
gesprek het verlangen naar vrede niet zonder meer als gezamenlijk vertrekpunt
voor lief te nemen, maar om van meet af aan te verhelderen wat we onder vrede
verstaan. Met name zal de vraag moeten zijn, hoe vrede zich verhoudt tot
vrijheid, en hoe de menselijke vrijheid zich verhoudt tot de heerschappij van de
Ene. Wil een gezamenlijk streven naar vrede van moslims, joden en
christenen maatschappelijk en politiek relevant zijn, dan moet helder zijn,
welke religieuze en maatschappelijke agenda’s
wij met het begrip vrede verbinden. De ervaringen van christelijke kerken
in islamitische samenlevingen, en het vrijwel ontbreken van gelovig-islamitische
tegenstemmen die het opnemen voor geloofsvrijheid voor andersgelovigen, geven
ons niet het goede gevoel dat we als moslims en christenen leven vanuit één
visioen van vrede. -- Alles
wat wij hier te berde brengen, zou kunnen worden beluisterd als een reeks
argumenten tégen de interreligieuze dialoog. Het zou kunnen worden gelezen als
een uiting van christelijke argwaan tegen de islam. Maar zo is het niet bedoeld.
Wij zijn diep overtuigd van de bevrijdende kracht van het christelijk geloof hoe
vaak die kracht ook door menselijk kwaad in zijn tegendeel is verkeerd. Wij
nemen aan dat moslims diep overtuigd zijn van de kracht en waarde van het
islamitische geloof. Het is van groot belang dat we elkaar vanuit die
overtuigingen nauwkeurig en met warme belangstelling beluisteren, en dat we
oefenen in goed nabuurschap en onderlinge dienstvaardigheid. Wij
menen dat het voor een oprecht gesprek van belang is, de verschillen helder te
maken, ook als ze schuilgaan achter schijnbare overeenkomsten. Het verhullen van
verschillen leidt tot verborgen agenda’s
en ijdel vlagvertoon, en ondermijnt het wederzijds respect. Op den duur
leidt het er ook toe dat we de voeling verliezen met het bijzondere dat ons in
onze eigen traditie is geschonken. Het
is niet aan ons, een eindoordeel te vellen over de waarheid en waarde van de
islam. Het is aan ons, om te getuigen van de liefde van God die wij in Jezus
Christus hebben leren kennen. Daarbij is er alle ruimte om aandachtig te
beluisteren wat onze islamitische medemensen draagt en beweegt, en om te zoeken
naar een waardige en heilzame manier om samen de wereld te bewonen. Utrecht,
25 juli 2009 Initiatiefnemers: Dr. Hebe
Kohlbrugge, Utrecht Dr. Piet van
Veldhuizen, Hendrik-Ido-Ambacht Dr.
Hans Kronenburg, Zeist Henk Stolk,
Utrecht Medeondertekenaars: Mevr. Gijsje van den Akker, Driebergen Drs. Jils Amesz, Rotterdam Jeannette
van Andel
Dr. Ton van den Beld, Utrecht Koos
van den Berg, Hendrik-Ido-Ambacht
Dr.
Joop Boendermaker, Hilversum
Dr.
Rudolf Boon, Amsterdam
Drs.
Frans Bos, Waddinxveen
J.A.H.Brok,
em.pred., Zeist
Drs.
W. Brombacher, Kleinroda, Duitslsand Ds.
L. den Breejen, Delft
Drs
W. Dekker, staflied IZB, Amersfoort
Adriaan
Deurloo, Amsterdam
Dr.
Karel Deurloo, Amsterdam
Ds.
Sybrand van Dijk, Hekelingen
Bernard
Dijkdrenth, Amersfoort
Dr.
Arie Eikelboom, ’s-Gravenhage
Gé
en Anneke van der Feijst, Hendrik-Ido-Ambacht Ds.
W.Ganzevoort, Zeist
Ds Gerard Geitenbeek, Rotterdam Jan
Geursen, em.pred., Haarlem
Ds.
J. Goorhuis, Groningen
Dr.
Margriet Gosker, Venlo
Dr. G. Henk van de Graaf Ds. Sally A. van de Graaf-Leentfaar. Dr.
ir.
J. van der Graaf, Huizen
Elly
de Haan-Verduyn, Maastricht
Hans
van Halsema, Hilversum
Ds.
Paul van der Harst, Amersfoort
Ds.
Jan R.F. Heine, Bennekom
Drs.
Arthur Hegger, Utrecht
Dr.
P. van den Heuvel, Bunnik
Dr.
J. Hoek, Veenendaal
Dr.
Sonny Hof, Amsterdam
Ds.
H.P. van der Horst, Boxmeer
Ds.
Ietske Jansen, Driebergen
Ds.
Kasper Jansen, Utrecht
Ds.
Gijs Jonkers, Utrecht
Ellen
Keja- Balk, Odijk Dr. L.A. Kopmels, Delft Ds
Laurens Korevaar, Rotterdam
Dr. Otto Kroesen, Delft Ds.
Bert Kuipers, Rotterdam
Dr.
W. J. Lamfers, Weesp
Dr.
H. de Leede, Amersfoort
Ds.
Henk Lensink, Amsterdam
Bea
Lindemans, Hendrik-Ido-Ambacht
Ds.
Nico Ter Linden, Amsterdam
Dr.
Gerrit Manenschijn, Amstelveen
Ds.
Huib Marchand, Nieuwerkerk a/d Ijssel
Dr.
Corja Menken- Bekius, Zeist
Dr.
Piet van Midden, Bergambacht
Ds.
Hendrik Jan Nieuwenhuis, Ede
Ries Nieuwkoop, em.pred., Zwolle Wil
Noordergraaf, Rotterdam
Drs.
Agaath van Ommen – van Oortmerssen, Winterswijk
Dr.
At Polhuis, Rotterdam
Cees
en Adrie Put, Hendrik-Ido-Ambacht
Ds. Leen de Ronde, Tiel Elly
Schillern-Baakman, Rotterdam
Margreeth
Schopenhauer, Middelburg
Drs.
Henry Schep, Elst (U)
Dr.
Niek Schuman, Duivendrecht
Dick
Seinstra, Oisterwijk
Ds.
A. Sevenster, Haren
Dr.
Bettine Siertsema, Amstelveen
Ds.
Nico Sjoer, Apeldoorn
Dr.
Adriaan Soeting, Amsterdam
Jan
Starreveld en Jetty Haveman, Zeist
Ds.
Huib Stolk, Lelystad
Lia
van Stuijvenberg, Hendrik-Ido-Ambacht
Dr.
Daan Thoomes, Bilthoven
Hans
Treurniet, Vlaardingen
Jeane
van der Velden- de Kreij, Utrecht
Jan
van Veldhuizen, ‘s-Graveland
Dr.
Maarten Verduin, Zeist
Aline
Verhoog, ’s-Gravenhage
Dr.
Evert Jan Vledder, Rotterdam
Dr.
Henk Vreekamp, Epe
Drs.
Eppo Vroom, Veendam
Ds.
Barend Wallet, Houten
Dr.
Jaap Wiegers, Olst
Jos
Wienen, Katwijk
Jan
H. Witte, Boxmeer
Jeanine Wisse, Rotterdam Anneke van Wijngaarden, Rotterdam Barend
van Wijngaarden, Rotterdam
Dr.
Heleen Zorgdrager, Elst (U)
Ds.
Joop Zuur, Den Haag
|